Выбрать главу

Een magere, witharige man, lang maar gebogen, kwam met twee grijze vrouwen uit de groep Jenn naar voren. Het konden zijn zusters zijn; ze hadden dezelfde diepliggende groene ogen en dezelfde manier om hun hoofd schuin te houden als ze ergens naar keken. De andere Jenn staarden liever ongemakkelijk naar de grond dan naar de andere Aiel, maar deze drie niet.

‘Ik ben Dermon,’ zei de man met een krachtige basstem en zijn blauwe ogen keken even onderzoekend en scherp als van een Aiel. ‘Dit zijn Mordaine en Narisse.’ Hij wees de vrouwen naast zich afzonderlijk aan. ‘Wij spreken voor Rhuidean en voor de Jenn Aiel.’ Er golfde een beweging door de mannen rond Mandein. Net als hijzelf hielden de meesten er niet van dat de Jenn beweerden Aiel te zijn. ‘Waarom hebben jullie ons geroepen?’ wilde hij weten, hoewel de erkenning dat ze waren opgeroepen op zijn tong brandde. Dermon gaf geen antwoord maar zei: ‘Waarom dragen jullie geen zwaard?’ Dat veroorzaakte een boos gemompel. ‘Het is verboden,’ gromde Mandein. ‘Zelfs een Jenn behoort dat te weten.’ Hij hief zijn speren, raakte het mes aan zijn riem aan en de boog op zijn rug. ‘Dit zijn de wapens die een krijger volstaan.’ Het gemompel klonk goedkeurend, zelfs van mannen die hadden gezworen hem te doden. Dat zouden ze nog steeds doen als ze de kans kregen, maar ze stemden in met zijn woorden. Ze leken er ook vrede mee te hebben dat hij het woord voerde, nu die Aes Sedai zwijgend toekeken. ‘Jullie weten niet waarom,’ zei Mordaine, en Narisse voegde eraan toe: ‘Er is te veel dat jullie niet weten. Niettemin moeten jullie het weten.’

‘Wat willen jullie?’ eiste Mandein.

‘Jullie.’ Dermon liet zijn ogen over de Aiel glijden, ervoor zorgend dat dit ene woord hen allen omvatte. ‘Ieder van jullie die wil leiden, dient naar Rhuidean te komen om te leren vanwaar wij kwamen en waarom jullie geen zwaarden dragen. Wie dit niet kan leren, zal niet leven.’

‘Jullie Wijzen hebben met jullie gesproken,’ zei Mordaine, ‘anders zouden jullie niet hier zijn. Jullie kennen de prijs van een weigering.’ Charendin duwde zich naar voren en keek beurtelings Mandein en de Jenn woest aan. Mandein had hem dat langgerekte rimpelige litteken op zijn gezicht bezorgd; ze hadden elkaar al driemaal bijna gedood. ‘We hoeven alleen maar naar jullie toe te komen?’ zei Charendin. ‘Ongeacht wie van ons komt, hij zal de Aiel leiden?’

‘Nee.’ De fluistering klonk heel ijl, maar hard genoeg om ieder oor te bereiken. Het kwam van de Aes Sedai met de donkere ogen, die met een deken over haar benen in haar fraai gesneden stoel zat, alsof ze het in deze kokende hitte koud had. ‘Die ene zal later komen,’ zei ze. ‘De steen die nooit valt, zal vallen om zijn komst aan te kondigen. Van het bloed, maar niet opgevoed door dat bloed, zal hij bij dageraad uit Rhuidean komen en jullie samenbinden met banden die jullie niet kunnen breken. Hij zal jullie terugvoeren, en hij zal jullie vernietigen.’ Enkele sibbehoofden bewogen alsof ze weg wilden gaan, maar het bleef bij enkele stappen. Ieder had naar de Wijze van zijn sibbe geluisterd. Stem toe, of we zullen worden vernietigd alsof wij nooit hebben bestaan. Stem toe of we zullen onszelf vernietigen. ‘Dit is een sluwe streek,’ riep Charendin. Onder de blikken van de Aes Sedai ging hij zachter praten, maar zijn boosheid was nog steeds hoorbaar. ‘Jullie willen de sibben overheersen. Aiel knielen voor geen enkele man of vrouw.’ Hij hield zijn hoofd fier omhoog en vermeed de ogen van de Aes Sedai. ‘Voor niemand,’ mopperde hij. ‘Wij zoeken niet te heersen,’ vertelde Narisse hem. ‘Onze dagen zijn geteld,’ zei Mordaine. ‘Er zal een dag komen dat de Jenn er niet meer zijn, dat alleen jullie overblijven om de Aiel te gedenken. Jullie moeten overblijven, want anders is alles voor niets geweest en zal alles verloren gaan.’

Haar vlakke stem en kalme zekerheid brachten Charendin tot zwijgen, maar Mandein had nog een vraag. ‘Waarom? Indien jullie je doem kennen, waarom dan dit alles?’ Hij gebaarde naar de hoge bouwwerken in de verte.

‘Het is waarvoor wij bestaan,’ antwoordde Dermon kalm. ‘Vele jaren hebben wij naar deze plek gezocht en nu brengen we hem in gereedheid, zij het niet voor het doel dat wij eens dachten. Wij doen wat we moeten doen en behouden het geloof.’

Mandein bestudeerde het gezicht van de man. Er lag geen vrees in. ‘Jullie zijn Aiel,’ zei hij en toen enkele sibbehoofden naar adem snakten, verhief hij zijn stem. ik zal naar de Jenn Aiel gaan.’

‘Je mag niet gewapend naar Rhuidean komen,’ zei Dermon. Mandein lachte hardop over de vermetelheid van de man. Een Aiel te vragen ongewapend te komen. Hij liet zijn wapens op de grond vallen en stapte naar voren. ‘Breng me naar Rhuidean, Aiel. Ik zal je moed evenaren.’

Rhand keek met knipperende ogen naar de flikkerende lichtjes. Hij was Mandein gewéést en hij kon nog steeds voelen hoe zijn verachting voor de Jenn overging in bewondering. Waren de Jenn nou Aiel of niet? Ze leken op elkaar, lang, met lichte ogen in zongebruinde gezichten, gekleed in dezelfde kleren, maar zonder de sluier. Ze hadden evenwel geen enkel wapen gedragen, behalve eenvoudige werkmessen aan hun riem. Een Aiel zonder wapens was ondenkbaar. Hij was dieper tussen de zuilen doorgedrongen dan zijn ene stap kon verklaren en stond dichter bij Muradin dan eerst. De starende blik van de Aiel was overgegaan in een ijzingwekkende frons. Gruizelig stof knarste onder Rhands laarzen toen hij opnieuw een stap deed.

Zijn naam was Rhodric en hij was bijna twintig. De zon was een gouden blikkering aan de hemel, maar hij hield zijn sluier voor en zijn ogen waren waakzaam. Zijn speren waren gereed – een in de rechterhand, de andere drie bij zijn kleine stierenleren schild – en hij was dat ook. Jeordam was beneden op de bruine grasvlakte ten zuiden van de heuvels, waar de meeste struiken klein en verkommerd waren. Het haar van de oude man was wit, net als dat spul dat sneeuw heette waar de ouden over vertelden, maar zijn ogen waren scherp; het in de gaten houden van de putgravers die gevulde waterzakken optakelden, zou niet al zijn aandacht vergen.

In het noorden en oosten rezen bergen op, de noordelijke bergrug was hoog, met scherpe pieken en witte punten, maar klein vergeleken met de oostelijke bergreuzen. Die leken de hemel te willen aanraken en misschien deden ze dat ook wel. Was dat wit misschien sneeuw? Hij zou het nooit te weten komen. Nu de Jenn dit zagen, zouden ze moeten besluiten naar het westen te gaan. Ze waren vele maanden langs die hoge bergwand naar het noorden getrokken, moeizaam hun wagens voorttrekkend en pogend de Aiel achter hen te negeren. Er was gelukkig water geweest toen ze de rivier overstaken, zij het niet veel. Het was al jaren geleden dat Rhodric een rivier had gezien die je niet kon doorwaden. De meeste stromen uit de bergen waren slechts slingers van gebarsten klei. Hij hoopte dat de regens zouden terugkeren en alles weer groen zouden maken. Hij herinnerde zich een groene wereld. Hij hoorde de paarden voor hij ze zag. Over de bruine heuvels kwamen drie mannen aanrijden in lange leren hemden vol vastgestikte metalen schijven. Twee ervan met een lans. Hij kende de voorste: Garam, niet veel ouder dan hijzelf, de zoon van het hoofd van de stad waar ze langs waren getrokken en die net uit het zicht lag. Ze waren blind, dat stadsvolk. Ze zagen de Aiel niet, die bewogen nadat ze langs waren gereden en zich dan weer bijna onzichtbaar schuilhielden in het barre land. Rhodric liet zijn sluier zakken. Er zou niet worden gedood, tenzij de ruiters begonnen. Het bedroefde hem niet – niet echt – maar hij kon zich er niet toe brengen mensen te vertrouwen die in huizen en dorpen woonden. Er was met dat soort mensen te veel strijd gevoerd. Volgens de verhalen was dat altijd zo geweest. Garam trok de teugels aan en groette met opgeheven rechterhand. Hij was een tengere man met donkere ogen, net als zijn twee metgezellen, maar ze zagen er alledrie taai en kundig uit. ‘Ho, Rhodric. Zijn jouw mensen al klaar met het vullen van hun waterhuiden?’ ik zie je, Garam.’ Hij hield zijn stem vlak en uitdrukkingsloos. Mannen te paard maakten hem onrustig, zelfs meer dan hun zwaarden. De Aiel hadden pakpaarden, maar het was onnatuurlijk om op een paardenrug te zitten. De benen van een mens waren goed genoeg. ‘We zijn er bijna. Heeft je vader zijn toestemming ingetrokken om water op zijn land te putten?’ Geen enkele andere stad had ooit toestemming gegeven. Om water diende gevochten te worden als er mensen in de buurt waren, net als voor al het andere, en waar water was, leefden mensen. Het zou niet gemakkelijk zijn deze drie in z’n eentje te verslaan. Hij verplaatste zijn voeten, klaar om te dansen en waarschijnlijk te sterven.