Выбрать главу

‘Kunnen we Kodam en zijn jongens vertrouwen, Solinda?’

‘We moeten wel, Oselle. Ze zijn jong en onervaren, maar amper besmet en... We hebben geen andere keus.’

‘Dan zullen we doen wat ons te doen staat. Het zwaard moet wachten. Someshta! Indien je wilt, hebben we een taak voor de laatste Nym. We hebben al te veel van je gevraagd, nu moeten we nog meer vragen.’

Jonai maakte een vormelijke buiging, terwijl de Nym opstond, waardoor zijn hoofd bijna langs het plafond streek. Ze waren reeds verdiept in hun plannen en keken niet op, maar hij toonde toch voor het laatst zijn eerbied. Hij dacht niet dat hij ze ooit nog zou zien. Hij rende de Zaal der Dienaren uit, rende de hele weg naar de grote bijeenkomst buiten de stad. In tien rijen vormden duizenden wagens bijna een stoet van twee roeden lang. Wagens vol voedsel en watervaten, wagens vol kisten met voorwerpen die de Aes Sedai aan de zorg van de Aiel hadden toevertrouwd, angrealen, sa’angrealen en ter’angrealen, alles wat uit de handen van de geleiders moest worden gehouden omdat die krankzinnig waren geworden. Vroeger was er beter vervoer geweest: jo-karren en springers, zweefvliegers en enorme zoefvleugels. Nu moesten ze het doen met moeizaam verzamelde paardenwagens. Tussen de wagens stond het volk, in aantal groot genoeg voor een stad, maar het waren misschien de enige Aiel die nog in leven waren.

Een honderdtal kwam naar hem toe om hem te ontmoeten, mannen en vrouwen, de vertegenwoordigers die wilden horen of sommigen van de Aes Sedai mochten blijven. ‘Nee,’ zei hij hun. Er werd gefronst en geaarzeld en hij voegde eraan toe: ‘Wij moeten gehoorzamen. Wij zijn Da’shain Aiel, wij gehoorzamen de Aes Sedai.’

Ze verspreidden zich langzaam weer tussen hun wagens en hij meende Coumins naam op te vangen, maar hij kon zich er niet druk om maken. Hij haastte zich naar zijn eigen wagen aan de kop van de middelste rij. De paarden waren allemaal zenuwachtig en de grond beefde regelmatig.

Zijn zonen zaten al op de bok. Willim van vijftien met de teugels en Adan van tien naast hem, beiden met een zenuwachtige grijns van opwinding. De kleine Esole lag met een pop te spelen, boven op het zeil over hun bezittingen en – nog belangrijker – over de bezittingen van de Aes Sedai, die ze hem hadden toevertrouwd. Alleen voor zeer jonge en oude mensen was nog plaats om mee te rijden. Een tiental chora-loten die al wortel hadden geschoten, stonden in aardewerken potten achter de bok, klaar om geplant te worden wanneer ze een veilige plek hadden gevonden. Wellicht dwaas om zoiets mee te nemen, maar elke wagen had deze scheuten in potjes. Iets uit de tijd die allang voorbij was, een teken voor een komende betere tijd. Mensen hadden hoop nodig en tekenen.

Alnora stond naast het span te wachten. Haar glanzende zwarte haren vielen zwierig over haar schouders en herinnerden hem aan hun eerste ontmoeting. Nu hadden zorgen rimpels rond haar ogen getrokken.

Het lukte hem de bezorgdheid diep in zijn hart te verbergen en haar een glimlach te schenken. ‘Alles zal goed komen, vrouw van mijn hart.’ Ze gaf geen antwoord en hij voegde eraan toe: ‘Heb je weer een droom gehad?’

‘Al een hele tijd niet meer,’ mompelde ze. ‘Alles zal goed komen en alles zal weer worden zoals het behoort te zijn.’ Met een beverige glimlach streelde ze zijn wang. ‘Met jou bij me weet ik dat het zo zal zijn, gade van mijn hart.’

Jonai zwaaide zijn armen boven zijn hoofd en het teken werd in de rijen doorgegeven. Langzaam zette de karavaan zich in beweging. De Aiel verlieten Paaren Disen.

Rhand schudde zijn hoofd. Te veel. Herinneringen stapelden zich boven op elkaar. De lucht leek te weerlichten. Gruizelig stof waaide op in de dansende wervelwinden. Muradin had diepe sneden in zijn gezicht gegroefd en klauwde nu aan zijn ogen. Verder.

Coumin knielde aan de rand van de omgeploegde aarde neer in zijn werkkleren, een eenvoudige bruingrijze jas en broek en zachte veterlaarzen. Samen met de anderen vormde hij een rij rond de akker. Na elke tien Da’shain Aiel, die net eikaars vingertoppen konden aanraken, stond een Ogier. Rond de hele akker. Hij kon de akker verderop zien, met eenzelfde kring, achter de soldaten die met hun schoklansen boven op een gepantserde jo-kar zaten. Een zweefvlieger op zijn ronde zoemde boven hem voorbij, een dodelijke metalen wesp met twee man. Hij was zestien en de vrouwen hadden zijn stem eindelijk laag genoeg bevonden om deel te nemen aan de zaaizang.

Hij werd gefascineerd door de soldaten, zowel mannen als Ogier, zoals een felgekleurde gifslang hem zou boeien. Ze doodden! Zijn oud-oudvader, Charn, beweerde dat er vroeger geen soldaten waren geweest, maar dat geloofde Coumin niet. Wie zou de Nachtlopers en de Trolloks tegenhouden als die iedereen kwamen vermoorden, wanneer er geen soldaten waren? Charn beweerde natuurlijk ook dat er toen geen Myrddraal en Trolloks hadden bestaan. Geen Verzakers en geen Schaduwgebroed. Hij vertelde veel verhalen waarvan hij beweerde dat ze uit een tijd stamden van voor de Nachtlopers en Trolloks, een tijd dat de Duistere Heer van het Graf opgesloten was geweest en niemand zijn naam of het woord ‘oorlog’ gekend had. Coumin kon zich zo’n wereld niet voorstellen; de oorlog was al voor zijn geboorte begonnen. Hij genoot echter wel van Charns verhalen, ook al geloofde hij ze niet, maar enkele verhalen van de oude man zorgden voor boze blikken en scheldwoorden van de toehoorders. Zoals toen hij beweerde dat hij vroeger een Verzaker had gediend. Niet zomaar een Verzaker, maar Lanfir zelf. Hij had even goed kunnen zeggen dat hij Ishamael had gediend. Als Charn zo nodig verhalen moest verzinnen, dan had Coumin liever gehoord dat hij Lews Therin had gediend, de grote aanvoerder zelf. Natuurlijk zou dan iedereen vragen waarom hij dan nu niet de Draak diende, maar het zou in de huidige toestand toch beter zijn. Coumin verafschuwde de vreemde blikken van de burgers op Charn als hij vertelde dat Lanfir niet altijd slecht was geweest. Een beweging aan de andere kant van de akker vertelde hem dat de Nym eraan kwam. De grote gestalte, wiens borst uitstak boven de langste Ogier, stapte naar voren op de ingezaaide grond en Coumin hoefde niet eens te kijken om te weten dat zijn spoor zich vulde met ontkiemende planten. Het was Someshta, omringd door wolken van witte, gele en blauwe vlinders. Opgewonden gemompel steeg op van de toekijkende stadsmensen en van het boerenvolk dat bij deze landerijen hoorde. Iedere akker zou nu zijn eigen Nym hebben. Coumin vroeg zich af of hij Someshta naar de verhalen van Charn kon vragen. Hij had een keer met hem gepraat en Someshta was oud genoeg om te weten of Charn de waarheid sprak; de Nym waren ouder dan iedereen. Sommigen zeiden dat de Nym nooit doodgingen, niet zolang de planten groeiden. Maar het was nu niet de tijd om aan vragen voor de Nym te denken.

De Ogier zetten in, zoals het hoorde. Ze stonden op om te zingen, diep, laag en rommelend, alsof de aarde zelf zong. De Aiel kwamen ook overeind, de mannenstemmen hieven een eigen zang aan en zelfs hun laagste stem was hoger van klank dan die van een Ogier. Toch verweefden de zangen zich met elkaar en Someshta nam de lijnen over en verwerkte ze in zijn dans, waarbij hij met zwierige stappen over de akker schreed, de armen wijd, de vlinders om hem heen buitelend, waarbij ze nu en dan op zijn vingertoppen landden. Coumin kon de zaaizang rond de andere velden horen, kon de vrouwen horen klappen om de mannen aan te sporen, hun ritme als de hartenklop van nieuw leven, maar het was een verre kennis. De zang voerde hem mee, het voelde bijna alsof hij het was, hijzelf, niet het geluid van zijn stem, die Someshta rond de zaden in de aarde weefde. Het waren nu echter geen zaden meer. Zemaisscheuten maakten de akker groen, groeiden hoger op die plekken waar Someshta’s voeten hadden gerust. Geen verderf zou deze planten raken, geen enkel insect zou hen aantasten. Het gezongen zaad zou uitgroeien tot planten die ver boven een man uitstaken en de graanschuren van de stad zouden vullen. Hiervoor was hij geboren, voor dit lied en de andere zaaizangen. Hij had geen spijt van het feit dat de Aes Sedai hem op zijn tiende hadden overgeslagen, zeggend dat hij de vonk ontbeerde. Opgeleid worden tot Aes Sedai zou wonderschoon zijn, maar zeker niet mooier dan dit ogenblik.