‘Misschien was Rhuidean vroeger niet zo, Mart. Misschien... Ik weet het niet. Misschien stond Avendesora toen ergens anders.’
‘Ergens anders,’ mompelde Mart. ‘Ik zou graag ergens anders willen zijn.’ Maar het... voelt... goed.
‘Ergens anders?’ Rhand draaide zich om en keek naar de hoge dunne zuilen die dichtbij stonden te glimmen. ‘De plicht is zwaarder dan een berg,’ zuchtte hij.
Dat was een deel van een spreekwoord dat hij in de Grenslanden had opgepikt. ‘De dood is lichter dan een veer, de plicht zwaarder dan een berg.’ Het leek Mart onzin, maar Rhand stond niettemin op. Aarzelend deed Mart hetzelfde. ‘Wat denk je daarbinnen te vinden?’
‘Ik denk dat ik vanaf hier alleen verder moet,’ zei Rhand langzaam. ‘Wat bedoel je?’ wilde Mart weten, ik ben toch meegekomen? Ik ga nu niet op mijn schreden terugkeren.’ Maar wat zou ik dat graag willen!
‘Dat is het niet, Mart. Als je daar naar binnen gaat, kom je er als stamhoofd uit, of je gaat dood. Of je wordt gek. Een andere mogelijkheid is er volgens mij niet. Tenzij de Wijzen daar ook naar binnen stappen.’ Mart aarzelde. Te sterven en weer te leven. Dat hadden ze gezegd. Maar hij was niet van plan een Aielstamhoofd te worden; de Aiel zouden hem waarschijnlijk met hun speren doorboren. ‘Laat het geluk beslissen,’ zei hij en haalde de Tar Valonse mark uit zijn zak. ‘Dit wordt zo langzamerhand mijn geluksmunt. Vlam, ik ga met jou mee, kop, ik blijf buiten.’ Hij gooide de munt snel op, voor Rhand bezwaar kon maken.
Op de een of andere manier greep hij mis; de mark kaatste van zijn vingertoppen, kwam rinkelend neer op de stenen plavuizen, stuiterde tweemaal op... en bleef op z’n kant staan.
Hij staarde Rhand beschuldigend aan. ‘Doe je dit soort dingen met opzet? Kun je het niet beheersen?’
‘Nee.’ De munt viel om en toonde een leeftijdloos vrouwengezicht omringd door sterren. ‘Het lijkt me dat je erbuiten blijft, Mart.’
‘Heb je zonet..?’ Hij wou maar dat Rhand niet geleidde als hij erbij was. ‘O, bloedvuur, als je wilt dat ik hier blijf, blijf ik wel.’ Hij griste de munt op en stopte hem terug in z’n zak. ‘Luister, jij gaat naar binnen, doet wat je moet doen en komt er weer uit. Ik wil hier weg en ik blijf hier niet eeuwig staan wachten en met mijn duimen draaien, terwijl ik op je wacht. En je hoeft ook niet te denken dat ik je kom helpen, dus wees maar liever voorzichtig.’
‘Dat verwacht ik ook niet van je, Mart,’ zei Rhand. Mart keek hem achterdochtig aan. Waarom stond hij zo te grijnzen? ‘Zolang je maar begrijpt dat ik het niet doe. Nou, vooruit, word maar zo’n bloedstamhoofd. Je hebt er in ieder geval het gezicht voor.’
‘Ga er niet naar binnen. Mart. Wat er ook gebeurt, doe het niet.’ Hij wachtte tot Mart knikte en draaide zich toen om. Mart bleef staan kijken hoe Rhand tussen de glimmende kolommen stapte. In de bewegende warreling leek hij bijna meteen te verdwijnen.
Mijn ogen bedriegen me, hield Mart zichzelf voor. Daardoor kwam het. Vervloekt gezichtsbedrog.
Hij begon om het geval heen te lopen, hield ruim afstand en tuurde naar binnen of hij nog iets van Rhand kon opvangen. ‘Kijk maar uit met wat je in dat bloedding uitspookt,’ schreeuwde hij. ‘Als je me in de Woestenij achterlaat met Moiraine en die bloedkrijgers van de Aiel, wurg ik je, Herrezen Draak of niet.’ Even later voegde hij eraan toe: ‘Ik ga niet naar binnen als je in de problemen komt! Versta je me?’ Er kwam geen antwoord. Als hij daar al te lang binnen blijft... ‘Hij is gek dat hij erin gaat,’ mompelde hij. ‘Nou, maar ik haal het spek niet uit het vuur. Hij is de geleider. Als hij zijn kop in een vervloekt horzelnest wil steken, kan hij zich er ook weer uit geleiden.’ Ik zie het gewoon een poosje aan. Hij zou vertrekken, of Rhand nu terug was of niet. Gewoon omdraaien en weggaan. Gewoon gaan. Dat ging hij doen. Echt.
De manier waarop die dunne glazen schachten het blauwige licht opvingen, verdeelden en weerspiegelden, maakte het kijken zo moeilijk dat hij er hoofdpijn van kreeg. Hij draaide zich om en wandelde terug, terwijl hij verontrust rondkeek naar de ter’angrealen – of wat het ook waren – op het plein. Wat deed hij hier? Waarom? Opeens bleef hij stokstijf naar een vreemd voorwerp staren. Een grote doorgang van glanzende roodsteen, op de een of andere manier verwrongen, zodat hij hem niet goed kon bekijken, alsof zijn blik van de omtrek weggleed. Hij liep er langzaam heen, tussen glinsterende veelkantige pieken die even lang waren als hij en lage gouden vormen gevuld met iets wat ruiten leken. Ze vielen hem echter amper op, want hij bleef de poort strak in het oog houden.
Het was dezelfde. Dezelfde glimmende roodsteen, even groot, met even verwarrende hoeken. Op iedere deurpost stonden drie rijen driehoekjes met de punten naar beneden. Had die poort in Tyr ook zoiets gehad? Hij wist het niet meer, had die vorige keer niet geprobeerd de bijzonderheden goed in zich op te nemen. Het was dezelfde, dat moest wel. Misschien kon hij geen tweede keer door die vorige opening, maar door deze? Een tweede kans om naar die slangenmensen te gaan, te zorgen dat ze meer vragen beantwoordden.
Met dichtgeknepen ogen tegen het geschitter keek hij om naar de zuilen. Hij had Rhand wat tijd gegund. In die tijd kon hij dit ding binnenstappen en er weer uitkomen, en dan had hij nog ruim tijd over. Misschien kon hij er niet meer naar binnen, omdat hij het evenbeeld al gebruikt had. Het is dezelfde. Maar misschien ook wel. Het betekende wel dat hij zich nog een keer met de Kracht bemoeide. ‘Licht,’ mopperde hij. ‘Ter’angrealen. Portaalstenen. Rhuidean. Nog één keer maakt toch niet zo’n verschil?’
Hij stapte erdoorheen. Door een muur van verblindend wit licht, door zo’n enorm gebulder dat het hem verdoofde.
Met knipperende ogen keek hij rond en slikte de gemeenste vloek in die hij kende. Waar hij ook was, dit was niet de plek waar hij eerder was geweest.
De verwrongen poort stond midden in een enorm vertrek dat de vorm van een ster leek te hebben, voor zover hij dat kon uitmaken tussen het woud van dikke pilaren met elk acht diepe groeven, waarvan de scherpe gele randen een zacht licht verspreidden. Ze rezen, afgezien van de glanzende stroken, glimmend zwart omhoog van een dofwitte vloer naar een sombere duisternis ver boven z’n hoofd, waarin zelfs de gele strepen vervaagden. De pilaren en vloer leken van glas, maar toen hij er met z’n hand over streek, voelde het aan als steen. Stoffige steen. Hij veegde z’n hand af aan z’n jas. De lucht rook beschimmeld en zijn eigen voetafdrukken waren de enige sporen in het stof. Er was hier zeer lang niemand geweest. Teleurgesteld keerde hij zich om naar de ter’angreaal. ‘Een zeer lange tijd geleden.’
Mart draaide pijlsnel rond en greep in zijn jasmouw naar een mes, dat hij echter op de berghelling had achtergelaten. De man tussen de pilaren leek absoluut niet op zo’n slangenmens. Hij deed Mart wel betreuren dat hij ook die laatste dolken bij de Wijzen had achtergelaten. De kerel was lang, langer dan een Aiel, en pezig, maar zijn schouders waren te breed voor zijn smalle heupen en zijn huid was zo wit als het duurste papier. Bleekleren riempjes met zilveren knoppen liepen kruiselings over zijn blote armen en borst en hij droeg een knielange zwarte plooirok. Zijn diepliggende ogen waren te groot en bijna kleurloos in een gezicht met smalle kaken, zijn kortgeknipte, bleekrode haren stonden als een borstel rechtop en zijn plat tegen het hoofd liggende oren leken bovenaan wat spits te zijn. Hij boog zich naar Mart toe, haalde luidruchtig adem en deed zijn mond wijd open om meer lucht op te zuigen, waarbij scherpe tanden flitsten. Hij maakte de indruk van een vos die een in het nauw gedreven konijn wilde bespringen. ‘Een zeer lange tijd geleden,’ zei de kerel, zich oprichtend. Zijn stem was grof, bijna grommend. ‘Houdt u zich aan de verdragen en overeenkomsten? Draagt u ijzer, instrumenten voor muziek of middelen om licht te maken op uw lichaam?’