Выбрать главу

Toen Loial en de anderen aankwamen, sprong Faile onmiddellijk van haar zwarte merrie en stapte recht naar Perijn toe, haar ogen strak op zijn gezicht gericht. Hij had er nu al spijt van dat hij haar ongerust had gemaakt, maar ze zag er helemaal niet ongerust uit. Hij kon niet zeggen wat die gezichtsuitdrukking inhield, behalve dat deze niet veranderde.

‘Heb je besloten om met me te praten in plaats van me te...’ De harde klap met haar hele gewicht liet vlekjes voor zijn ogen dansen.

‘Wat was je van plan,’ spoog ze bijna, ‘om hier als een zwijn naar binnen te vallen? Jij hebt geen eer. Helemaal niet!’ Hij haalde langzaam en diep adem. ‘Ik heb je al eerder gevraagd dat niet te doen.’ Haar donkere, schuin staande ogen werden groter alsof hij iets gezegd had dat haar razend maakte. Hij wreef net over zijn wang toen de tweede oplawaai hem aan de andere kant te pakken nam en bijna zijn kaak ontwrichtte. De Aiel keken belangstellend toe en Loials oren zakten.

‘Ik heb je gezegd dat niet te doen,’ gromde hij. Haar vuist was niet groot maar haar plotselinge dreun tegen zijn onderste ribben dreef bijna alle adem uit zijn longen en hij boog zowat dubbel. Opnieuw hief ze haar vuist. Met een snauw greep bij haar in haar nekvel en...

Nou ja, het was haar eigen schuld. Echt. Hij had haar gevraagd hem niet te slaan. Hij had het gezegd. Haar eigen schuld. Maar hij was verbaasd dat ze niet geprobeerd had om een van haar messen te trekken; ze leek er net zoveel te hebben als Mart.

Natuurlijk was ze woedend geweest. Woedend op Loial, die had geprobeerd om tussenbeide te komen; ze kon wel op zichzelf passen, als hij dat maar wist. Woedend op Bain en Chiad, omdat zij niet tussenbeide kwamen; ze was onaangenaam verrast toen ze zeiden dat ze zich niet wilden mengen in een gevecht dat zij begonnen was. Als je het gevecht kiest, had Bain gezegd, moet je de gevolgen dragen, of je wint of verliest. Maar ze leek nu helemaal niet meer boos op hem te zijn. Dat maakte hem ongerust. Ze had hem alleen maar aangestaard; haar donkere ogen glinsterend van niet vergoten tranen, waardoor hij zich schuldig voelde, wat hem weer nijdig maakte. Waarom zou hij zich schuldig voelen? Hij hoefde zich toch niet zomaar te laten slaan? Ze had Zwaluw bestegen en was met kaarsrechte rug in de beugels gaan staan. Ze weigerde om voorzichtig te gaan zitten en staarde hem nietszeggend aan. Het maakte hem heel ongerust. Hij had bijna gehoopt dat ze een mes had getrokken. Bijna. ‘Ze gaan weer verder,’ zei Gaul.

Perijn rukte zich los uit het verleden. Het andere licht bewoog inderdaad. Nu hield het weer stil. Een van hen had opgemerkt dat zijn licht nog niet volgde. Waarschijnlijk Loial. Het kon Faile waarschijnlijk niet schelen als hij verdwaalde, en de twee Aielvrouwen hadden twee keer geprobeerd een klein eindje met hem om te gaan. Hij had het onmerkbare schudden van Gauls hoofd niet nodig om te weigeren. Hij spoorde Stapper aan en trok het pakpaard mee. De wegwijzer was hier nog pokdaliger dan de meeste andere, maar hij reed erlangs met slechts een enkele blik. Het licht van de andere lantaarns begon al omlaag te gaan over een helling, en met een zucht volgde hij. Hij haatte die hellingen. Met zijkanten die slechts uit duisternis bestonden, daalden en stegen ze draaiend, terwijl hij niets anders zag dan de drukkende lichtkring van de wiegelende lantaarn boven zijn hoofd. Iets zei hem dat een val over de rand nooit zou eindigen. Stapper en het pakpaard hielden het midden aan zonder aangespoord te hoeven worden, en zelfs Gaul vermeed de rand. Het werd erger toen de weg eindigde op een ander eiland. Niemand kon hem wijsmaken dat dit niet recht onder de vorige brug lag. Hij was blij dat hij Gaul naar boven zag kijken, blij dat hij zich niet als enige verbaasde over wat de eilanden ondersteunde en of dat nog steeds sterk genoeg was. Opnieuw waren de lantaarns van Loial en Faile bij een wegwijzer gestopt, dus hield hij juist voorbij de helling de teugels in. Maar deze keer reden ze niet door. Na een paar tellen riep Failes stem: ‘Perijn.’ Hij wisselde een blik met Gaul en de Aiel haalde zijn schouders op. Ze had niet meer tegen Perijn gesproken sinds hij... ‘Perijn, kom hier.’ Niet echt bevelend, maar toch ook niet vragend. Bain en Chiad zaten op hun hurken naast de wegwijzer, terwijl Loial en Faile hun paarden vlakbij hadden geplaatst en met de stoklantaarns in de hand stonden. De Ogier had de leidsels van hun pakpaarden; zijn oortoefjes trilden toen hij beurtelings naar Faile en Perijn keek. Zij leek totaal op te gaan in het aantrekken van haar groene, zachtleren handschoenen met geborduurde gouden valken bovenop. Ze had ook andere kleren aan. Ze waren van dezelfde snit, met een hoge hals en een nauwe rijrok, maar ze waren van donkergroene brokaatzijde, en dat leek op de een of andere manier haar borsten te benadrukken. Perijn had die jurk nog nooit eerder gezien. ‘Wat wil je?’ vroeg hij behoedzaam.

Ze keek op alsof ze verbaasd was hem te zien, hield haar hoofd bedachtzaam scheef en glimlachte toen, alsof de gedachte net bij haar opkwam. ‘O ja. Ik wilde zien of je geleerd kon worden om te komen als ik roep.’ Haar glimlach werd breder; dat moest wel komen omdat ze had gezien hoe hij zijn tanden op elkaar klemde. Hij wreef over zijn neus; er hing een vage, rottende geur.

Gaul grinnikte zachtjes. ‘Je kunt evengoed proberen de zon te begrijpen, Perijn. Die is er gewoon, en je kunt haar niet begrijpen. Je kunt niet zonder, maar er wordt een prijs van je gevraagd. Zo is het ook met vrouwen.’

Bain leunde opzij, fluisterde iets in Chiads oor, en ze lachten allebei. Zoals die twee naar Gaul en hem keken, dacht Perijn niet dat hij graag wou horen wat de vrouwen zo leuk vonden.

‘Dat is het helemaal niet,’ rommelde Loial. Zijn oren bewogen nijdig. Hij keek Faile beschuldigend aan, een blik die haar totaal niets deed; ze glimlachte vaagjes terug en hield zich weer bezig met haar handschoenen, trok elke vinger weer aan. ‘Het spijt me, Perijn. Ze stond erop dat zij jou wilde roepen. Dit is de reden. We zijn hier.’ Hij wees naar de onderkant van de wegwijzer, vanwaar een brede, door pokken onderbroken witte streep de duisternis in liep en niet naar een brug of oprit. ‘De saidinpoort naar Manetheren, Perijn.’ Perijn knikte maar zei niets. Hij had geen zin om voor te stellen die streep te volgen en dan van Faile het verwijt te krijgen dat hij weer de baas wilde spelen. Hij wreef verstrooid over zijn neus; die vage geur van rotting was hinderlijk. Hij wilde zelfs niet het meest voor de hand liggende voorstel doen. Als zij de baas wilde spelen, ging ze haar gang maar. Ze bleef echter gewoon zitten spelen met haar handschoenen. Ze wachtte kennelijk tot hij zijn mond open zou doen, zodat ze een geestige opmerking kon maken. Ze hield van geestigheden; hij zei liever ronduit wat hij bedoelde. Geërgerd keerde hij Stapper, met de bedoeling zonder haar of Loial door te gaan. De streep liep naar de poort en hij kon het Avendesorablad waarmee de poort geopend werd zelf wel vinden.

Plotseling ving zijn oor in de duisternis een gedempt hoefgekletter op en hij kon de smerige stank onmiddellijk thuisbrengen. ‘Trolloks!’ schreeuwde hij.

Gaul draaide zich soepel om en stak zijn speer in de zwarte maliën van een Trollok met een wolvensnuit, die met een opgeheven kromzwaard het licht insprong. In een en dezelfde moeiteloze beweging trok de Aiel zijn speer los en stapte hij opzij om de enorme gestalte te laten vallen. Maar er volgden er meer, allemaal met geitensnuiten, everslagtanden, wrede bekken en gekromde horens, met kromme zwaarden, piekbijlen en haaksperen. De paarden dansten en schreeuwden. Perijn hield zijn stoklantaarn hoog – de gedachte in het donker tegen deze monsters te moeten vechten deed hem het koude zweet uitbreken – graaide een wapen van zijn paard en haalde uit naar een gezicht dat vervormd was door een scherpgetande snuit. Verbaasd zag hij dat hij de hamer uit het touw aan het zadel had getrokken. De hamer mocht dan niet de scherpe rand van de bijl hebben, maar tien pond staal in handen van een smid sloeg de Trolloks nog steeds wankelend en brullend achteruit, terwijl ze naar hun kapotte gezichten grepen. Loial smeet zijn stoklantaarn tegen een kop met geitenhoorns en de lantaarn brak; onder de brandende olie rende de Trollok gillend de duisternis in. De Ogier maaide om zich heen met zijn dikke stok, die in zijn enorme handen niet meer dan een tak leek, maar wel doel trof met een scherp gekraak van brekende botten. Een mes van Faile stak opeens uit een al te menselijk oog boven slagtanden. De Aiel dansten de speren; op de een of andere manier hadden ze de tijd gevonden om zich te sluieren. Perijn sloeg en sloeg en sloeg. Een dodelijke wervelwind die duurde... een moment, een hartslag? Het leek wel een uur. Maar plotseling waren de Trolloks dood of lagen ze te stuiptrekken tussen de lijken.