‘Rhand? Ga jij niet drinken?’
Rhand schrok op, stapte toen de bak in waar het water nu tot de enkels stond en liep spattend naar de plek waar Mart had gestaan, waar hij op dezelfde manier begon te drinken. Met gesloten ogen liet hij het water over zich heen stromen.
Mart keek hem bezorgd aan. Nee, dus niet gek, nog niet. Maar als hij niets had gezegd, zou Rhand er nog lang hebben gelachen, terwijl de dorst zijn keel in steen veranderde. Mart liep bij hem vandaan en klom de fontein weer uit. Er was wat water uit zijn doorweekte kleren in zijn laarzen gelopen. Hij negeerde het gesop dat hij bij iedere stap maakte. Hij wist niet zeker of hij zijn laarzen weer aan zou krijgen als hij ze uittrok. Bovendien voelde het lekker.
Naar de stad turend vroeg hij zich af wat hij hier deed. Die lieden hadden gezegd dat hij anders dood zou gaan, maar was zijn aanwezigheid in Rhuidean voldoende? Moet ik iets doen? Wat dan? De lege straten en half voltooide paleizen wierpen geen schaduwen in dit bleekblauwe licht. Tussen zijn schouderbladen voelde hij het kriebelen. AI die lege vensters die op hem neerkeken, al dat onvoltooide metselwerk als een slecht gebit met gaten. Daar kon zich van alles verbergen en in een plaats als deze kon alles... Allerlei bloeddingen. Hij wenste dat hij de messen in zijn laarzen nog had. Maar die vrouwen, die Wijzen, hadden hem op een manier aangekeken alsof ze wisten dat hij nog iets achtergehouden had. En ze hadden geleid, een van hen of allemaal. Het was niet verstandig geleidsters tegen de haren in te strijken, als je het kon voorkomen. Bloedvuur, als ik van die Aes Sedai af kan komen, zal ik nooit meer om iets vragen. Nou ja, in ieder geval heel lang niet meer. Licht, ik vraag me af of zich daar iets verborgen houdt.
‘Het hart moet die kant op liggen, Mart.’ Rhand klom druipend de fontein uit.
‘Het hart?’
‘De Wijzen zeiden dat ik naar het hart moest gaan. Ze moeten het midden van deze stad bedoeld hebben.’ Rhand keek om naar de fontein en opeens verminderde de stroom tot een dun straaltje en verdween toen geheel. ‘Er ligt een oceaan van goed water hieronder. Diep. Zo diep dat ik het bijna niet vond. Als ik dat naar boven kan halen... Maar het heeft geen zin het te verspillen. We kunnen nog een keer goed drinken als het tijd is te vertrekken.’
Mart schuifelde verontrust met zijn voeten. Dwaas! Waar dacht je dan dat het vandaan kwam? Bloedvuur, natuurlijk moest hij geleiden. Dacht ik dan echt dat het gewoon begon te stromen nadat hier het Licht weet hoelang niets meer gestroomd heeft? ‘Midden van de stad. Natuurlijk. Ga maar voor.’
Ze bleven in het midden van de brede straat, liepen langs de rand van de kale zandstroken, langs nog meer droge fonteinen, enkele met een stenen bak en een marmeren bodem waar de beelden hadden moeten staan. Er was in de stad niets kapot, maar het was... niet af. De paleizen rezen aan weerszijden op als rotswanden. Daarbinnen moesten toch dingen staan? Meubels misschien, als die tenminste nog niet waren vergaan. Misschien goud. Messen. Messen zouden in deze droge lucht niet wegroesten, hoelang ze er ook hadden gelegen. Maar er kan net zo goed zo’n vervloekte Myrddraal zitten. Licht, waarom moet ik daar nou weer aan denken? Hij had een vechtstok moeten meenemen toen hij uit de Steen vertrok. Dan had hij bij de Wijzen misschien kunnen beweren dat het een wandelstok was. Maar het had geen zin er nu bij stil te staan. Als er bomen hadden gestaan, had hij een rechte tak kunnen afsnijden en gladschaven. Als hij een mes had gehad. Weer dat als. Hij vroeg zich af of de onbekende bouwers van deze stad erin geslaagd waren bomen te kweken. Hij had zo lang op de boerderij van zijn vader gewerkt dat hij goede grond kon herkennen als hij die zag. Die lange kale zandstroken waren arm, daar zou niets in willen groeien, afgezien van wat onkruid en dan niet eens alle onkruid. Nu groeide er niets.
Nadat ze een span hadden afgelegd, kwam de straat opeens uit op een groot plein, misschien even groot als de afstand die ze net hadden afgelegd, omringd door diezelfde paleizen van marmer en kristal. Het was verbazingwekkend dat er op dat enorme plein een boom oprees, ruim honderd voet hoog, met een dik bladerdak dat zich ter grootte van een haag boven een stoffige, witte bestrating uitstrekte. Hij stond vlak bij een aantal cirkels van helder glinsterende glaszuilen, zo dun en lang als naalden, bijna even hoog als de boom. Hij zou zich moeten afvragen hoe daar een boom kon groeien, zonder het licht van de zon, als hij niet met open mond had staan rondkijken naar de verbijsterende uitstalling van voorwerpen op het plein. Van elke straat die Mart kon zien, leidde een duidelijk pad recht naar de kringen van pilaren, maar in de ruimte tussen de paden stonden overal en kriskras door elkaar allerlei beelden, levensgroot of half zo klein, van steen, kristal of metaal, gewoon op de plavuizen. En daar tussenin... Hij wist eerst niet hoe hij ze moest noemen. Platte zilveren ringen, tien voet in doorsnee en zo dun als een lemmet. Allemaal op een taps toelopende kristallen sokkel van een pas hoog, die een van de kleinere beelden had kunnen dragen. Met een glanzend zwarte metalen piek, zo smal en lang als een speer, maar toch recht overeind alsof hij wortel had geschoten. Honderden voorwerpen, misschien wel duizenden, in elke denkbare vorm, van elk denkbaar materiaal, verspreid over het enorme plein op niet meer dan zo’n tien voet afstand van elkaar.
Het kwam door de zwart metalen speren, die zo onnatuurlijk rechtop stonden, waardoor hij opeens wist wat het moesten zijn. Ter’angrealen. In ieder geval dingen die met de Kracht te maken hadden. Sommige daarvan moesten het zeker zijn. Die verwrongen stenen poort in de Grote Borg van de Steen had ook niet om willen vallen. Hij stond al klaar om zich om te draaien en er meteen vandoor te gaan, maar Rhand liep door en keek nauwelijks naar de dingen om hem heen. Eenmaal bleef Rhand staan om naar twee beelden te kijken die tussen al die andere dingen nauwelijks een plek waard waren. Twee beeldjes van misschien een voet hoog, een man en een vrouw, die elk met één hand een kristallen bol omhooghielden. Hij leek zich te willen bukken om ze aan te raken, maar richtte zich zo snel weer op dat Mart bijna dacht dat hij het zich had verbeeld. Even later haastte Mart zich naar hem toe. Hoe dichter ze bij de flonkerende zuilenringen kwamen, hoe gespannener hij werd. Al die dingen om hem heen moesten iets met de Kracht te maken hebben, net als de zuilen. Hij wist het gewoon. Die onmogelijk lange dunne schachten fonkelden in het blauwige licht, verblindden de ogen. Ze hebben alleen gezegd dat ik hierheen moest gaan. Nou, ik ben er. Bloedvuur, ze hebben niets over de Kracht gezegd.
Rhand bleef zo plotseling staan, dat Mart al drie stappen dichter bij de zuilenringen was voor het tot hem doordrong. Rhand stond naar de boom te kijken, zag Mart. De boom. Mart merkte dat hij erheen liep alsof hij erdoor werd aangetrokken. Geen enkele boom had die drievoudige bladen. Geen enkele boom, op één na. Een legendarische. ‘Avendesora,’ zei Rhand zachtjes. ‘De Levensboom. Hij staat hier.’ Onder de breed uitwaaierende takken sprong Mart hoog op om een van de bladeren te pakken te krijgen. Zijn gestrekte vingers bleven ruim een pas onder de laagste tak. Hij stelde zich tevreden met wat dieper onder dat bladerdak te komen en tegen de dikke stam te leunen. Even later gleed hij omlaag om ertegenaan te zitten. De oude verhalen waren waar. Hij voelde... Tevredenheid. Rust. Hij voelde zich goed. Zelfs zijn voeten deden minder pijn.
Rhand liet zich in kleermakerszit zakken. ‘Ik kan de verhalen geloven. Ghoetam die veertig jaar onder Avendesora bleef zitten om wijsheid te vinden. Nu kan ik het best geloven.’
Mart hield zijn hoofd tegen de boom. ‘Maar ik weet niet of ik op vogels met eten voor mij mag rekenen. We zullen op een gegeven moment toch moeten opstappen.’ Maar een uur of zo zou niet slecht zijn. Zelfs een hele dag niet. ik begrijp er trouwens niets van. Wat voor voedsel zouden vogels hier kunnen brengen? En welke vogels?’