‘Dat heeft hij niet gedaan,’ zei Garam. Hij had zelfs niet eens gezien dat Rhodric had bewogen. ‘We bezitten een goede bron in de stad en mijn vader zegt dat wij na jullie vertrek jullie nieuwe bronnen kunnen overnemen tot we zelf weer moeten zoeken. Maar je grootvader wilde horen wanneer de anderen opstapten en dat is nu gebeurd.’ Hij steunde met zijn elleboog op zijn zadel. ‘Zeg eens, Rhodric, zijn ze echt van hetzelfde volk als jullie?’
‘Zij zijn de Jenn Aiel; wij de Aiel. Wij zijn dezelfden, en ook weer niet. Beter kan ik het niet uitleggen, Garam.’ Hij begreep het zelf eigenlijk ook niet.
‘Waarheen trekken ze?’ vroeg Jeordam.
Rhodric maakte een kalme buiging voor zijn oudvader. Hij had een voet horen neerkomen, het geluid van een zachte laars, en had geweten dat het een Aiel was. Maar de stadsmensen hadden Jeordam niet gehoord en rukten verrast aan hun teugels. Slechts Garams opgestoken hand weerhield de andere twee hun lansen te richten. Rhodric en zijn oudvader wachtten af.
‘Oostwaarts,’ zei Garam toen hij zijn paard weer gekalmeerd had. ‘De Rug van de Wereld over.’ Hij gebaarde naar de bergen die de hemel in staken.
Rhodric kromp ineen, maar Jeordam zei koeltjes: ‘Wat ligt er aan de andere zijde?’
‘Voor zover wij weten het einde van de wereld,’ antwoordde Garam. ik ben er niet zeker van dat er een weg overheen leidt.’ Hij aarzelde. ‘De Jenn hebben Aes Sedai bij zich. Tientallen, heb ik gehoord. Voelen jullie je niet ongemakkelijk zo dicht bij de Aes Sedai? Ik heb gehoord dat de wereld ooit anders was en dat zij hem vernietigd hebben.’
De Aes Sedai maakten Rhodric heel zenuwachtig, hoewel zijn gezicht dat niet verried. Het waren er maar vier, geen tientallen, maar die vier herinnerden hem aan de verhalen dat de Aiel de Aes Sedai hadden teleurgesteld op een manier die niemand zich herinnerde. De Aes Sedai moesten het weten, ze hadden de wagens van de Jenn na het jaar van hun komst zelden verlaten, maar als ze dat deden, keken ze droevig naar de Aiel. Rhodric was niet de enige die hen trachtte te ontlopen. ‘Wij waken over de Jenn.’ zei Jeordam. ‘Zij zijn degenen die met de Aes Sedai reizen.’
Garam knikte alsof dat enig verschil maakte, maar boog zich toen weer naar Rhodric toe en ging zachter praten. ‘Mijn vader heeft een Aes Sedai-raadgeefster, hoewel hij probeert dat voor de stad verborgen te houden. Zij zegt dat wij deze heuvels moeten verlaten en naar het oosten dienen te verhuizen. Ze zegt dat de droge rivieren weer zullen stromen en dat wij aan een ervan een grote stad zullen optrekken. Zij zegt vele dingen. Ik hoor dat de Aes Sedai van plan zijn een stad te bouwen en de Ogier bereid hebben gevonden om dat voor hen te doen. Ogier!’ Hij schudde zijn hoofd en ging van de legenden weer over op de werkelijkheid om hem heen. ‘Denk jij dat ze van plan zijn wederom over de wereld te heersen? Aes Sedai? Ik vind dat we ze moeten doden voor ze ons opnieuw vernietigen.’
‘Je moet doen wat je het beste lijkt.’ Jeordams woorden lieten niets van zijn eigen gedachten doorschemeren, ik moet mijn volk voorbereiden op de tocht over die bergen.’
De donkerharige man richtte zich weer op en was duidelijk teleurgesteld. Rhodric vermoedde dat hij had gerekend op Aielhulp om de Aes Sedai te doden. ‘De Rug van de Wereld,’ zei Garam bruusk. ‘Die heeft ook een andere naam. Sommigen noemen hem de Drakenmuur.’
‘Een passende naam,’ antwoordde Jeordam.
Rhodric staarde naar de hoog oprijzende bergen in de verte. Een passende naam voor de Aiel. Hun eigen geheime naam, die niemand kende, was Volk van de Draak. Hij wist niet waarom, alleen dat de naam niet hardop werd uitgesproken, behalve wanneer je je speren ontving. Wat lag er achter die Drakenmuur? Er zouden wel mensen wonen om te bevechten. Die waren er altijd. Op de hele wereld bestonden er alleen Aiel, Jenn en vijanden. Meer niet. Aiel, Jenn en vijanden.
Rhand haalde diep adem, een raspend geluid alsof hij uren niet had geademd. Lichtkringen die pijn deden aan zijn ogen, stegen in de pilaren rond hem omhoog. De woorden galmden nog door zijn hoofd. Aiel, Jenn en vijanden; dat was de wereld. Ze waren zeker niet in de Woestenij geweest. Hij had een tijd gezien – beleefd – voor de Aiel naar het Drievoudige Land waren gekomen.
Hij was weer dichter bij Muradin. De ogen van de Aiel schoten verontrust alle kanten op en hij leek zich te verzetten tegen de volgende stap. Rhand stapte verder.
Op z’n gemak neerhurkend op de witte heuvel negeerde Jeordam de kou, terwijl hij vijf mensen op zich af zag stampen. Drie mannen in mantels en twee vrouwen in dikke kledij, die moeizaam door de sneeuw ploeterden. De winter had volgens de ouden allang voorbij moeten zijn, maar ja, zij vertelden ook dat de jaargetijden anders waren dan ze vroeger waren geweest. Ze beweerden ook dat de aarde placht te beven en dat bergen verrezen of wegzakten als water in een zomervijver waarin een steen was gegooid. Jeordam geloofde het niet. Hij was achttien, geboren en getogen in tenten en dit was het enige leven dat hij kende. De sneeuw, de tenten en de plicht te beschermen. Hij liet zijn sluier zakken en stond langzaam op, leunend op zijn lange speer om het wagenvolk niet bang te maken, maar ze bleven toch plotseling staan en staarden naar de speer, naar de boog op zijn rug en de pijlkoker aan zijn zij. Geen van hen leek ouder dan hijzelf. ‘Heb je ons nodig, Jenn?’ riep hij.
‘Je wilt ons met die naam bespotten,’ riep een lange kerel met een scherpe neus terug, ‘maar het is waar. Wij zijn de enige ware Aiel. Jullie hebben de Weg opgegeven.’
‘Dat is een leugen!’ snauwde Jeordam. ik heb nimmer een zwaard ter hand genomen!’ Hij haalde diep adem om kalmer te worden. Hij was hier niet geplaatst om boos op Jenn te worden. ‘Als jullie verdwaald zijn... jullie wagens gingen die kant uit.’ Hij wees met zijn speer naar het zuiden.
Een vrouw legde haar hand op de arm van de man met de scherpe neus en sprak hem zachtjes toe. De anderen knikten en uiteindelijk deed de man dat ook, zij het met tegenzin. Ze was mooi, met blonde lokken die aan de donkere doek om haar hoofd ontsnapten. Ze keek Jeordam aan en zei: ‘We zijn niet verdwaald.’ Ze keek hem opeens fel aan en leek hem voor het eerst echt te zien, waarna ze de doek wat strakker ombond.
Hij knikte; hij had dat ook niet verwacht. De Jenn slaagden er meestal in het volk van de tenten te ontwijken, zelfs wanneer ze hulp nodig hadden. De enkeling die uit wanhoop kwam, wenste hulp die ze elders niet konden krijgen. ‘Volg me.’
Het was een span over de heuvels naar de tenten van zijn vader, lage vormen die gedeeltelijk door de laatste sneeuw bedekt waren en zich aan de heuvel leken vast te klampen. Zijn eigen mensen namen de nieuwkomers behoedzaam op, maar gingen gewoon door met wat ze deden: eten bereiden, wapens nakijken of sneeuwballen gooien met een kind. Hij was trots op zijn sibbe, bijna tweehonderd mensen, de grootste van de tien kampementen die ten noorden van de wagens verspreid over het land lagen. De Jenn leken echter niet zo onder de indruk. Het ergerde hem dat er zoveel meer Jenn dan Aiel waren. Lewin kwam zijn tent uit, een grote grijzende man met een hard gezicht. Men zei dat Lewin nooit glimlachte en het was Jeordam zeker nooit opgevallen. Misschien had hij dat wel gedaan voor Jeordams moeder aan de koorts was gestorven, maar ook dat geloofde Jeordam niet.
De blonde vrouw – ze heette Morin – vertelde een verhaal dat Jeordam wel had verwacht. De Jenn hadden handelgedreven met een dorp, een plaats met een omheining, en toen waren ’s nachts de mannen uit dat dorp gekomen en die hadden teruggenomen wat ze verhandeld hadden, en zelfs nog meer. De Jenn namen altijd aan dat ze mensen in huizen konden vertrouwen en meenden altijd dat de Weg hen zou beschermen. De doden werden opgesomd – vaders, een moeder, eerste-broeders. De gevangenen – eerstezusters, een zustermoeder, een dochter. Dat laatste verbaasde Jeordam, want het was Morin die verbitterd vertelde over haar ontvoerde dochter van vijf, die nu door een andere vrouw zou worden grootgebracht. Toen hij haar wat beter bekeek, voegde hij in gedachten enkele jaren aan haar leeftijd toe. ‘We zullen hen terugbrengen,’ beloofde Lewin. Hij pakte een bundel speren aan die hem werd overhandigd en stak ze met de punten in de grond. ‘Jullie mogen bij ons blijven, als jullie dat wensen, zolang jullie bereid zijn jezelf en ons te verdedigen. Als jullie blijven, zullen jullie nooit meer door de wagens worden opgenomen.’ De man met de scherpe neus draaide zich daarop om en haastte zich terug over de weg die hij was gekomen. Lewin sprak door; het gebeurde maar zelden dat er op dit punt slechts één vertrok. ‘Wie met ons mee wil gaan, neemt de speer op. Bedenk echter, als jullie de speer heffen tegen mensen, zullen jullie bij ons moeten blijven.’ Zijn ogen en stem waren als van steen. ‘Voor de Jenn zijn jullie dan dood.’