Выбрать главу

Perijn zoog lucht in zijn longen; zijn rechterarm voelde aan alsof het gewicht van de hamer hem uit de kom zou trekken. Zijn gezicht brandde, iets nats droop van zijn zijde omlaag, en ook van zijn been, waar Trollokstaal hem geraakt had. De Aiel hadden minstens één vochtige donkere vlek in hun bruingrijze kleren, en Loial had een bloedige snede in zijn dij. Perijns ogen gingen hen voorbij en zochten Faile. Als ze gewond was geraakt... Ze zat op haar zwarte merrie met een mes in haar handen, klaar om te werpen. Ze was er zowaar in geslaagd om haar handschoenen uit te trekken en ze netjes achter zich in haar riem te steken. Hij kon geen wonden ontdekken. In al die verschillende geuren van bloed – van mensen, Ogier en Trolloks – had hij haar bloed niet geroken. Als ze al gebloed had. Maar hij kende haar geur en ze rook niet naar de pijn van een wond. Helder licht deed pijn aan de ogen van een Trollok, en ze pasten zich niet snel aan. Alleen daardoor waren ze waarschijnlijk nog in leven en alleen door die snelle overgang van duister naar licht waren de Trolloks nu dood. Meer tijd dan om rond te kijken en adem te halen werd hun niet gegund. Met een gierend gebrul, alsof er honderd pond beenderen door een enorme vleesmolen vermalen werd, sprong een Schim het licht in. Zijn oogloze blik was die van de dood, zijn zwarte zwaard flikkerde als bliksems. De paarden krijsten en probeerden te vluchten. Gaul kon de kling maar net met zijn schild afweren. Hij verloor een stuk aan de zijkant alsof de lagen van gelooid stierenleer slechts uit papier bestonden. Hij stak toe, weerde een slag af – maar net – en stak weer toe. Pijlen troffen de borst van de Myrddraal. Bain en Chiad hadden hun speren tussen de riemen van hun booghoezen gestoken en gebruikten hun hoornbogen. Nog meer pijlen staken als een speldenkussen in de borst van de Halfman. Gauls speer flitste en stak keer op keer toe. Een van Failes messen stond opeens in het gladde, wormwitte gezicht. De Schim wilde maar niet neergaan, hij bleef maar proberen hen te doden. Alleen de wildste sprongen voorkwamen dat zijn zwaard vlees trof.

Perijn ontblootte zijn tanden zonder dat hij het merkte. Hij haatte Trolloks als aartsvijanden, maar Nooitgeborenen...? Het was het waard te sterven om een Nooitgeborene te doden. Om mijn tanden in zijn keel te zetten... Hij gaf er niet om dat hij Bain en Chiad hinderde bij het schieten toen hij Stapper dichter naar de rug van de Nooitgeborene dreef en het tegenstribbelende paard met teugels en knieën dwong. Op het allerlaatste moment sprong het wezen uit Gauls buurt. Het voelde kennelijk de speer niet die tussen zijn schouderbladen stak en onder aan zijn keel te voorschijn kwam. Het monster staarde naar Perijn met die oogloze blik die elke levende ziel angst aanjoeg. Te laat. Perijns hamer kwam neer en verpletterde zowel het hoofd als de oogloze blik. Neergestort en bijna zonder hoofd vocht de Myrddraal toch nog door, en haalde uit met zijn Thakan’dar-kling. Stapper danste achteruit en brieste zenuwachtig, en plotseling voelde Perijn zich alsof hij in ijskoud water was ondergedompeld. Dat zwarte staal veroorzaakte wonden die zelfs Aes Sedai moeilijk konden helen, en hij was er zo maar op ingereden. Mijn tanden in zijn... Licht, ik moet mezelf in de hand houden. Ik moet!

Aan de andere kant van het eiland kon hij in de duisternis nog steeds gedempte geluiden horen; het gekletter van hoeven, het schrapen van laarzen, snuivend ademhalen en kelig gemompel. Nog meer Trolloks, hoewel hij niet kon zeggen hoeveel het er waren. Het was jammer dat ze niet aan de Myrddraal gebonden waren, maar misschien zouden ze zonder zijn dwang aarzelen om aan te vallen. Uit zichzelf waren Trolloks meestal lafaards, die er de voorkeur aan gaven hun voordeel te doen met een gemakkelijke prooi. Maar ook zonder Myrddraal konden ze zichzelf opzwepen om aan te vallen.

‘De poort,’ zei hij. ‘We moeten eruit voordat ze bedenken wat ze zonder dat daar moeten doen.’ Hij wees met zijn bebloede hamer naar de nog steeds stuiptrekkende Schim. Faile stuurde Zwaluw onmiddellijk die kant op en hij was zo verbaasd dat hij uitbracht: ‘Geen gebekvecht?’ Niet als je verstandig praat,’ zei ze. ‘Niet als je verstandig praat. Loial?’ De Ogier nam de leiding, gezeten op zijn grote, harige rijdier. Perijn stuurde Stapper achter Faile en Loial aan met de hamer in zijn hand en de Aiel aan zijn zijde, allen met gespannen boog. In de duisternis volgden schuifelende hoeven en laarzen, en ruw gegrom in een taal die te rauw voor mensentongen was. Het gegrom kwam langzaam dichterbij, vatte moed.

Ten ander geluid drong tot Perijn door, als een zucht van zijde over iijde. Het deed hem huiveren. Het werd harder als de verre ademhaling van een reus, hoger, lager, hoger, lager. ‘Haast je!’ schreeuwde hij. Haast je!’

‘Dat doe ik al,’ blafte Loial. ik... Dat geluid! Is het...? Het Licht verlichte onze zielen en de hand van de Schepper behoede ons! Hij gaat open! Ik moet als laatste. Eruit! Eruit! Maar niet te... Faile! Nee!’ Perijn waagde een blik over zijn schouder. Twee poorthelften die uit levende bladeren leken te bestaan, zwaaiden langzaam open en boden een blik op een berglandschap, als door berookt glas. Loial was afgestapt om met het Avendesorablad de poort te openen, terwijl Faile de teugels van zijn grote rijdier en de pakdieren vasthield. Ze riep: ‘Volg me! Snel!’ en schopte tegen Zwaluws ribben. De merrie sprong op de opening af.

‘Achter haar aan,’ zei Perijn tegen de Aiel. ‘Haast je! Hiertegen kunnen jullie het niet opnemen.’ Ze aarzelden slechts een hartenklop voordat ze zich wijselijk terugtrokken. Gaul greep de leidsels van het pakpaard. Stapper kwam op gelijke hoogte met Loial. ‘Kun je de poort op de een of andere manier afsluiten? Versperren?’ In het grauwe gegrom was een toon van angstige haast doorgedrongen; de Trolloks hadden het geluid nu ook herkend. Machin Shin kwam eraan. Om in leven te blijven moest je van de saidinwegen af zijn.

Perijn stuurde Stapper snel terug naar de poort, maar voor hij wist wat hij deed, wierp hij zijn hoofd in de nek en huilde, tartend en uitdagend. Dwaas, dwaas, dwaas! Maar hij hield zijn ogen op de diepe duisternis gericht en stuurde Stapper de poort in. Een ijzige golf gleed haartje voor haartje door hem heen en de tijd rekte zich uit. De schok die hem raakte toen hij de wegen verliet, was alsof hij in één tel van galop naar stapvoets was gegaan. ‘Ja,’ zei Loial. ‘Ja. Maar ga nu. Ga!’

De Aiel draaiden zich om naar de saidinpoort en verspreidden zich met hun boog in de aanslag over de helling, tussen lage bosjes en dwergbomen, tussen door de wind vervormde pijnbomen, sparren en lederbladbomen. Faile was uit Zwaluws zadel getuimeld en kwam net weer overeind, terwijl de zwarte merrie haar besnuffelde. Uit een saidinpoort galopperen was minstens even erg als erin duiken; ze had geluk dat ze haar eigen nek en die van haar paard niet gebroken had. Loials grote ros en haar pakpaarden trilden, alsof ze een klap tussen de ogen gekregen hadden. Perijn wilde wat zeggen, maar ze staarde hem nijdig en uitdagend aan als hij het waagde iets te zeggen, het minst van al een woord van medeleven. Hij grijnsde droog en hield zich wijselijk stil.