Выбрать главу

‘Gedaan,’ zei een andere man en een van de vrouwen sprak hem na: ‘Gedaan.’

Mart zocht de muren af, werd woest en keerde zich naar het achttal dat vanaf hun sokkels op hem stond neer te kijken. ‘Gedaan? Wat is er gedaan? Ik zie geen deur. Jullie leugenachtige geitenzonen...’

‘Dwaas,’ fluisterde een vrouw grommend en anderen herhaalden het. Dwaas. Dwaas. Dwaas.

‘Wijs om afscheid te vragen, indien geen prijs wordt bedongen, geen voorwaarden worden gesteld.’

‘Maar toch dwaas om niet eerst een prijs overeen te komen.’

‘Wij stellen de prijs vast.’

Ze spraken zo snel dat hij niet kon zeggen wie wat zei. ‘Wat werd gevraagd, zal worden gegeven.’

‘De prijs zal betaald worden.’

‘Bloedvuur!’ schreeuwde hij. ‘Waar hebben jullie het...’

Totale duisternis omgaf hem. Er zat iets om zijn keel. Hij kon geen adem halen. Lucht. Hij kon geen...

25

De weg naar de speer

Rhand bleef niet bij de eerste rij kolommen staan, maar dwong zich door te lopen. Hij kon nu niet meer omdraaien, niet meer omkijken. Licht, wat moet er hier gebeuren? Wat doet het feitelijk? Zo helder als het fijnste glas, misschien een voet dik en op drie pas afstand van elkaar, vormden de zuilen een woud van verblindend licht, gevuld met omlaag glijdende rimpelingen, lichtflitsen en vreemde regenbogen. De lucht was hier koeler, zodat hij naar een jas verlangde, maar onder zijn laarzen knarste hetzelfde gruizelige stof op de gladde witte stenen. Er was geen briesje te voelen, maar zelfs onder zijn hemd leek elk huidhaartje te trillen.

Voor hem, iets meer naar rechts, kon hij nog net een andere man zien, in het grijs en bruin van de Aiel, zo stijf en stil als een standbeeld in die wisselende lichtflitsen. Dat moest die Muradin zijn, de broer van Couladin. Stijf en verstild; er gebeurde iets. Vreemd genoeg kon Rhand ondanks het geschitter Muradins gezicht duidelijk onderscheiden. De ogen in het strakke gezicht stonden wijd open en staarden, de mond beefde op het randje van een grauw. Wat de man ook zag, hij vond het niet fijn. Maar Muradin had het tenminste tot daartoe gered. Als hij het kon, kon Rhand het ook. Op z’n best was de man een pas of zes, zeven voor hem uit. Terwijl hij zich afvroeg waarom Mart en hij Muradin niet naar binnen hadden zien gaan, deed hij nog een stap.

Hij werd meegevoerd achter een paar ogen, voelde een lichaam maar kon het niet leiden. De eigenaar van die ogen hurkte gemakkelijk tussen de rotsblokken op een kale berghelling onder een hemel met een brandende zon. Hij keek neer op vreemde, half voltooide stenen bouwwerken – Nee! Niet eens half. Dat is Rhuidean, zonder een spoor van mist en nog maar net begonnen - hij keek er minachtend op neer. Hij werd Mandein, veertig jaar, jong voor een sibbehoofd. De scheiding verdween, aanvaarding volgde. Hij was Mandein.

‘Je moet instemmen,’ zei Sealdre, maar op dit moment negeerde hij haar.

De Jenn hadden dingen gemaakt die water putten en dat in grote stenen bakken verspilden. Hij had gestreden om minder water dan er hier in één bak zat, en de mensen liepen erlangs alsof water van geen enkel belang was. Een vreemd bos van glas rees temidden van al hun werkzaamheden op, glinsterend in de zon naast de grootste boom die hij ooit had gezien, minstens zes pas hoog. Hun stenen bouwwerken zagen eruit alsof er een hele veste in ondergebracht kon worden, een hele sibbe, wanneer ze af zouden zijn. Waanzin. Dit Rhuidean viel niet te verdedigen. Niet dat iemand de Jenn zou aanvallen, natuurlijk niet. De meesten vermeden de Jenn, zoals ze de vervloekte Verlorenen vermeden die rondzwierven en de liederen zochten die naar ze beweerden de dagen van weleer zouden terugbrengen.

Uit Rhuidean slingerde een stoet van enkele tientallen Jenn en twee palankijnen naar de berg; beide palankijnen werden door acht man gedragen. Er zat genoeg hout in elk van die palankijnen voor een tiental stoelen van stamhoofden. Hij had gehoord dat er zich nog Aes Sedai bij de Jenn bevonden.

‘Je moet instemmen met alles wat ze je vragen, gade,’ zei Sealdre. Nu pas keek hij haar aan en even wilde hij haar lange gouden haren strelen, even weer het lachende meisje zien dat de bruidskrans aan zijn voeten had gelegd en hem had gevraagd haar te huwen. Maar ze was nu ernstig, gespannen en bezorgd. ‘Komen de anderen wel?’ vroeg hij. ‘Enkelen. De meesten. In mijn droom heb ik met mijn zusters gesproken en wij hebben allen dezelfde droom gehad. De hoofden die niet komen en zij die niet zullen instemmen... Hun sibben zullen sterven, Mandein. Binnen drie geslachten zullen zij stof zijn en hun vesten en vee zullen de andere sibben behoren. Hun namen zullen verloren gaan.’ Hij hield er niet van dat ze met de Wijzen van andere sibben praatte, al was het in haar dromen. Maar de Wijzen droomden de waarheid. Wanneer zij iets wisten, was het waar. ‘Blijf hier,’ zei hij tegen haar. ‘Help onze zoons en dochters de sibbe bijeen te houden als ik niet terugkeer.’

Ze raakte even zijn wang aan. ‘Dat zal ik, schaduw van mijn leven. Maar denk eraan. Je moet instemmen.’

Mandein maakte een gebaar en honderd gesluierde gestalten volgden hem de helling af, waarbij ze de rotspartijen als dekking gebruikten.

Ze hielden hun bogen en speren gereed en hun grijs en bruin ging op in het barre land, zodat zelfs zijn ogen hen niet zagen. Het waren allemaal mannen; hij had alle sibbevrouwen die de speer droegen bij de mannen rond Sealdre achtergelaten. Als er iets fout ging en zij iets onverstandigs wilde doen om hem te redden, zouden de mannen haar waarschijnlijk volgen; de vrouwen daarentegen zouden ervoor zorgen dat ze terugging naar de veste, zelfs als zij er anders over dacht, om de veste en de sibbe te beschermen. Hij hoopte dat ze het zouden doen. Soms konden ze even fel zijn als mannen, en nog dwazer. Tegen de tijd dat hij onder aan de helling was, had de stoet uit Rhuidean halt gehouden op de gebarsten kleigrond. Hij gebaarde zijn mannen uit het zicht te blijven en ging alleen verder, waarbij hij zijn sluier liet zakken. Hij was zich bewust van andere mannen die rechts en links van hem uit de bergen te voorschijn kwamen, en van mannen die uit andere richtingen over de gloeiend hete grond aan kwamen lopen. Hoeveel? Vijftig? Honderd misschien? Er ontbraken enkele gezichten die hij verwacht had te zien. Zoals gewoonlijk had Sealdre gelijk; sommigen hadden niet naar de droom van hun eigen Wijze geluisterd. Hij zag gezichten die hij nooit eerder had gezien, gezichten van mannen die hij had geprobeerd te doden, van mannen die hadden geprobeerd hem te doden. Gelukkig was niemand gesluierd. Doden in aanwezigheid van een Jenn was bijna even erg als een Jenn zelf doden. Hij hoopte dat de anderen daar ook aan dachten. Bij verraad zouden de sluiers omhooggaan, de krijgers van elk sibbehoofd zouden de bergen uit komen en deze droge klei zou vochtig worden van het bloed. Hij verwachtte elk moment een speer tussen zijn ribben. Zelfs al trachtte hij de honderd mogelijke doodsoorzaken in het oog te houden, toch kon hij maar moeilijk zijn ogen van de Aes Sedai afhouden, toen de dragers hun prachtig bewerkte stoelen op de grond lieten zakken. Vrouwen met zulke witte haren dat die bijna doorschijnend leken. Leeftijdloze gezichten met een huid die de wind open kon schuren. Hij had gehoord dat de jaren de Aes Sedai niet raakten. Hoe oud zouden deze twee zijn? Wat hadden ze meegemaakt? Konden zij zich herinneren dat zijn oudvader Comran voor het eerst de Ogierstedding in de Drakenmuur had gevonden en er handel mee was gaan drijven? Of misschien nog dat Comrans oudvader Rhodric de Aiel had aangevoerd tegen de mannen met ijzeren hemden die de Drakenmuur waren overgestoken? De Aes Sedai richtten hun ogen op hem, scherpe blauwe en donkerbruine ogen, de eerste donkere ogen die hij ooit had gezien. Ze leken in zijn schedel te kijken en zijn gedachten te zien. Hij besefte dat hij was uitverkoren, en hij wist niet waarom. Met moeite keek hij weg van die twee paar ogen, die hem beter kenden dan hij zichzelf kende.