Выбрать главу

Hij zag hoe Maigran en Lewin zich aan hun moeders rokken vasthielden. Hij was blij dat Saralin in leven was gebleven om voor ze te zorgen; zijn laatste zoon, haar gade, de vader van deze kinderen, was die ochtend door de eerste pijl gestorven. Een deel kon gered worden en hij zou de Aiel redden, koste wat kost.

Hij knielde neer en hield Siedre in zijn armen. ‘We zijn nog steeds trouw, Aes Sedai,’ zei hij fluisterend. ‘Hoelang moeten we nog trouw blijven?’ Hij legde zijn hoofd op de borst van zijn vrouw en huilde. Tranen prikten in Rhands ogen en geluidloos vormde hij de klanken ‘Siedre’. De Weg van het Blad? Dat was geen Aielovertuiging. Hij kon niet helder denken; hij kon helemaal niet denken. De lichten tolden sneller en sneller rond. Naast hem sperde Muradin zijn mond open voor een geluidloos gehuil; de ogen van de Aiel puilden uit alsof hij er getuige van was dat alles stierf. Samen gingen ze een stap verder.

Jonai stond op het puntje van de rotswand en staarde westwaarts over het in de zon flonkerende water. Honderd roede verder in die richting lag Comelle. Had Comelle gelegen. Comelle was tegen berghellingen gebouwd geweest en had uitgekeken over de zee. Honderd roede verder naar het westen, waar nu de zee golfde. Als Alnora nog in leven was geweest, zou het misschien beter te verdragen zijn geweest. Zonder haar dromen wist hij nauwelijks waar hij heen moest trekken of wat hij moest doen. Zonder haar gaf hij eigenlijk niet meer om het leven. Hij voelde ieder grijs haartje toen hij zich omdraaide om terug te sloffen naar de wagens die een span terug stonden te wachten. Er waren nu minder wagens en ze raakten versleten. Er waren ook minder mensen, enkele duizenden, waar er eerst tienduizenden waren geweest. Maar nog te veel voor wat er aan wagens was overgebleven. Niemand kon meer meerijden, behalve de kinderen die te klein waren om te lopen.

Hij kwam Adan tegen bij de eerste wagen, een lange jongeman met blauwe ogen die te behoedzaam stonden. Jonai verwachtte steeds Willim te zien als hij maar snel genoeg rondzocht. Maar toen Willim jaren geleden ging geleiden, was hij natuurlijk meteen weggezonden, hoe hard hij ook had geprobeerd van de Ware Bron af te blijven. Nog steeds bezat de wereld te veel mannen die konden geleiden; ze moesten de jongens wegsturen die de tekens vertoonden. Ze moesten wel, maar hij wou dat hij zijn kinderen weer bij zich had. Wanneer wras Esole gestorven? Er was zo weinig geweest om in een haastig gegraven kuiltje te leggen. Hij was weggeteerd door een ziekte, omdat er geen Aes Sedai waren die hem konden helen.

‘Er zijn Ogier, vader,’ zei Adan opgewonden. Jonai vermoedde dat zijn zoon altijd had gedacht dat zijn verhalen over de Ogier alleen maar verzonnen waren. ‘Ze zijn uit het noorden gekomen.’ Het was een armzalige groep waar Adan hem heenbracht, niet meer dan een stuk of vijftig, met holle wangen, droeve ogen en afhangende pluimoren. Hij was langzamerhand gewend geraakt aan de bedrukte gezichten van zijn eigen volk, aan de uitputting, de opgelapte kleding, maar dat hij dit ook aantrof bij de Ogier, schokte hem diep. Hij diende voor zijn mensen te zorgen en zijn plicht jegens de Aes Sedai na te komen. Hoe lang was het geleden dat hij een Aes Sedai had ontmoet? Vlak na Alnora’s dood. Te laat voor haar. De vrouw had de zieken geheeld die nog in leven waren, had enkele ter’angrealen meegenomen en was daarna verder getrokken, bitter lachend bij zijn vraag of ze een veilige plaats wist. Haar gewaad was versteld en aan de zomen versleten. Hij was er niet zeker van of ze nog bij haar volle verstand was. Ze had beweerd dat een van de Verzakers slechts gedeeltelijk gevangen was, of misschien wel helemaal niet. Ishamael beroerde nog steeds de wereld, zei ze. Ze moest wel even krankzinnig zijn als de overgebleven mannelijke Aes Sedai.

Hij richtte zijn gedachten weer op de Ogier voor hem, die onvast op hun sterke benen stonden. Zijn gedachten dwaalden te vaak af sinds Alnora’s dood. Ze hadden brood en nappen in hun handen. Iemand had uit hun krappe voedselvoorraad rondgedeeld; boosheid flitste door hem heen, maar dat schokte hem weer. Hoeveel van zijn mensen konden eten van wat vijftig Ogier konden verstouwen? Nee, delen was de weg. Vrijelijk geven. Honderd mensen? Tweehonderd? ‘U hebt choraloten,’ zei een Ogier. Zijn dikke vingers streelden zachtjes over de drievoudige bladen van de twee potplanten die aan de zijkant van de wagens waren vastgebonden.

‘Een paar,’ zei Adan kortaf. ‘Ze sterven af, maar de oude mensen nemen nieuwe stekken voor ze dat doen.’ Hij had geen tijd voor bomen. Hij diende voor een volk te zorgen. ‘Hoe is het in het noorden?’

‘Erg,’ antwoordde een Ogiervrouw. ‘De Verwording breidt zich uit naar het zuiden en er zijn Myrddraal en Trolloks.’

‘Ik dacht dat die allemaal dood waren.’ Niet naar het noorden dus. Ze konden niet naar het noorden. Het zuiden? De Zee van Jeren lag tien dagreizen naar het zuiden. Was dat nog wel zo? Hij was moe. Zo moe. ‘Jullie zijn uit het oosten gekomen?’ vroeg een andere Ogier. Hij veegde zijn nap met een korst brood schoon en slikte het door. ‘Hoe is het in het oosten?’

‘Slecht,’ antwoordde Jonai. ‘Maar voor jullie misschien minder slecht. Tien... nee, twaalf dagen geleden hebben enkele mensen een derde deel van onze paarden gestolen voor we konden ontsnappen. We moesten wagens achterlaten.’ Dat deed hem pijn. Wagens met hun vracht achterlaten. De voorwerpen die de Aes Sedai aan de Aiel hadden toevertrouwd, waren in de steek gelaten. Dat het niet de eerste keer was, maakte het nog erger. ‘Bijna iedereen die we tegenkomen, pakt van alles naar believen. Maar misschien zullen ze dat niet doen bij de Ogier.’

‘Misschien,’ zei een Ogiervrouw alsof ze het zelf niet geloofde. Jonai was er zelf ook niet zeker van; er bestond geen veilige plek. ‘Weten jullie ergens een stedding?’

Jonai staarde haar aan. ‘Nee. Nee, niet dat ik weet. Maar jullie kunnen de stedding toch wel vinden?’

‘Wij komen reeds van ver en zijn al zo lang op de vlucht,’ zei een Ogier achter in de groep en weer een ander voegde er met droevig dreunende stem aan toe: ‘Het land is zo sterk veranderd.’

‘Ik denk dat we spoedig een stedding dienen te vinden, anders zullen we sterven,’ zei de eerste Ogiervrouw. ik voel een... smachten... in mijn botten. We moeten een stedding vinden. Dat moet.’ ik kan jullie niet helpen,’ zei Jonai bedroefd. Hij voelde een strakke band om zijn borst. Het land veranderde, was niet meer te herkennen, en veranderde nog steeds, zodat de vlakte van vorig jaar het gebergte van dit jaar kon zijn. De groei van de Verwording. Myrddraal en Trolloks nog steeds in leven. Mensen die roofden, mensen met beestachtige gezichten, mensen die de Da’shain niet herkenden of van hen wisten. Hij haalde moeizaam adem. De Ogier, verloren. De Aiel, verloren. Alles verloren. De strakke band brak open in pijn en hij zakte op zijn knieën, boog dubbel, zijn borst omklemmend. Een vuist hield zijn hart vast en kneep hard.

Adan knielde bezorgd naast hem neer. ‘Vader, wat is er? Wat is er aan de hand? Kan ik wat doen?’

Het lukte Jonai de versleten kraag van zijn zoon te pakken en zijn gezicht naar zich toe te trekken. ‘Breng... het volk... naar het zuiden.’ Hij moest de woorden tussen de krampen doorpersen die zijn hart eruit leken te rukken.

‘Vader, jij bent toch degene die...’