Выбрать главу

‘Ik ben niet gewond, burger,’ zei Charn mild. ‘Waarlijk, het was mijn schuld.’ Dat was ook zo. Hij had de man kunnen verwonden. ‘Heb ik u pijn gedaan? Alstublieft, vergeef me.’

De man wilde hem reeds tegenspreken – dat deden burgers altijd; ze leken te denken dat Aiel van spinglas gemaakt waren – maar voor hij iets kon zeggen, beefde de grond onder hun voeten. De lucht trilde eveneens in uitdijende golven. De man keek onzeker rond, trok zijn mooie fenstofmantel om zichzelf en zijn vrouwe heen, zodat hun hoofden lichaamsloos in de lucht leken te hangen. ‘Wat gebeurt er, Da’shain?’

Anderen die Charns haren waren opgevallen, kwamen bezorgd om hem heen staan en stelden dezelfde vragen, maar hij negeerde ze zonder er zelfs maar aan te denken dat hij onbeleefd was. Hij begon zich door de menigte heen te dringen, zijn ogen strak op de Sharom gericht, de witte bol met een doorsnede van duizend voet, die nog eens zo hoog boven de blauwe en zilveren koepels van de Collam Daan zweefde. Mierin had gezegd dat vandaag de grote dag zou zijn. Ze had gezegd dat ze een nieuwe bron van Ene Kracht had gevonden. Vrouwelijke en mannelijke Aes Sedai konden dan dezelfde bron aftappen en hoefden niet langer uit twee gescheiden helften te putten. Wat mannen en vrouwen verenigd konden doen, zou nog geweldiger worden als alle verschillen verdwenen. En vandaag zouden zij en Beidomon het voor het eerst aftappen – de laatste keer dat mannen en vrouwen bij een samenwerking verschillende Krachten gebruikten. Vandaag. Een kleine witte splinter leek uit de Sharom weg te schieten, gevolgd door een straal zwart vuur. Hij kwam omlaag, bedrieglijk laag, onbetekenend. Toen schoten er honderden steekvlammen uit de enorme witte bol op. De Sharom brak als een ei in stukken en begon omlaag te zakken, een vlammenzee van obsidiaan. Duisternis verspreidde zich over de hemel, slokte de zon op in een onnatuurlijk licht, alsof de vlammen een zwartheid verspreidden. Overal stonden mensen te krijsen. Bij de eerste vuurstraal zette Charn het op een hollen naar de Collam Daan, maar hij wist dat hij te laat was. Hij was gezworen de Aes Sedai te dienen en hij was te laat. Tranen rolden over zijn wangen terwijl hij voortrende.

Knipperend om de vlekken voor zijn ogen weg te krijgen, omklemde Rhand met beide handen zijn hoofd. Het beeld van die enorme vallende bol met de zwarte vlammen zweefde nog door zijn gedachten. Heb ik echt gezien hoe de Bres in de kerker van de Duistere werd geboord? Heb ik dat gezien? Hij stond aan de rand van de glazen pilaren naar Avendesora te staren. Een chora-boom. Een stad zonder chora’s zou even akelig zijn als een wildernis. En nu hebben we er nog maar een. De zuilen flonkerden in de blauwe gloed van de hoge mistkoepel, maar net als eerst leek het licht slechts een fonkelende weerspiegeling. Van Muradin viel geen spoor te bekennen; hij dacht niet dat de Aiel uit het glazen woud was gekomen. Of ooit zou komen. Opeens viel hem iets op, laag aan de takken van de Levensboom. Een gestalte die langzaam heen en weer zwaaide. Een man, opgehangen aan een stok die dwars over twee takken was gelegd. Met een woordeloze schreeuw rende hij naar de boom en greep naar saidin. Opspringend kwam het vlammende zwaard in zijn handen tot leven en hij haalde uit naar het touw. Mart en hij tuimelden samen met een klap op de stoffige witte plavuizen. De stok sprong los en kletterde naast hem neer; geen stok maar een vreemde speer, met een zwarte schacht en een korte kling in plaats van een speerpunt, licht gebogen en aan één rand scherp. Rhand gat er niet om, al zou die stok van goud en cuendillar zijn gemaakt en afgezet met witte en rode edelstenen.

Hij liet het zwaard en de Kracht verdwijnen, trok het touw van Mans nek en drukte zijn oor op de borst van zijn vriend. Niets. Wanhopig scheurde hij Marts kleren open en brak het leren koordje waar een zilveren penning aan hing. Hij gooide de penning opzij en luisterde opnieuw. Niets. Geen hartslag. Dood. Hij zou niets mankeren als ik niet had ingestemd met zijn komst. Ik kan hem hier niet dood achterlaten. Zo hard hij kon, bonsde hij met zijn vuist op Marts borst en luisterde. Niets. Weer timmerde hij, luisterde. Ja. Daar. Een zwakke hartslag. Maar het was er. Zwak en langzaam. Steeds langzamer. Maar Mart was nog in leven, ondanks de dikke paarse striem om zijn nek. Hij zou misschien in leven blijven.

Rhand zoog zijn longen vol lucht, kroop om Mart heen en begon zo hard mogelijk in Marts mond te blazen. Opnieuw. Opnieuw. Toen ging hij schrijlings over Mart heen staan, greep diens broekriem en tilde hem omhoog zodat de heupen van de plavuizen omhoogkwamen. Op en neer, drie keer, waarna hij weer krachtig in Marts mond blies. Hij had kunnen geleiden; misschien zou hij op die manier iets kunnen doen. Maar de herinnering aan het meisje in de Steen hield hem tegen. Hij wilde dat Mart leefde. Leefde, niet als een pop die door de Kracht werd bewogen. Hij had als jongen eens gezien hoe baas Lohan een jongen tot leven had gewekt die drijvend in de Wijnvloed was aangetroffen. Dus ademde hij en tilde op, ademde en tilde op, en hoopte. Opeens schokte Mart en hoestte. Rhand knielde naast hem neer, terwijl zijn vriend beide handen tegen zijn keel hield en pijnlijk rochelend, happend naar lucht op zijn zij rolde.

Mart raakte het stuk touw aan met zijn ene hand en rilde. ‘Bloed en bloedvervloekte geitenzonen,’ mompelde hij schor. ‘Ze probeerden... me te doden.’

‘Wie?’ vroeg Rhand, voorzichtig rondkijkend. De half voltooide paleizen rond het grote plein staarden terug. Rhuidean was behalve Mart en hijzelf toch zeker verlaten, tenzij Muradin nog ergens in leven was. ‘Dat volk... aan de andere kant... van die... vreemd gevormde doorgang.’ Pijnlijk slikkend ging Mart zitten en haalde diep en bevend adem. ‘Er staat er hier ook een, Rhand.’ Het klonk nog steeds of zijn keel rauw was.

‘Je kon erdoorheen? Hebben ze vragen beantwoord?’ Dat kon nuttig zijn. Hij verlangde wanhopig naar antwoorden. Hij had duizenden vragen en te weinig antwoorden.

‘Geen antwoorden,’ zei Mart hees. ‘Ze bedriegen. En ze probeerden me te doden.’ Hij pakte de penning op, een zilveren vossenkop die bijna zijn gehele handpalm vulde, en stak hem een ogenblik later met een grijns in zijn zak. ‘Maar ik heb toch nog iets van ze losgekregen.’ Hij trok de vreemde speer naar zich toe en liet zijn vingers langs de zwarte schacht glijden. Daarin stond overlangs een regel in een onbekend schuin schrift, omgeven door een paar in metaal geëtste vogels die zelfs nog zwarter waren dan het hout. Raven, dacht Rhand. Er stonden er ook twee op de kling. Met een rauwe spottende lach trok Mart zich omhoog, half leunend op zijn speer, de kling begon ter hoogte van zijn hoofd. Hij deed geen moeite zijn hemd of jas dicht te maken. ‘Dit hou ik ook maar. Hun grap, maar ik hou hem.’

‘Een grap?’

Mart knikte. ‘Dit staat er:

Aldus wordt ons verdrag geschreven; aldus wordt afspraak afgerond. Gedachte is een pijl van tijd; herinnering vervaagt nimmer. Wat was gevraagd, is gegeven. De prijs is betaald.

Leuke grap, snap je. Ik zal ze met hun eigen geestigheid doormidden hakken als ik er ooit de kans voor krijg. Ik zal ze gedachten en herinneringen geven.’ Hij kromp ineen en wreef over z’n hoofd. ‘Licht, wat doet mijn hoofd zeer. Het is net alsof er honderden stukjes dromen in rondvliegen en elke droom is net een naald. Denk je dat Moiraine er iets aan kan doen als ik het vraag?’

‘Dat zal ze best willen doen,’ antwoordde Rhand langzaam. Mart moest wel erg gewond zijn dat hij de hulp van een Aes Sedai inriep. Hij keek weer naar de donkere speerschacht. Een deel van het schrift was onder Marts hand verborgen, maar niet alles. Wat het ook was, hij had geen enkel idee wat er stond. Hoe wist Mart het? Rhuideans lege vensters staarden hem spottend aan: Nog steeds verbergen wij vele geheimen, leken ze te zeggen. Meer dan je weet. Erger dan je weet.

‘Laten we teruggaan, Mart. Het maakt me niet uit of we de vallei midden in de nacht moeten oversteken. Zoals je al zei, het zal koeler zijn. Ik wil hier niet langer blijven.’