Выбрать главу

‘Luister. Luister! Breng ze... naar het zuiden. Breng de Aiel... in veiligheid. Houd je... aan het Covenant. Waak over... de spullen... van de Aes Sedai... tot ze... die komen halen. De Weg... van het Blad. Je moet...’ Hij had het geprobeerd. Solinda Sedai moest dat begrijpen. Hij had het geprobeerd. Alnora.

Alnora. De naam vervaagde, de pijn in Rhands borst verdween. Hij begreep er niets van. Het was onbegrijpelijk. Hoe konden deze mensen Aiel zijn?

De zuilen flitsten verblindend. De lucht bewoog, wervelde rond. Naast hem sperde Muradin zijn mond open in een poging om te gillen. De Aielman klauwde naar zijn sluier, klauwde in zijn gezicht en liet diepe bloedige voren achter. Verder.

Jonai haastte zich door de verlaten straten en probeerde niet te kijken naar de verwoeste gebouwen en dode chora-bomen. Allemaal dood. Gelukkig waren de laatste achtergelaten jo-karren weggehaald. Nabevingen maakten de grond onder zijn voeten nog steeds onrustig. Hij droeg natuurlijk zijn werkkleren, de cadin’sor, hoewel zijn taak niet het werk was waarvoor hij was opgeleid. Hij was drieënzestig, in de bloei van zijn leven en nog niet oud genoeg voor grijze haren, maar hij voelde zich een vermoeide oude man.

Niemand hield hem tegen toen hij de Zaal der Dienaren binnentrad. Er stond niemand meer bij de grote ingang met de zuilen, niemand die vragen stelde of de binnenkomer begroette. Binnen wemelde het van de mensen, allemaal druk bezig, hun armen vol papieren of kisten, en met bezorgde ogen, maar niet een van hen keurde hem een blik waardig. Er hing een gevoel van paniek in de Zaal en bij iedere beving werd het groter. Verontrust liep hij de voorzaal door en draafde de brede treden op. Moddervlekken bevuilden de zilverwitte eisteen. Niemand had tijd. Misschien kon het niemand wat schelen. Hij hoefde niet aan te kloppen op de gezochte deur. Het was niet een van de grote vergulde deuren naar een bijeenkomstzaal, maar een eenvoudige en onopvallende deur. Hij glipte stilletjes naar binnen en was blij dat hij dat had gedaan. Een handvol Aes Sedai stond rond de lange tafel te praten; ze merkten blijkbaar niet eens wanneer het gebouw beefde. Het waren allemaal vrouwen.

Hij huiverde en vroeg zich af of mannen ooit nog aan zo’n bijeenkomst zouden deelnemen. Toen hij zag wat er op tafel lag, werd zijn huivering een beven. Een kristallen zwaard – misschien een voorwerp van de Ene Kracht, misschien slechts een kunstwerk; hij kon het nergens aan zien – boven op de Drakenbanier van Lews Therin Verwantslachter, uitgespreid als een kleed dat tot op de vloer afhing. Zijn hart kromp ineen. Wat deed die hier? Waarom was hij niet vernietigd, tezamen met alle herinneringen aan die vervloekte man? ‘Wat voor nut heeft je Voorspelling?’ Oselle schreeuwde bijna, ‘als je ons niet kunt zeggen wanneer?’ Haar lange zwarte haren zwierden rond terwijl ze beefde van boosheid. ‘De wereld staat of valt hiermee! De toekomst! Het Rad zelf!’

De donkerogige Deindre keek haar aan met de gebruikelijke kalmte van een Aes Sedai. ‘Ik ben de Schepper niet. Ik kan je alleen vertellen wat ik voorspel.’

‘Vrede, zusters.’ Solinda was de kalmste, haar ouderwetse streelgewaad slechts een bleekblauwe mist. Haar zon-rode haren tot aan haar middel hadden bijna de kleur van zijn eigen haar. Zijn oudvader had haar als jongeman gediend, maar ze zag er jonger uit dan hij; ze was een Aes Sedai. ‘De tijd voor onderlinge twisten is voorbij. Jaric en Haindar zullen hier beiden morgen aankomen.’

‘Wat betekent dat we ons geen fouten kunnen veroorloven, Solinda.’

‘We moeten weten...’

‘Bestaat er enige kans dat...’

Jonai luisterde niet langer. Ze zouden hem wel zien wanneer ze klaar waren. Hij was niet de enige niet-Aes Sedai in het vertrek. Someshta zat tegen de muur bij de deur, een grote gestalte die leek te zijn geweven uit ranken en bladeren. Ondanks zijn zittende houding was hij toch nog een hoofd groter dan Jonai. Een barst van verkommerd bruin en verkoold zwart liep over het gezicht van de Nvm en maakte een groef in zijn groene grashaar en toen hij naar Jonai keek, stonden zijn hazelnootbruine ogen bezorgd.

Toen Jonai hem toeknikte, voelde hij aan de barst en fronste. ‘Ken ik jou?’ zei hij zachtjes.

‘Ik ben je vriend,’ antwoordde Jonai droevig. Hij had Someshta al enkele jaren niet meer gezien, maar hij had hiervan gehoord. De meeste Nyms waren dood, had hij gehoord. ‘Je hebt me als kind op je schouder paardje laten rijden. Herinner je je dat nog?’

‘Zingen,’ zei Someshta. ‘Werd er gezongen? Er is zoveel verdwenen. De Aes Sedai zeggen dat er iets van terug zal komen. Jij bent toch een Kind van de Draak?’

Jonai kromp ineen. Die naam had moeilijkheden veroorzaakt, al was hij volkomen waar. Maar hoeveel burgers geloofden nog dat de Da’shain Aiel vroeger slechts de Draak hadden gediend en geen andere Aes Sedai? ‘Jonai?’

Hij keerde zich om toen hij Solinda’s stem hoorde en viel op een knie neer toen ze aan kwam lopen. De anderen twistten nog steeds, zij het kalmer.

‘Is alles in gereedheid gebracht, Jonai?’ vroeg ze. ‘Alles, Aes Sedai. Solinda Sedai...’ Hij aarzelde en haalde diep adem. ‘Solinda Sedai, sommigen van ons wensen te blijven. We kunnen nog steeds dienen.’

‘Weet je water gebeurd is met de Aiel in Tzora?’ Hij knikte en ze zuchtte, waarbij ze haar hand uitstak om over zijn korte haar te strijken alsof hij een kind was. ‘Natuurlijk heb je dat. Jullie Da’shain hebben meer moed dan... Er waren daar tienduizend Aiel die hun armen ineenhaakten en zongen, in een poging een krankzinnige eraan te herinneren wie zij waren en wie hij was geweest. Ze probeerden hem te wenden met hun lichamen en een lied en Jaric Mondoran doodde ze. Terwijl hij ze doodde stond hij daar maar, voor zich uit starend alsof hij naar eenpuzzel keek, en ze bleven al zingend de rijen sluiten. Ze hebben me verteld dat hij bijna een uur naar de laatste Aiel heeft geluisterd voor hij hem doodde. Toen laaide het vuur in Tzora op, een enorme vlam die steen en metaal en vlees verzengde. Er ligt nu een plaat van glas waar eens de op een na grootste stad van de wereld stond.’

‘Velen kregen de tijd om te vluchten, Aes Sedai. De Da’shain wonnen tijd voor hun vlucht. We zijn niet bang.’

Haar hand hield zijn haar in een pijnlijke greep. ‘De burgers zijn Paaren Disen reeds ontvlucht, Jonai. Bovendien hebben de Da’shain nog een taak te vervullen, indien Deindre maar ver genoeg kon zien om te zeggen welke. In ieder geval ben ik van plan iets van hier te redden en dat iets zijn jullie.’

‘Zoals u zegt,’ zei hij met tegenzin. ‘Wij zullen zorg dragen voor wat u ons hebt toevertrouwd tot u het terugwenst.’

‘Natuurlijk. De dingen die we jou hebben gegeven.’ Ze schonk hem een glimlach en liet zijn haar los, streelde het nog even voor ze haar handen vouwde. ‘Je zult de... dingen... in veiligheid brengen, Jonai. Blijf in beweging, blijf altijd in beweging tot je een veilige plek vindt, waar niemand je kwaad kan berokkenen.’

‘Zoals u zegt, Aes Sedai.’

‘Hoe staat het met Coumin, Jonai? Is hij gekalmeerd?’ Hij kon niets verzinnen, kon slechts de waarheid venellen, al had hij liever zijn tong afgebeten. ‘Mijn vader verbergt zich ergens in de stad. Hij probeerde ons om te praten om... weerstand te bieden. Hij wilde niet luisteren, Aes Sedai. Hij heeft ergens een oude schoklans gevonden en...’ Hij kon niet verder praten. Hij verwachtte dat ze boos zou zijn, maar haar ogen stonden vol tranen.

‘Volg het Covenant, Jonai. De Da’shain mogen al het overige verliezen, maar zorg ervoor dat ze het Covenant houden, de Weg van het Blad. Beloof me dat.’

‘Natuurlijk, Aes Sedai,’ zei hij geschokt. Het Covenant was de Aiel en de Aiel waren het Covenant. De Weg verlaten zou betekenen dat ze achterlieten wat zij waren. Coumin was een afwijking. Hij was als jongen al vreemd geweest, werd gezegd, nauwelijks een Aiel, hoewel niemand wist waardoor.

‘Ga nu, Jonai. Ik wil dat jullie morgen Paaren Disen ver achter je hebben gelaten. En denk eraan: blijf in beweging. Behoed de Aiel.’ Knielend maakte hij een buiging, maar ze werd alweer bij het gesprek betrokken.