Выбрать главу

‘Dat lijkt me uitstekend,’ zei Mart kuchend. ‘Zolang we bij die fontein nog maar een paar slokken water kunnen drinken.’ Rhand bleef naast Mart lopen, al ging dat eerst langzaam. Mart hobbelde mee en gebruikte de vreemde speer als wandelstok. Eenmaal bleef Rhand staan om te kijken naar de twee beeldjes van een man en een vrouw die kristallen bollen vasthielden, maar hij liet ze daar. Nog niet. Nog heel lang niet, als hij geluk had.

Toen ze het plein afliepen, hadden de hoge, onvoltooide paleizen langs de straat een dreigend aanzien, hun kartelige punten leken de muren van grote burchten. Rhand omhelsde saidin hoewel hij geen echt gevaar zag, maar het voelde alsof moordlustige ogen zich in zijn rug boorden. Rhuidean lag er vredig en verlaten bij, schaduwloos onder de blauwe gloed van het mistdak. Het stof op de straat rimpelde in de wind.... De wind? Er was geen wind.

‘O, bloedvuur,’ mopperde Mart. ik denk dat we in de problemen zitten, Rhand. Dat krijg ik altijd op mijn dak als ik bij jou rondhang. Jij brengt me altijd in de problemen.’

De rimpels verschenen sneller, gleden samen en vormden dikkere lijnen die nog steeds trilden. ‘Kun je sneller lopen?’ vroeg Rhand.

‘Lopen? Bloedvuur, ik kan rennen.’ Terwijl hij de speer schuin voor zijn borst hield, begon hij hinkend aan een wilde ren. Terwijl hij meeholde bracht Rhand zijn zwaard terug, onzeker van wat hij daarmee tegen huiverende stofrimpelingen kon beginnen, onzeker of het echt nodig was. Het was maar stof. Nee, vervloekt, dat is het niet. Het is een van die bellen. Het kwaad van de Duistere dat door het Patroon drijft, op zoek naar zo’n vervloekte ta’veren. Ik weet dat het dat is.

Overal om hen heen rimpelde het stof, verdikte zich huiverend, bundelde zich, verenigde zich. Opeens, vlak voor hen, schoot een gestalte omhoog uit het bekken van een droge fontein. De gestalte van een krachtige man, een donkere schaduw met scherpe klauwvingers. Zwijgend sprong hij op hen af.

Rhand bewoog als vanzelf – Opkomende maan boven de meren – en de kling van de Ene Kracht hakte de donkere gestalte doormidden. In een oogwenk was het nog maar een dikke stofwolk die naar de plavuizen zakte.

Anderen volgden hem echter op, zwarte gezichtsloze gestalten die van alle kanten kwamen aansnellen, geen twee waren hetzelfde, maar allen strekten hun klauwen naar hen uit. Rhand danste zijn zwaarddans, de kling weefde ingewikkelde figuren in de lucht en liet warrelende stofvlokjes achter. Mart gebruikte in een tollende werveling zijn speer als een vechtstok, met de kling uithalend alsof hij het wapen van jongsaf kende. De wezens stierven – gingen in ieder geval weer over in stof – maar er waren er te veel en ze waren snel. Bloed stroomde langs Rhands gezicht en de oude wond in zijn zij brandde zo vurig dat die open leek te barsten. Bloed bevlekte eveneens Marts gezicht en borst. Te veel en te snel.

Je doet nog geen tiende van wat je nu al kunt. Dat had Lanfir gezegd. Hij lachte terwijl hij de vormen danste. Leren van een Verzaker. Dat ging hij doen, maar niet op de manier die zij bedoelde. Ja, hij kon het. Hij geleidde, verweefde strengen van de Kracht en stuurde een wervelwind temidden van de zwarte gestalten. Ze ontploften in stofwolken, waardoor ze moesten hoesten. Voor zover hij kon zien, ging het stof weer liggen.

Blaffend en kuchend leunde Mart hijgend op zijn speer. ‘Deed jij dat?’ kraste hij terwijl hij het bloed van zijn ogen wegveegde. ‘Het werd tijd. Als je wist hoe, bloedvuur, waarom deed je het dan niet meteen?’ Rhand wilde lachen – Omdat ik er niet aan dacht. Omdat ik niet wist hoe, tot ik het deed. – maar het lachen verging hem. Stof zweefde naderbij en terwijl het zich op de grond afzette, begon het weer te rimpelen. ‘Hollen,’ zei hij. ‘We moeten hier weg zien te komen. Hollen.’ Naast elkaar haastten ze zich naar de mist, uithalend naar elk stof-lijntje dat dikker werd, schoppend, alles om ervoor te zorgen dat de rimpelingen niet groter en dikker werden. Rhand stuurde woeste windhozen alle kanten uit. Uiteengejaagd stof begon zich echter trillend meteen weer te verzamelen, nu zelfs al voor het de grond raakte. Ze bleven doorhollen, de mist in, erdoorheen, en sprongen te voorschijn in een vaag licht met scherpe schaduwen.

Met een pijnlijke zij draaide Rhand zich om, klaar om bliksem te proberen, of vuur, of wat dan ook. Er kwam niets door de mist achter hen aan. Misschien was de mist voor die donkere gestalten een muur. Misschien hield die hen binnen. Misschien... Hij wist het niet. Het kon hem eigenlijk ook niet schelen, zolang die dingen hen maar niet meer volgden.

‘Bloedvuur,’ mompelde Mart schor. ‘We zijn er de hele nacht geweest.

De zon komt bijna op. Ik had niet gedacht dat het zo lang geduurd had.’

Rhand staarde naar de hemel. De zon was nog niet boven de bergen uit; een pijnlijk schitterende, witte stralenkrans omlijnde de scherpe pieken en lange schaduwen strekten zich uit over de bodem van de vallei. Hij zal bij dageraad uit Rhuidean komen en jullie samenbinden met banden die jullie niet kunnen breken. Hij zal jullie terugvoeren en hij zal jullie vernietigen.

‘Laten we de berg opgaan,’ zei hij kalm. ‘Ze wachten daar op ons.’ Op mij.

27

Op de saidinwegen

De duisternis van de saidinwegen drukte het licht van Perijns stoklantaarn rond hemzelf en Gaul samen tot een poel met scherpe schaduw-randen. Het kraken van zijn zadel en het knarsend hoefgeklik leken niet verder te gaan dan de lichtrand. De lucht had geen geur, helemaal niets. De Aiel, die Stapper gemakkelijk kon bijhouden, hield een oog op de nauwelijks zichtbare lantaarngloed van Loials groep voor hen. Perijn weigerde het Failes groep te noemen. De wegen leken Gaul niet te deren, ondanks hun beruchte naam. Perijn kon zich er niet van weerhouden voortdurend te luisteren. Hij had het al twee dagen lang gedaan, of wat in deze donkere omgeving voor dagen doorging. Zijn oren zouden als eerste het geluid opvangen dat hun dood of erger zou betekenen; het geluid van een opstekende wind waar geen wind bestond. Machin Shin, de Zwarte Wind die zielen verteerde. Hij kon de gedachte niet van zich afzetten dat het reizen op de wegen verregaande dwaasheid was, maar nood maakte dwaasheid noodzakelijk. Het licht voor hen hield stil en hij trok de teugels aan midden op iets wat een stokoude stenen brug leek die zich over een diepzwarte duisternis kromde. Oud vanwege de barsten in de brugmuren, de putjes en de ondiepe, onregelmatige kuilen in het brugdek. Waarschijnlijk had de brug hier al zo’n drieduizend jaar gestaan, maar hij leek nu zowat in te storten. Misschien juist op dit ogenblik.

Het pakpaard schoof dichter naar Stapper toe. De dieren snoven naar elkaar en rolden met hun ogen; ze voelden zich niet op hun gemak in de duisternis. Perijn wist hoe de paarden zich voelden. Wat meer mensen als gezelschap zouden iets van het eindeloze donkere gewicht van de nacht hebben verdreven. Toch zou hij niet dichter naar de lantaarns zijn toe gegaan, zelfs niet als hij alleen was geweest. Nee, hij wilde zeker geen herhaling van wat er op dat eerste eiland was gebeurd, meteen nadat ze de saidinpoort in Tyr waren doorgegaan. Hij krabde geërgerd aan zijn krullerige baard. Hij wist eigenlijk niet wat hij verwacht had, maar niet...

De stoklantaarn wipte op en neer toen hij uit zijn zadel gleed en Stapper en het pakpaard naar de wegwijzer leidde. Het was een grote, witte plaat die was ingelegd met schuine zilveren tekens die vaag deden denken aan wijnranken en bladeren, en hij was bezaaid met putjes alsof er zuur tegenaan gegooid was. Hij kon het natuurlijk niet lezen – dat moest Loial doen, want het was Ogierschrift – daarom liep hij eromheen en onderzocht het eiland. Het zag er net zo uit als de andere eilanden, met een borsthoge muur van witte steen, vol eenvoudige bochten en rondingen die in een ingewikkeld patroon pasten. Op regelmatige afstand van elkaar waren er onderbrekingen in de muur, waar bruggen zich in de duisternis uitstrekten. De hellingen hadden geen zijkanten en liepen naar boven of beneden zonder dat hij kon zien hoe ze ondersteund werden. Overal zaten scheuren, grove putjes en ondiepe kuilen, alsof de stenen wegrotten. Toen de paarden eroverheen trokken, hoorden ze het zanderige geluid van stenen die onder hun hoeven afschilferden. Gaul tuurde de duisternis in en leek niet buitengewoon ongerust, maar hij wist niet wat er in het duister kon wachten. Perijn wist het maar al te goed.