‘Van dat alles heb ik niets,’ antwoordde Mart langzaam. Dit was niet dezelfde plek, maar deze kerel stelde dezelfde vragen. Hij gedroeg zich ook hetzelfde, met al dat gesnuif. Door mijn herinneringen aan het grasduinen, hè? Nou, hij gaat z’n gang maar. Misschien wrikt hij wat los zodat ik het ook weer weet. Hij vroeg zich af of hij de Oude Spraak weer gebruikte. Hij voelde zich verontrust dat hij het niet wist, dat hij het zelf niet kon horen. ‘Als u me naar de plek kunt brengen waar ik wat antwoorden op enkele vragen kan krijgen, breng me erheen. Zo niet, dan ga ik weer en bied ik mijn verontschuldigingen aan voor de overlast.’
‘Nee!’ De grote kleurloze ogen knipperden opgewonden. ‘U mag niet weggaan. Kom, ik breng u naar de plaats waar u kunt vinden wat u behoeft. Kom.’ Hij liep achteruit, met beide handen wenkend. ‘Kom.’ Na een blik op de ter’angreaal volgde Mart. Hij wou maar dat de man niet op dat moment naar hem had gegrijnsd. Misschien wilde hij Mart op z’n gemak stellen, maar die tanden... Mart besloot nooit meer al z’n messen op te geven, niet voor Wijzen, nog niet voor de Amyrlin Zetel zelf.
De grote vijfhoekige doorgang leek meer op de ingang van een tunnel, want de gang erachter had precies dezelfde vorm en was even groot, met zachtgloeiende gele stroken aan de randen van de vloer en het plafond. Hij leek oneindig ver door te lopen, vervagend in de sombere verte, regelmatig onderbroken door meer grote vijfhoekige doorgangen. De man in de rok draaide zich pas om toen ze allebei in de gang stonden, maar ook daarna keek hij regelmatig om, alsof hij er zeker van wilde zijn dat Mart er nog was. De beschimmelde lucht was weg, maar het rook er flauw naar iets onprettigs, iets wat vaag bekend was, maar niet sterk genoeg om te herkennen.
Bij de eerste doorgang wierp Mart een blik opzij en zuchtte. Achter stervormige zwarte pilaren stond een verwrongen roodstenen poort op een doffe witglazen vloer met laarsafdrukken in het stof die achter afdrukken van smalle voeten van de ter’angreaal naar de gang leidden. Hij keek om. Het vertrek waar hij uit was gekomen en dat zo’n vijftig stappen achter hem had moeten liggen, was weg, maar er bevond zich nu een eindeloos lange gang, het evenbeeld van wat voor hem lag. Zijn gids lachte hem weer toe met zijn scherpe tanden; de kerel zag er hongerig uit.
Hij wist dat hij iets dergelijks had mogen verwachten, na wat hij in de Steen aan de andere kant van die doorgang had aangetroffen. Die spitsen die oprezen op plekken waar ze hoorden te zijn, maar ook logisch gezien niet konden zijn. Als het met spitsen kon, waarom dan niet met kamers? Ik had buiten op Rhand moeten blijven wachten. Dat had ik écht moeten doen. Ik had zoveel moeten doen. Hij zou in ieder geval geen moeite hebben met het terugvinden van de ter’angreaal als de doorgangen voor hem uit allemaal hetzelfde waren. Hij wierp een blik in de volgende en zag zwarte pilaren, de roodstenen ter’angreaal, zijn voetafdrukken en die van de gids in het stof. Toen de man met zijn smalle kaak weer omkeek, grijnsde Mart hem met blikkerende tanden toe. ‘Denk maar niet een zuigeling in de strik te hebben. Als je probeert me te bedriegen, maak ik een paardendeken van je huid.’
De kerel schrok met opengesperde bleke ogen, maar schokschouderde toen en schoof de met zilver afgezette bleke riemen op zijn borst goed. Zijn spotlach leek erop gericht Marts aandacht te vestigen op wat hij deed. Opeens vroeg Mart zich af waar dat bleke leer vandaan kwam. Toch niet... O, Licht, ik denk het wel. Het lukte hem niet te slikken, maar het kostte hem moeite. ‘Ga voor, geitenzoon. Jouw huid is geen zilveren knoop waard. Breng me waar ik heen wil.’ Met een snauw haastte de man zich met een stijve rug verder. Mart gaf er niets om of de kerel beledigd was. Maar hij verlangde wel vurig naar een mes. Ik mag me branden als ik zo’n geitenkop met een vossensnuit een tuig van mijn huid laat maken.
Het viel niet te zeggen hoelang ze liepen. De schuine wanden en glanzende gele stroken in de gang waren overal precies hetzelfde. Iedere doorgang keek uit op hetzelfde vertrek met de ter’angreaal, de voetafdrukken en de rest. De overeenkomst maakte de tijd vormloos. Mart maakte zich zorgen dat hij hier al te lang was. Zeker langer dan hij had gewild. Zijn kleren waren alleen nog wat klam en zijn laarzen maakten geen soppende geluiden meer. Hij liep echter door, met z’n ogen strak op de rug van de gids gericht; hij liep door. Opeens hield de gang voor hem op bij een andere doorgang. Mart knipperde met z’n ogen. Hij zou hebben gezworen dat even eerder de gang nog heel ver doorliep, zo ver als hij had kunnen kijken. Maar hij had meer op die kerel met zijn scherpe tanden gelet dan op wat voor hem lag. Hij keek om en vloekte bijna. De gang strekte zich achter hem uit en de gele stroken leken op een punt bij elkaar te komen. En in de wanden was geen enkele opening zichtbaar. Toen hij zich omdraaide, stond hij alleen voor de vijfkantige deuropening. Bloedvuur, ik wou dat ze dat niet deden. Hij haalde diep adem en liep erdoorheen.
Het was weer zo’n stervormig vertrek met een witte vloer, maar niet zo groot als die kamer, of kamers, met de pilaren. Een achtpuntige ster met op iedere punt een zwartglazen sokkel, alsof zo’n pilaar vier pas was ingekort. Glanzende gele stroken liepen over de scherpe randen van het vertrek en de sokkels. De onprettige lucht was hier sterker; hij herkende het nu. De geur van het hol van een wild dier. Hij merkte het echter amper op, omdat hij de enige in het vertrek was. Langzaam ronddraaiend keek hij fronsend naar de sokkels. Er hoorde toch iemand op te zitten, iemand die zijn vragen zou moeten beantwoorden? Hij was bedrogen. Als hij hier kon komen, zou hij antwoorden moeten krijgen.
Opeens wervelde hij rond en zocht niet de sokkels af, maar de gladde grijze wanden. De doorgang was verdwenen; er was geen uitgang meer. Voordat hij een tweede keer had kunnen rondkijken, stond er echter op elke sokkel een persoon, mensen als zijn gids, maar anders gekleed. Vier waren mannen, de anderen vrouwen, hun borstelhaar stond in een kam omhoog voor het naar achteren omlaag viel. Ze droegen allen witte rokken die hun voeten verborgen. De vrouwen hadden hoge kantkragen en wit kant om de polsen van hun witte hemden. De mannen hadden zelfs nog meer stroken leer dan de gids, breder en vol goud. Elk tuig bevatte twee ontblote messen op de borst van de drager. Bronzen messen, meende Mart aan de kleur te zien, maar hij zou al zijn goud voor zo’n mes willen geven.
‘Spreek,’ zei een vrouw met diezelfde grommende stem. ‘Bij het verdrag van weleer wordt hier de afspraak afgerond. Wat is je behoefte? Spreek.’
Mart aarzelde. Dit was niet wat dat slangenvolk gezegd had. Ze stonden hem allemaal aan te staren zoals een stel vossen naar hun voedsel keek. ‘Wie is de Dochter van de Negen Manen en waarom moet ik met haar trouwen?’ Hij hoopte dat dat als één vraag telde. Niemand gaf antwoord. Geen van hen sprak. Ze bleven hem gewoon met hun grote bleke ogen aanstaren.
‘Van u wordt een antwoord verwacht,’ zei hij. Stilte. ‘Bloedvuur in je botten, geef me antwoord! Wie is de Dochter van de Negen Manen en waarom moet ik met haar trouwen? Hoe kan het, dat ik zal sterven en weer leven? Wat betekent het dat ik het halve licht van de wereld op moet geven? Dat zijn mijn drie vragen. Zeg iets!’ Doodse stilte. Hij kon zichzelf horen ademen, het bloed in z’n oren voelen kloppen.
‘Ik ben niet van plan te trouwen. Ik ben ook niet van plan dood te gaan, of ik nu wederom zal leven of niet. Ik loop rond met die gaten in mijn geheugen, gaten in mijn leven en jullie staren me aan als dwazen. Zelf zou ik liever die gaten willen opvullen, maar om iets van mijn toekomst in te kunnen vullen, moeten jullie me minstens een antwoord geven. Jullie moeten antwoord...’
‘Gedaan,’ gromde een van de mannen en Mart knipperde met z’n ogen. Gedaan? Wat was er gedaan? Wat bedoelde de man? ‘Bloedvuur in je ogen,’ mopperde hij. ‘Bloedvuur in je ziel! Jullie zijn al net zo erg als de Aes Sedai. Nou, ik wil iets om geen last te hebben van Aes Sedai en de Kracht en ik wil weg van jullie en terug naar Rhuidean, als jullie me geen antwoord geven. Open een deur en iaat me...’