Выбрать главу

Een van de overgebleven mannen aarzelde, maar ten slotte trok ieder een speer uit de grond. Ook Morin. Jeordam keek haar met open mond aan en zelfs Lewin knipperde met zijn ogen.

‘Je hoeft de speer niet op te nemen om te mogen blijven,’ zei Lewin tegen haar, ‘of om ervoor te zorgen dat wij jullie mensen terugbrengen. Het opnemen van de speer betekent de bereidheid om te vechten, niet alleen jezelf te verdedigen. Je mag hem terugsteken; er zal geen oneer zijn.’

‘Ze hebben mijn dochter,’ zei Morin.

Geschokt merkte Jeordam dat Lewin amper wachtte voor hij knikte. ‘Voor alles bestaat een eerste keer. Voor alles. Zo zij het.’ Hij liep het kamp door en wees met een tikje op de schouder mannen aan om naar dat omheinde dorp te gaan. Jeordam was de eerste die werd aangetikt; sinds de dag dat hij oud genoeg was voor de speer, had zijn vader hem altijd als eerste gekozen. Hij zou het niet anders hebben gewild. Morin had problemen met de speer, de schacht bleef haken in haar lange rok.

‘Je hoeft niet te gaan,’ vertelde Jeordam haar. ‘Geen vrouw heeft dit ooit gedaan. Wij zullen je dochter gaan halen.’ ik ben van plan Kirin daar zelf uit te halen,’ zei ze fel. ‘Jij zult me niet tegenhouden.’ Een koppige vrouw.

‘In dat geval dien je op deze wijze gekleed te gaan.’ Hij wees op zijn eigen grijsbruine jas en broek. ‘Je kunt ’s nachts niet in een rok door de wildernis lopen.’ Hij pakte de speer van haar af voor ze hem kon tegenhouden. ‘De speer wordt niet gemakkelijk geleerd.’ Haar twee mannelijke metgezellen kregen nu aanwijzingen en waren heel onhandig. Ze bewezen het door voortdurend over hun eigen voeten te struikelen. Hij vond een bijltje en hakte een pas van de schacht af, waardoor vier voet overbleef met een bijna voetlang stalen blad. ‘Steek ermee. Alleen dat. Alleen steken. De schacht wordt ook voor afweer gebruikt, maar ik zal iets voor je zoeken war je als schild in de andere hand kunt gebruiken.’

Ze keek hem op een merkwaardige manier aan. ‘Hoe oud ben je?’ vroeg ze en dat was nog vreemder. Hij zei het haar en ze knikte nadenkend.

Even later zei hij: is een van die mannen je gade?’ Ze struikelden nog steeds over hun speren.

‘Mijn gade rouwt reeds om Kirin. Hij geeft meer om de bomen dan om zijn eigen dochter.’

‘De bomen?’

‘De Levensbomen.’ Toen hij haar nog steeds nietszeggend bleef aankijken, schudde ze haar hoofd. ‘Drie kleine boompjes die in vaten zijn geplant. Ze zorgen er bijna even goed voor als voor zichzelf. Als ze een veilige plek vinden, willen ze die gaan planten. Ze zeggen dat dan de dagen van weleer terugkeren. Ze. Ik zei: ze. Goed dan. Ik ben geen Jenn meer.’ Ze tilde de ingekorte speer op. ‘Dit is voortaan mijn gade.’ Ze nam hem nauwlettend op en vroeg: ‘Als iemand jouw kind stal, zou jij dan praten over de Weg van het Blad en zeggen dat het lijden ons werd gezonden om ons te beproeven?’ Hij schudde zijn hoofd en ze zei: ‘Dat dacht ik al. Je zult een goede vader zijn. Leer me hoe ik deze speer moet gebruiken.’

Een vreemde vrouw, maar mooi. Hij nam de speer over en begon het haar voor te doen. Met die korte schacht was een speer snel en handig.

Morin stond hem met haar vreemde glimlach op te nemen, maar hij ging helemaal op in de speer. ‘Ik heb jouw gezicht in de droom gezien,’ zei ze zachtjes, maar hij hoorde haar niet echt. Met zo’n speer kon hij sneller zijn dan een man met een zwaard. In gedachten zag hij de Aiel alle mannen met zwaarden verslaan. Niemand zou hen kunnen weerstaan. Niemand.

Licht flitste door de glazen zuilen en verblindde Rhand half. Muradin was hem nog maar twee stappen voor en stond recht voor zich uit te staren, met ontblote tanden, stil grauwend. De zuilen brachten hen terug in de tijd, terug in de verloren geschiedenis van de Aiel. Rhands voeten bewogen uit zichzelf. Verder. Terug in de tijd.

Lewin verschikte de stofsluier voor zijn gezicht en tuurde omlaag naar het kleine kamp waar de kooltjes van een dovend vuur nog steeds nagloeiden onder een ijzeren kookpot. De wind voerde de geur van half verbrande stamppot aan. In het maanlicht zag hij rond de gloeiende houtskool kleine hoopjes onder dekens. Er waren geen paarden te zien. Hij wou dat hij wat water had meegenomen, maar alleen kinderen kregen water buiten de maaltijden om. Hij herinnerde zich vaag een tijd dat er meer water was geweest, dat de dagen niet zo heet en stoffig waren en het niet voortdurend had gewaaid. De nacht bracht slechts weinig verlichting, de doffe vuurrode zon werd verruild voor de nachtelijke kou. Hij wikkelde zich nog strakker in de korte lap van wilde geitenhuiden die hij als deken gebruikte.

Zijn metgezellen kropen naderbij, net zo beschermd tegen de kou als hij, steentjes wegschoppend en mopperend, zodat hij zeker wist dat ze de mannen daarbeneden zouden wekken. Hij klaagde niet; hij was dit evenmin gewend als zij. Stofsluiers verborgen hun gezicht, maar hij herkende ze toch. Luca, met zijn schouders die wel anderhalf keer zo breed waren als die van de anderen en die graag slimmigheidjes uithaalde. Gearan, zo langbenig als een reiger en de beste renner van de wagens. Charlin en Alijha, bijna eikaars spiegelbeeld, behalve dat Charlin de gewoonte had bij grote zorgen zijn hoofd schuin te houden, wat nu het geval was. Hun zuster Colline was daarbeneden in het kamp. En Maigran, de zuster van Lewin.

Toen de opengescheurde oogstzakken van de meisjes op de grond werden gevonden, ging iedereen, zelfs Lewins oudvader, meteen in rouw, om daarna zoals gewoonlijk verder te gaan; het was al zo vaak gebeurd. Als Adan had geweten wat het vijftal van plan was, zou hij ze hebben tegengehouden. Maar Adan mompelde tegenwoordig slechts over vertrouwen op de Aes Sedai, die Lewin nog nooit had gezien, en over de zorg voor het voortbestaan van de Aiel. De Aiel als volk, niet een enkel lid van de Aiel. Zelfs Maigran niet.

‘Ze zijn met z’n vieren,’ fluisterde Lewin. ‘De meisjes liggen aan deze kant van het vuur. Ik ga ze heel stil wakker maken en dan sluipen we met ze weg, terwijl die mannen doorslapen.’ Zijn vrienden keken elkaar aan en knikten toen. Hij nam aan dat ze eigenlijk eerder plannen hadden moeten maken, maar ze hadden alleen gedacht aan het terugbrengen van de meisjes en aan onopvallend uit de wagens zien te komen. Hij was er niet zeker van geweest of ze deze mannen hadden kunnen volgen en inhalen voor ze hun dorp bereikten, een groep ruwe hutten waar de Aiel met stokken en stenen waren verjaagd. Ze zouden niets hebben kunnen doen als de ontvoerders zover waren gekomen. ‘Wat doen we als ze wakker worden?’ vroeg Gearan. ik laat Colline niet in de steek!’ snauwde Charlin meteen, nog voor zijn broer er kalmer aan toevoegde: ‘We gaan ze terughalen, Gearan.’

‘Doen we,’ beaamde Lewin. Luca gaf Gearan een por in zijn ribben en Gearan knikte.