‘We moesten wel,’ zei Alijha met pijn in z’n stem. ‘Ze probeerden ons te doden. Ze hebben Charlin gedood.’
Adan deed een stap achteruit. ‘Jullie hebben... gedood? Mensen gedóód? En het Covenant dan? Wij doen niemand kwaad. Niemand! Er is geen enkele reden om de dood van een ander mens te rechtvaardigen. Geen enkele!’
‘Ze hebben Maigran ontvoerd, oudvader,’ zei Lewin. ‘Ze hebben Maigran en Colline ontvoerd en pijn gedaan. Ze...’
‘Dat is geen reden!’ bulderde Adan bevend van woede. ‘Wij moeten aanvaarden wat komt. Ons lijden wordt ons gezonden om onze trouw te beproeven. Wij aanvaarden en doorstaan het. Jullie zijn geen Da’shain meer. Jullie zijn bezoedeld en ik wil niet dat de Aiel door jullie bezoedeld worden. Verlaat ons, vreemdelingen! Moordenaars! Jullie zijn niet welkom in de wagens van de Aiel.’ Hij keerde hen zijn rug toe en schreed weg alsof ze niet meer bestonden. Saralin en Nerrine volgden hem, de meisjes ondersteunend.
‘Moeder?’ vroeg Lewin en kromp in elkaar toen ze met kille ogen omkeek. ‘Moeder, alsjeblieft...’
‘Wie ben je, dat je me zo durft aan te spreken? Verberg je gezicht voor me, vreemde. Ik had vroeger een zoon met zo’n gezicht. Ik wens dat gezicht niet bij een moordenaar te zien.’ En ze leidde Maigran verder, de anderen achterna.
‘Ik ben nog steeds een Aiel,’ schreeuwde Lewin, maar ze keken niet om. Hij meende Luca te horen huilen. De opstekende wind waaide stof op en hij sluierde zijn gezicht, ik ben een Aiel!’
Wild verspringende lichten boorden zich in Rhands ogen. De pijn van Lewins smart stond hem nog bij en zijn gedachten maakten een woeste werveldans. Lewin had geen wapen gedragen. Hij had niet eens geweten hoe hij een wapen moest gebruiken. Doden maakte hem doodsbang. Rhand begreep er niets van.
Hij had Muradin nu bijna ingehaald, maar de man was het zich niet bewust. Muradins snauw was verkrampt; zweet parelde op zijn gezicht; hij huiverde alsof hij wilde wegrennen. Rhands voeten brachten hem verder, en terug.
26
De toegewijden
Verder en terug.
Adan lag in de zandkuil, klemde de huilende kinderen van zijn dode zoon tegen zich aan en belette hen te kijken met zijn gerafelde jas. Terwijl hij behoedzaam over de rand gluurde, rolden ook bij hem de tranen over zijn wangen, maar stil. Op hun vijfde en zesde hadden Maigran en Lewin het recht om te huilen; Adan merkte verbaasd dat hijzelf nog tranen had.
Enkele wagens stonden in brand. De doden lagen waar zij waren neergevallen. De paarden waren al weggedreven, behalve die die nog stonden vastgebonden aan enkele wagens waarvan de inhoud op de grond was gegooid. Voor het eerst in zijn leven gaf hij er niet om dat de ingepakte voorwerpen die de Aes Sedai aan de Aiel in bewaring hadden gegeven, open en bloot op het zand lagen. Het was niet voor het eerst dat hij dat had gezien, of dode Aiel, maar deze keer gaf hij er niet om. De mannen met de zwaarden, speren en bogen, de mannen die hadden gemoord, waren de lege wagens aan het laden. Met vrouwen. Hij zag hoe Rhea, zijn dochter, in een wagenbak bij de anderen werd geschoven, die door lachende moordenaars als dieren opeengepakt waren. Hun laatste kind. EIwin, de hongerdood met tien, Sorelle, gestorven op haar twintigste aan een koorts die haar dromen reeds hadden voorspeld, en Jareen, die zich een jaar geleden op zijn negentiende van een rots had geworpen toen hij merkte dat hij kon geleiden. En deze ochtend: Marind.
Hij wilde gillen. Hij wilde erheen rennen en hen tegenhouden om zijn laatste kind te mogen houden. De mannen op de een of andere manier tegenhouden. Maar wat als hij erop afging? Ze zouden hem doden en Rhea toch meevoeren. Ze zouden ook heel goed de kinderen kunnen doden. Tussen de andere doden lagen ook enkele kleine lichaampjes in hun eigen bloed.
Maigran klemde zich aan hem vast of ze voelde dat hij haar misschien in de steek zou laten en Lewin verstijfde alsof hij hem steviger vast wilde houden, maar zich daarvoor te oud vond. Adan streek hun haren glad en hield hun gezichtjes tegen zijn borst aangedrukt. Toch dwong hij zich te blijven kijken, tot de wagens omringd door joelende ruiters wegrolden, naar de rokende bergen aan de horizon, de paarden achterna die al bijna uit het zicht waren verdwenen. Toen pas stond hij op en maakte de kinderen voorzichtig los. ‘Blijf hier op me wachten,’ zei hij. ‘Wacht tot ik terug ben.’ Elkaar vastklampend staarden ze hem met betraande witte gezichtjes aan en knikten onzeker.
Hij liep naar een van de lichamen en rolde het teder om. Siedre had kunnen slapen, haar gezicht zag er net zo uit als iedere ochtend wanneer hij haar bij het ontwaken naast zich zag. Het verraste hem steeds weer het grijs in haar roodgouden haren te ontdekken. Zij was zijn liefde, zijn leven, eeuwig jong en nieuw voor hem. Hij probeerde niet naar het bloed te kijken dat de voorkant van haar kleren doorweekte of naar de gapende wond onder in haar borst. ‘En? Wat ga je nu doen, Adan? Vertel ons dat eens! Wat?’ Hij streelde Siedres haren uit haar gelaat – ze was gesteld op netheid – stond op en wendde zich langzaam naar het groepje bevreesde mannen. Sulwin was de leider, een grote man met diepliggende ogen. Sulwin had zijn haar laten groeien, alsof hij wilde verbergen dat hij een Aiel was. Een aantal mannen had dat gedaan. Het had geen verschil gemaakt voor deze rovers, of voor de dieven die hen waren voorgegaan.
‘Ik ben van plan onze doden te begraven en verder te gaan, Sulwin.’ Zijn ogen dwaalden weer af naar Siedre. ‘Wat kunnen we anders?’
‘Verder gaan, Adan? Hoe kunnen we dat? Er zijn geen paarden. Er is bijna geen water en er is geen voedsel. Het enige dat we nog hebben, zijn wagens vol zaken die de Aes Sedai nooit zullen komen ophalen. Wat zijn het, Adan? Wat zijn het voor dingen waar we ons leven voor moeten geven terwijl we ze over de wereld rondslepen en zelfs te bang zijn om ze aan te raken? We kunnen zo niet verder!’
‘Dat kunnen we wel!’ riep Adan. ‘Dat zullen we! We hebben benen; we hebben ruggen. We zullen de wagens trekken als het nodig is. We zullen onze plicht trouw zijn!’ Hij zag geschrokken zijn eigen dreigende vuist. Een vuist! Zijn hand beefde toen hij hem ontspande en liet zakken.
Sulwin deed een stap naar achteren, maar vond steun bij zijn vrienden. ‘Nee, Adan. Wij zijn uitgezonden om een veilige plek te vinden, en sommigen van ons zijn dat nu inderdaad van plan. Mijn oudvader placht me verhalen te vertellen die hij als jongen gehoord had, verhalen waarin we een veilig leven leidden en de mensen naar ons gezang kwamen luisteren. We zijn van plan een plek te vinden waar we veilig kunnen zijn en weer opnieuw kunnen zingen.’
‘Zingen?’ spotte Adan. ik heb die oude verhalen over de wondermooie zang van de Aiel ook gehoord, maar jij kent die oude liederen evenmin als ik. De liederen zijn verdwenen en de dagen van weleer zijn voorbij. Wij zullen onze plicht aan de Aes Sedai niet verzaken om te gaan jagen op iets wat voor altijd verloren is.’
‘Sommigen van ons wel, Adan.’ De anderen achter Sulwin knikten. ‘Wij willen die veilige plek vinden. En de liederen eveneens. Dat gaan we doen!’
Krakend plofte er iets op de grond neer en Adan keek verrast om. Andere vrienden van Sulwin waren een wagen aan het uitladen en een grote platte kist was gevallen en half opengebarsten, waardoor iets zichtbaar werd wat op een poort van gladde donkerrode steen leek. Ook andere wagens werden afgeladen, zelfs door mensen die niet Sulwins kameraden waren. Minstens een kwart van het volk dat hij zag, was hard aan het werk om alles behalve voedsel en water van de wagens te laden.
‘Probeer ons niet tegen te houden,’ waarschuwde Sulwin. Adan ontspande zijn vuisten weer. ‘Jullie zijn geen Aiel,’ zei hij. ‘Jullie verraden alles. Wat jullie ook zijn, jullie zijn niet langer Aiel!’
‘We volgen de Weg van het Blad net zo goed als jij, Adan!’
‘Ga dan!’ schreeuwde Adan. ‘Ga! Jullie zijn geen Aiel! Jullie zijn verloren! Verloren! Ik wil niet eens naar jullie kijken! Ga!’ Struikelend haastten Sulwin en de anderen zich om zo snel mogelijk te vertrekken. Met eert bezwaard hart nam hij alles in ogenschouw: de wagens en de doden tussen de rommel. Zoveel doden, zoveel kreunende gewonden die nu werden verzorgd. Sulwin en zijn verlorenen toonden wel enige zorg bij het uitladen. De mannen met de zwaarden hadden kisten opengebroken tot ze hadden beseft dat er geen goud of voedsel in zat. Voedsel was kostbaarder dan goud. Adan bekeek de stenen poort, de omgevallen stapeltjes stenen beeldjes, de vreemde kristallen vormen die in het rond stonden tussen de potten met choraloten, waar Sulwins mensen geen nut in zagen. Hadden die dingen wel nut? Hadden ze voor dit alles trouw gezworen? Als dat zo was, zij het zo. Er kon iets van gered worden. Hij wist absoluut niet wat de Aes Sedai belangrijk zouden vinden, maar een deel kon gered worden.