‘Ik kan wel een aangename verrassing gebruiken.’ Perijn tastte opnieuw rond naar wolven, maar vond weer niets, ik zou vannacht misschien iets kunnen uitzoeken. Als hier iets gebeurt, zul je me misschien wakker moeten schoppen.’ Hij besefte dat het nogal vreemd klonk, maar Gaul knikte slechts. ‘Gaul, je hebt nog nooit mijn ogen genoemd, of er zelfs maar twee keer naar gekeken. Geen enkele Aiel heeft dat gedaan.’ Hij wist dat ze gloeiden als goud in het licht van de vlammen. ‘De wereld verandert,’ zei Gaul rustig. ‘Rhuarc, Jheran, mijn eigen stamhoofd, en ook de Wijzen probeerden het te verbergen, toen ze ons over de Drakenmuur zonden om te zoeken naar Hij die komt met de dageraad. Ik geloof dat die verandering misschien anders is dan we altijd hebben aangenomen. Ik weet niet hoe anders, maar het zal anders zijn. De Schepper heeft ons in het Drievoudige Land geplaatst, zowel om ons te vormen als om ons voor onze zonden te straffen, maar waartoe worden wij gevormd?’ Onverwachts schudde hij spijtig zijn hoofd. ‘Colinda, de Wijze van Hetebronveste, heeft me gezegd dat ik te veel nadenk voor een Steenhond, en Bair, de oudste Wijze van de Shaarad, dreigt me naar Rhuidean te sturen wanneer Jheran sterft, of ik nu wil of niet. Los daarvan, Perijn, wat doet het ertoe welke kleur ogen een man heeft?’
‘Ik wou dat iedereen er zo over dacht.’ Bij het andere vuur waren ze eindelijk uitgelachen. Een van de Aielvrouwen – Perijn kon niet zien wie het was – nam de eerste wacht, met haar rug naar het vuur. De rest had zich te slapen gelegd. Het was een vermoeiende dag geweest. De slaap zou snel komen, en daarmee de droom die hij nodig had. Hij strekte zich uit naast het vuur en trok de mantel om zich heen. ‘Vergeet het niet; schop me wakker als het nodig is.’ De slaap omarmde hem terwijl Gaul nog knikte, en de droom kwam meteen.
Het was dag, en hij stond alleen bij de saidinpoort, die eruitzag als een fraai bewerkt stuk muur, onopvallend op de berghelling. Verder was aan niets anders te zien dat ooit een menselijk wezen op deze helling een voet had gezet. De lucht was helder en goed, en een zacht briesje vanuit het dal bracht hem de geur van herten en konijnen, kwartels en duiven, duizend verschillende geuren van water en aarde en bomen. Dit was de wolfsdroom.
Heel even golfde het gevoel een wolf te zijn door hem heen. Hij had klauwen en... Néé! Hij gleed met zijn handen over zijn lichaam en voelde opgelucht slechts zijn eigen lichaam, zijn eigen kleren en mantel. En de brede riem waar gewoonlijk zijn bijl aan hing, maar in plaats daarvan stak nu de hamersteel door de lus.
Hij was er verbaasd over, en heel kort flikkerde tot zijn verrassing de bijl erdoorheen, wazig en mistig. Ineens was het de hamer weer. Hij likte zijn lippen en hoopte dat het zo zou blijven. De bijl mocht een beter wapen zijn, maar hij gaf de voorkeur aan de hamer. Hij kon zich niet herinneren dat zoiets ooit eerder gebeurd was, iets wat veranderde, maar hij wist weinig van deze vreemde plaats af. Als het al een plaats genoemd kon worden. Het was de wolfsdroom en daar gebeurden vreemde dingen in, net zo vreemd als in gewone dromen. Het was alsof het denken aan vreemde dingen er een opriep; plotseling verduisterde bij de bergen een stuk van de hemel en werd het een ‘venster’ naar iets anders. Daar stond Rhand temidden van wervelende stormwinden. Hij lachte wild, krankzinnig zelfs, met opgeheven armen, en op de winden rezen kleine gestalten, goud en scharlaken, zoals het vreemde wezen op de Drakenbanier. Verborgen ogen sloegen Rhand gade en hij kon niet zien of Rhand dit wist. Het venster verdween, werd vervangen door een ander, verder weg, waarachter Nynaeve en Elayne door een verwrongen landschap slopen, met draaierige gebouwen vol schaduwen, op jacht naar een of ander gevaarlijk beest. Perijn kon niet zeggen hoe hij wist dat het gevaarlijk was; hij wist het gewoon. Dat venster verdween en een andere donkere plek verspreidde zich over de hemel. Daar stond Mart op een kruispunt waar het pad voor hem zich in tweeën splitste. Hij gooide een munt op en liep verder over een van de paden, en opeens droeg hij een breedgerand hoofddeksel en liep hij met een staf in de ene en een kort zwaard in de andere hand. Weer een ander venster, waarachter Egwene en een vrouw met lang wit haar hem verrast aanstaarden terwijl achter hen de Witte Toren steen voor steen in elkaar zakte. Toen waren ook zij verdwenen. Perijn haalde diep adem. Hij had dit soort vensters eerder gezien, in een wolfsdroom, en hij geloofde dat deze waarnemingen op de een of andere manier echt waren, of iets betekenden. Wat het ook was, de wolven zagen ze nooit. Moiraine had geopperd dat de wolfsdroom hetzelfde was als iets wat Tel’aran’rhiod heette, waarna ze er niets meer over kwijt wilde. Hij had Egwene en Elayne ooit eens horen spreken over dromen, maar Egwene wist al te veel van hem, misschien wel net zoveel als Moiraine. En hierover kon hij niet praten, zelfs niet met haar. Er was één persoon met wie hij had kunnen praten. Hij wenste dat hij Elyas Machera kon vinden, de man die hem met de wolven had laten kennismaken. Elyas moest meer van deze zaken weten. Toen hij aan de man dacht, was het net alsof hij heel even zijn naam zacht in de wind hoorde fluisteren, maar toen hij luisterde, was het alleen maar de wind. Het was een eenzaam geluid. Hier was hij alleen. ‘Springer!’ riep hij, en in zijn geest: Springer! De wolf was dood, en op deze plaats ook weer niet. Wolven verbleven in de wolfsdroom wanneer ze doodgingen, wachtend tot ze opnieuw geboren zouden worden. Voor wolven was het meer dan dat; ze leken zich op de een of andere manier bewust van de droom, zelfs als ze wakker waren. Voor hen was de droom bijna net zo werkelijk als het leven; misschien was er voor hen geen verschil. ‘Springer!’ Springer! Maar Springer kwam niet. Hier had hij niets aan. Hij was hier om een bepaalde reden en hij kon er net zo goed mee doorgaan. Het zou hem zeker uren kosten om op de plek van de raven te komen.
Hij nam een stap en het landschap vervaagde. Zijn voet kwam neer naast een smal beekje tussen Kandoraanse dennen en bergwilgen, waarboven de wolkentoppen oprezen. Even staarde hij in verbazing rond. Hij was aan de andere kant van de vallei, tegenover de saidinpoort. Juister gezegd: hij stond precies op de plek waar hij naartoe had willen gaan, de plek waar de raven vandaan gekomen waren en waar de pijl was afgeschoten die de eerste havik had gedood. Zoiets was hem nog nooit eerder overkomen. Leerde hij meer van de wolfsdroom -Springer had altijd gezegd dat hij onwetend was – of was het deze keer anders?
Bij zijn volgende stap was hij voorzichtiger, maar het was slechts een stap. Niets duidde op de aanwezigheid van een boogschutter of van raven, geen spoor, geen veer, geen geur. Hij wist eigenlijk niet wat hij moest verwachten. Er zou ook geen teken zijn, tenzij ze ook in de droom geweest waren. Maar als hij wolven in de droom kon vinden, konden zij hem helpen om hun broeders en zusters te vinden in de wakende wereld, en die wolven konden hem zeggen of er Schaduwgebroed in de bergen was. Misschien konden ze hem horen roepen als hij hoger stond.
Hij vestigde zijn blik op de hoogste top aan de rand van de vallei, net onder de wolken, en deed een stap. De wereld vervaagde en hij stond op de berghelling, met de witte wolken nog geen vijf stap boven hem. Onwillekeurig lachte hij. Dit was leuk. Van hieruit kon hij het hele dal voor zich zien liggen. ‘Springer!’ Geen antwoord.
Hij sprong naar de volgende berg, en riep, en naar de volgende en de volgende, naar het oosten, naar Tweewater. Springer gaf geen antwoord. Perijn maakte er zich meer zorgen om dat er ook helemaal geen andere wolven waren. Er waren altijd wolven in de wolfsdroom. Altijd. Hij sprong van piek naar piek, roepend, zoekend. De bergen lagen leeg onder hem, afgezien van herten en ander wild. Toch waren er soms aanwijzingen van andere mensen. Twee keer waren het enorme, uitgehakte gestalten die bijna een hele berghelling in beslag namen, en ergens anders waren het vreemde, hoekige, twaalf voet hoge letters die waren uitgehouwen in een rotswand die net iets te glad en groot was om natuurlijk te zijn. Het weer had de gezichten van de gestalten verweerd, en minder scherpe ogen dan de zijne hadden de lettertekens zelf voor het werk van wind en regen gehouden. De bergen en rotsen maakten plaats voor de Zandheuvels, grote, golvende heuvels die spaarzaam bedekt waren met taai gras en koppige struiken. Voor het Breken had hier de kust van een grote zee gelegen. En plotseling zag hij een andere man, boven op een andere heuvel.