Выбрать главу

In de duisternis een weg omlaag zoeken was niet gemakkelijk. Kurkdroge twijgen knapten onder hun voeten en steentjes en kiezels gleden voor hen uit langs de droge helling. Hoe stiller Lewin zich probeerde te verplaatsen, hoe meer lawaai hij leek te maken. Luca viel in een doornstruik die luid kraakte, maar hij kon er zich zwaar ademend uit bevrijden. Charlin gleed uit en rolde de halve helling af. Maar beneden hen bewoog niets.

Vlak voor het kamp bleef Lewin staan, wisselde bezorgde blikken uit met zijn vrienden en sloop toen op zijn tenen verder. Zijn ademhaling leek donderend in zijn oren te stormen, even luid als het gesnurk dat opsteeg uit een van de vier grotere hopen. Hij verstijfde toen het ruwe gesnurk stopte en die ene hoop onder de dekens bewoog. Het werd weer stil, het gesnurk zette weer in en Lewin haalde opgelucht adem. Voorzichtig kroop hij naast een van de kleinere hopen en vouwde een ruwwollen deken open die stijf stond van het vuil. Maigran staarde naar hem op, met een blauw en gezwollen gezicht, haar kleren zo gescheurd dat het wel lompen leken. Hij klemde zijn hand over haar mond om ervoor te zorgen dat ze niets riep, maar ze bleef hem nietszeggend aanstaren, knipperde zelfs niet met haar ogen. ‘Ik ga je slachten als een varken, jongen.’ Een van de grotere hopen rolde opzij en een man in smerige kleren en met een woeste baard kwam overeind. Het lange mes in zijn hand glinsterde dof in het maanlicht en weerspiegelde de rode gloed van de houtskooltjes. Hij gaf een schop tegen de hopen naast hem, wat gegrom en bewegingen opleverde. ‘Als een varken. Kun je net zo krijsen, jongetje, of holt jullie soort bang weg?’

‘Vlucht,’ zei Lewin, maar zijn zus bleef hem dof aanstaren. Verwoed greep hij haar bij de schouders, probeerde haar overeind te trekken en in de richting van de anderen te duwen. ‘Rennen!’ Ze kwam stijf uit de dekens, bijna een dood gewicht. Colline was wakker – hij kon haar horen snikken – maar het leek of ze de smerige dekens slechts strakker om zich heen trok en zich erin probeerde te verbergen. Maigran bleef gewoon staan, starend in de leegte.

‘Het lijkt wel of je zelfs dat niet kunt.’ Grinnikend stapte de man om het vuur heen en hield zijn mes laag. De anderen zaten nu rechtop in hun dekens, lachend, in afwachting van het vermaak. Lewin wist niet wat hij moest doen. Hij kon zijn zus niet in de steek laten. Hij kon alleen nog sterven. Misschien gaf hij Maigran daarmee een kans te vluchten. ‘Rennen, Maigran! Alsjeblieft, rennen!’ Ze bewoog niet. Ze leek hem niet eens te horen. Wat hadden ze haar aangedaan?

De baardman kwam dichterbij, nam er alle tijd voor, grinnikend, genietend van dit trage voorspel.

‘Neeeee!’ Uit de duisternis kwam Charlin aanvliegen, die zijn armen om de man met het mes sloeg en samen met hem tegen de grond sloeg. De andere mannen sprongen overeind. Een man met een gladgeschoren hoofd dat in het bleke maanlicht glom, hief een zwaard om Charlin neer te slaan.

Lewin wist niet zeker hoe het gebeurde. Op de een of andere manier had hij de zware ketel aan de ijzeren hengsel beetgepakt en zwaaide die rond. Die belandde met een luid gekraak tegen de kale kop. De man stortte neer alsof zijn botten gesmolten waren. Lewin had zijn evenwicht verloren, liep struikelend opzij om het vuur te vermijden en viel ernaast op de grond, waarbij hij de kookketel losliet. Een donkere man met vlechtjes hief eveneens zijn zwaard voor een dodelijke steek. Lewin krabbelde als een spin op zijn rug achteruit, zijn ogen strak op de zwaardpunt gericht, terwijl zijn handen verbeten zochten naar iets waarmee hij de man kon afweren, een stok, wat dan ook. Zijn handpalm voelde iets ronds. Met een zwaai stak hij naar de grauwende vent. De donkere ogen van de man sperden zich wijd open, het zwaard viel uit zijn vuist en bloed spoot uit zijn mond. Het was geen stok, maar een speer.

Lewins handen lieten de schacht los zodra hij besefte wat het was. Te laat. Hij kroop weg om de vallende man te ontwijken, die hem bevend en strak aanstaarde. Een dode man. Een man die hij gedood had. De wind voelde heel koud.

Een tijdje later daagde het hem dat de andere dorpelingen hem niet gedood hadden. Verrast zag hij zijn andere vrienden rond het vuur. Gearan en Luca en Alijha, allemaal hijgend en met verwilderde ogen boven hun stofsluiers. Colline liet onder haar dekens nog steeds een zacht snuivend gesnik horen en Maigran staarde nog steeds voor zich uit. Charlin was op z’n knieën gezakt en hield zijn handen voor zijn maag. En de vier mannen, de dorpelingen... Lewin liet zijn blikken over de bewegingloze, bebloede gestalten gaan.

‘Wij... hebben ze vermoord.’ Luca’s stem trilde. ‘Wij... Genade van het Licht, sta ons nu bij.’

Lewin kroop naar Charlin en raakte zijn schouder aan. ‘Ben je gewond?’

Charlin viel om. Rood vocht maakte zijn handen glad, die de greep van het mes in zijn buik omklemden. ‘Het doet pijn, Lewin,’ fluisterde hij. Hij rilde nogmaals en het licht verdween uit zijn ogen. ‘Wat moeten we doen?’ vroeg Gearan. ‘Charlin dood en wij... Licht, wat hebben we gedaan? Wat moeten we doen?’

‘We brengen de meisjes terug naar de wagens.’ Lewin kon zijn ogen niet losmaken van Charlins verglaasde ogen. ‘Dat gaan we doen.’ Ze verzamelden alles wat nuttig was, met name de kookketel en de messen. Het was moeilijk aan metalen voorwerpen te komen. ‘Dat kunnen we net zo goed meenemen,’ zei Alijha ruw. ‘Ze hebben het zeker ook weer gestolen van mensen als wij.’

Toen Alijha echter een zwaard wilde oprapen, hield Lewin hem tegen. ‘Nee, Alijha. Dat is een wapen, gemaakt om mensen te doden. Het kan nergens anders voor gebruikt worden.’ Alijha zei niets, maar liet slechts zijn ogen over de vier lijken glijden, kijkend naar de speren waaraan Luca de dekens vastbond om Charlins lichaam mee te kunnen dragen. Lewin weigerde naar de dorpelingen te kijken. ‘Een speer kan voedsel in ketels brengen, Alijha. Een zwaard niet. De Weg verbiedt het ons.’ Alijha hield zijn mond, maar Lewin meende een honend gesnuif achter zijn stofsluier te horen. Desondanks bleven de zwaarden bij de dovende kooltjes en de dode mannen achter, toen ze zich eindelijk op weg begaven.

Het was een lange wandeling terug door de duisternis, waarbij ze de zelfgemaakte draagbaar met Charlin moesten meedragen en de opstekende wind soms verstikkende stofwolken opjoeg. Maigran liep struikelend mee, recht voor zich uit starend. Ze wist niet waar ze was of wie zij waren. Colline leek doodsbang, zelfs voor haar eigen broer, telkens verstarrend als iemand haar aanraakte. Lewin had niet gedacht dat ze zo zouden terugkeren. In zijn gedachten hadden de meisjes lopen lachen, waren ze blij naar de wagens teruggegaan, zouden ze allemaal gelachen hebben. Niet als dragers van Charlins lijk. Niet in een dof zwijgen bij de herinnering aan het gebeurde. Het licht van hun kookvuren werd zichtbaar, en toen de wagens, waarvan de trektuigen al waren uitgelegd zodat de mannen tegen zonsopgang hun taak konden opnemen. Niemand verliet de wagens in het donker, dus zag Lewin verbaasd drie gestalten op hen af hollen. Adans witte haren stonden recht overeind. De andere twee waren Nerrine, de moeder van Colline, en Saralin, zijn eigen moeder. Lewin leek al te voelen wat er ging gebeuren en liet zijn stofsluier zakken. De vrouwen snelden met troostende armen en zacht gemompel op hun dochters af. Colline zakte met een hartgrondige zucht in haar moeders omarming; Maigran zag dat Saralin bijna in tranen uitbarstte toen ze de wonden in het gezicht van haar dochter zag.

Adan keek de jongemannen fronsend aan en zijn eeuwige zorgrimpels verdiepten zich. in de naam van het Licht, wat is er gebeurd? Toen we zagen dat jullie weg waren...’ Zijn stem verstierf toen hij de baar met Charlin zag. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij opnieuw, alsof hij bang was voor het antwoord.

Lewin deed langzaam zijn mond open maar Maigran was hem voor. ‘Ze hebben hen gedood,’ zei ze met een kinderstemmetje, naar iets in de verte starend. ‘Die boze mannen deden ons pijn. Ze... Toen is Lewin gekomen en heeft ze gedood.’

‘Zulke dingen mag je niet zeggen, kind,’ zei Saralin troostend. ‘Je...’ Ze zweeg, keek diep in haar dochters ogen, draaide zich om en keek Lewin onzeker aan. is dat...? Is het waar?’