Hij krabde geërgerd aan zijn twee weken oude stoppelbaard. Die had nog meer krullen dan zijn andere haar. Het was ook warm. Voor de honderdste keer dacht hij eraan alles af te scheren. ‘Het past bij je,’ zei Faile opeens en bleef staan.
Hij voelde zich niet op z’n gemak en trok zijn sterke schouders van het urenlange werk in een smidse op. Soms deed ze dat, leek ze te weten waaraan hij dacht. ‘Het kriebelt,’ mopperde hij en had het graag sterker willen zeggen. Het was zijn baard en hij mocht hem afscheren wanneer hij maar wilde.
Ze nam hem op, haar hoofd schuin. Haar ferme neus en hoge jukbeenderen maakten er een wild plaatje van, een tegenstelling met de zachte stem waarmee ze ‘het past bij je’ had gezegd. Perijn zuchtte en schokschouderde opnieuw. Ze had hem niet gevraagd de baard te laten staan en dat zou ze ook niet doen. Niettemin wist hij dat hij het scheren weer enkele dagen uit zou stellen. Hij vroeg zich af hoe zijn vriend Mart deze situatie zou hebben aangepakt. Waarschijnlijk met een vriendschappelijk kneepje en een zoen en een opmerking waardoor ze in lachen zou uitbarsten, tot hij haar had overgehaald net als hij te denken. Maar Perijn wist dat hij met meisjes niet zo handig was als Mart. Mart zou nooit in de situatie komen dat hij een zweterige baard droeg, louter omdat een vrouw bedacht dat er haar op zijn gezicht moest zitten. Tenzij die vrouw misschien Faile was. Perijn had het vermoeden dat haar vader het diep moest hebben betreurd dat ze het huis uitging en niet alleen omdat ze zijn dochter was. Ze had beweerd dat hij de grootste bonthandelaar in Saldea was en Perijn kon zich goed voorstellen dat zij er altijd en overal de beste prijs voor kreeg.
‘Je zit ergens mee, Faile, en het is niet mijn baard. Wat is er?’ Haar gezicht werd waakzaam. Ze keek alle kanten op, niet naar hem, en gaf een minachtende beschrijving van de meubels in zijn kamer. Snijwerk van luipaarden en leeuwen, biddende haviken en jachttaferelen versierden alles vanaf de grote kleerkast en beddenposten die zo dik waren als zijn been tot aan de gevoerde bank voor de gedoofde haard en marmeren haardmantel. Sommige dieren hadden granaatrode ogen.
Hij had getracht de majiere te overtuigen dat hij een simpele kamer wenste, maar ze leek het niet te hebben begrepen. Niet dat ze dom was of traag van begrip. De majiere stond aan het hoofd van een leger bedienden dat in omvang groter was dan de Verdedigers van de Steen. Ze bekommerde zich niet om de bevelhebber of de verdedigers van de muren, maar zorgde voor de alledaagse zaken, waardoor iedereen zijn werk kon doen. Maar ze bezag de wereld met Tyreense ogen. Met zulke boerenkleren leek hij een jongen van het platteland, maar hij moest meer zijn, want gewone mensen werden nooit in de burcht ondergebracht – afgezien van de Verdedigers en bedienden natuurlijk. Bovendien hoorde hij bij Rhand, een vriend of een volgeling, zeker een persoon die ergens nauw met de Herrezen Draak was verbonden. Dat bracht hem voor de majiere minstens op dezelfde hoogte als een Heer van het Land, misschien wel een hoogheer. Ze vond het al meer dan schandelijk dat hij daar was ondergebracht, zonder een eigen zitkamer. Perijn dacht dat ze zou zijn bezwijmd als hij op een nog simpeler vertrek had gestaan. Als die er tenminste waren buiten de vleugels met de bedienden of van de Verdedigers. Hier was gelukkig niets verguld, met uitzondering van de kandelaren.
Maar Failes meningen waren niet de zijne. ‘Je had iets veel beters moeten krijgen. Je verdient het. Je kunt er je laatste penner om verwedden dat Mart iets beters heeft.’
‘Mart houdt van opsmuk,’ zei hij kortaf. ‘Je komt niet voor jezelf op.’
Hij reageerde er niet op. Het kwam evenmin door deze kamers, of vanwege zijn baard, dat hij haar onrust rook.
Even later zei ze: ‘De Drakenheer schijnt alle belangstelling voor je verloren te hebben. Hij wordt momenteel geheel in beslag genomen door de hoogheren.’
De jeuk tussen zijn schouderbladen werd erger; hij wist nu waar ze zich druk over maakte. Hij probeerde het luchtig te zeggen. ‘Drakenheer? Je klinkt als een Tyreense. Hij heet Rhand.’
‘Het is jouw vriend, Perijn Aybara, niet de mijne. Als zo’n man tenminste nog vrienden bezit.’ Ze haalde diep adem en sprak wat kalmer. ‘Ik heb zitten denken om uit de Steen weg te gaan. Uit Tyr te vertrekken. Ik denk niet dat Moiraine me tegen zal houden. Het nieuws over de... Rhand... heeft zich nu al twee weken lang kunnen verspreiden. Ze kan onmogelijk nog denken dat ze zijn bestaan verborgen kan houden.’ Hij kon nog net een nieuwe zucht tegenhouden. ‘Ik denk ook niet dat ze dat zal doen. Maar wat er ook gedacht wordt, ze zal jou als een lastige bijkomstigheid beschouwen. Ze zal je waarschijnlijk geld voor onderweg meegeven.’
Ze plantte haar vuisten op de heupen en ging vlak voor hem staan om op hem neer te kijken. ‘Is dat het enige dat je wilt zeggen?’
‘Wat wil je dan dat ik zeg? Dat ik wil dat je blijft?’ Hij hoorde zijn boze stem en schrok ervan. Hij was boos op zichzelf, niet op haar. Boos omdat hij hierop niet had gerekend, boos omdat hij niet wist wat hij moest doen. Hij wilde graag rustig over zaken na kunnen denken. Mensen ongewild pijn doen gebeurde gemakkelijk als je te haastig was. Dat had hij nu gedaan. Haar ogen waren groot van de schrik. Hij probeerde zijn woorden te verzachten, ik wil écht dat je blijft, Faile, maar misschien kun je beter vertrekken. Ik weet dat je geen lafaard bent, maar de Herrezen Draak en de Verzakers...’ Niet dat het ergens anders echt veilig was – niet lang meer, niet nu meer – maar er bestonden veiliger plekken dan de Steen. Voorlopig tenminste. Maar hij zou niet zo dom zijn haar dat zo voor te stellen.
Ze leek er echter niet om te geven hoe hij het zei. ‘Blijven? Het Licht verlichte me! Ik wil hier niet als een rotsblok blijven zitten, alles liever dan dat, maar...’ Ze knielde sierlijk voor hem neer en legde haar handen op zijn knieën. ‘Perijn, ik vraag me liever niet af wanneer er opeens een Verzaker uit een zijgang voor me staat en ik vraag me liever niet af wanneer de Herrezen Draak ons allen gaat doden. Dat heeft hij per slot van rekening toen ook gedaan, bij het Breken van de Wereld. Hij heeft iedereen in zijn buurt gedood.’
‘Rhand is geen Lews Therin Verwantslachter,’ protesteerde Perijn. ik bedoel, hij is de Herrezen Draak, maar hij is geen... hij zou nooit...’ Zijn stem stierf weg, hij wist niet wat hij verder moest zeggen. Rhand was de wedergeboren Lews Therin Telamon, dat betekende de Herrezen Draak feitelijk. Maar hield dat ook in dat Rhand gedoemd was het lot van Lews Therin te delen? Niet alleen door krankzinnig te worden – iedere man die geleidde, moest dat lot onder ogen zien, en daarna een wegterende dood – maar iedereen te doden die om hem gaf? ik heb met Bain en Chiad gepraat, Perijn.’
Dat was geen verrassing. Ze bracht behoorlijk veel tijd bij de Aielvrouwen door. Die vriendschap had ook enkele moeilijkheden veroorzaakt, maar ze leek de Aielvrouwen net zo graag te mogen als ze een hekel had aan de edelvrouwen in de Steen van Tyr. Hij zag echter geen verband met hun gesprek, en dat zei hij.
‘Ze zeggen dat Moiraine soms vraagt waar jij bent. Of waar Mart is. Begrijp je het niet? Dat zou ze niet hoeven te doen als ze jou met de Ene Kracht in het oog kon houden.’
‘Mij met de Kracht in het oog houden?’ zei hij zwakjes. Daar had hij nog nooit aan gedacht.
‘Dat kan ze niet. Ga met me mee, Perijn. We kunnen al twintig span aan de andere kant van de rivier zijn voor ze ons mist.’
‘Dat kan ik niet,’ zei hij verdrietig. Hij probeerde haar met een kus af te leiden, maar ze sprong overeind en stapte zo snel achteruit, dat hij bijna voorover duikelde. Het had geen zin achter haar aan te gaan. Ze had haar armen als een muur over elkaar geslagen. ‘Zeg me niet dat je bang bent voor haar. Ik weet dat ze een Aes Sedai is en dat ze jullie allemaal op de maat van haar wijsje laat dansen. Misschien heeft ze de... Rhand... zo vast verstrikt dat hij niet los kan komen en wellicht – het Licht mag het weten – Egwene en Elayne ook, en zelfs Nynaeve, al wil ze dat niet, maar je kunt die lijn verbreken als je dat probeert.’