Выбрать главу

De gestalte was te ver weg om duidelijk te zien; het was een lange, donkerharige man, zeker geen Trollok of zoiets, in een blauwe mantel en met een boog op zijn rug. Hij boog zich over iets op de grond, wat niet te zien was door het lage struikgewas. Maar er was iets bekends aan hem.

De wind werd sterker en Perijn ving zijn vage geur op. Een koude geur, dat was de enige manier om het te beschrijven. Koud, en niet echt menselijk. Plotseling had hij zijn eigen boog in de hand en een pijl gespannen. Het gewicht van een gevulde pijlkoker trok aan zijn riem. De andere man keek op en zag Perijn. Een hartenklop lang aarzelde hij, draaide zich toen om en werd een vage streep, die over de heuvels wegsnelde.

Perijn sprong omlaag tot waar de man had gestaan en staarde naar wat hem had beziggehouden. Zonder nadenken schoot hij hem achterna, een half gevilde dode wolf achterlatend. Een dode wolf in de wolfsdroom. Het was ondenkbaar. Wat kon hier een wolf doden? Iets kwaadaardigs.

Zijn prooi rende voor hem uit in stappen van hele spannen, altijd net buiten zijn bereik. Over de heuvels ging het, door het woeste Westwoud met de wijdverspreide boerderijen, over braakliggend akkerland, over een lappendeken van akkers en kleine bosjes, en over Wachtheuvel. Het was vreemd om op de heuvel de rieten daken van de dorpshuizen te zien zonder mensen op straat, en boerderijen die erbij stonden alsof ze verlaten waren. Maar hij hield zijn oog gericht op de vluchtende man voor hem. Hij wende zo snel aan deze achtervolging dat hij helemaal niet verrast was dat een enkele sprong hem op de zuidoever van de Taren bracht, en de volgende temidden van kale heuvels zonder bomen of gras. Noordwaarts en oostwaarts rende hij, over stromen, wegen, dorpen en rivieren, terwijl hij de man voor hem in het oog hield. Het land werd vlak en grasachtig, met hier en daar verspreide boomgroepjes, zonder een spoor van de man. Toen glinsterde er iets voor hem, wat schitterde in de zon; een metalen toren. Zijn prooi vloog er recht op af en verdween. Twee sprongen brachten Perijn eveneens op die plek.

De toren rees tweehonderd voet omhoog en was veertig voet dik. Hij glom als gepolijst staal. Het had net zo goed een massieve metalen zuil kunnen zijn. Perijn liep er twee keer omheen zonder dat hij een opening zag, geen enkele spleet, geen enkele aanwijzing op die glanzende, hoog oprijzende muur. Maar hier hing wel die lucht, die kille, onmenselijke stank. Hier eindigde het spoor. De man – als het een man was – was op de een of andere manier naar binnen gegaan. Hij moest er alleen achter zien te komen hoe hij hem kon volgen. Stop! Het was een rauwe golf van gevoelens, waar Perijns geest een woord van maakte. Stop!

Hij draaide zich om en een grote grijze wolf streek neer, alsof hij uit de lucht kwam neerdalen. Dat kon heel goed het geval zijn. Springer was altijd jaloers geweest op het vliegen van adelaars, en hier kon hij ook vliegen. Hij reikte tot Perijns middel, vergrijsd en overdekt met littekens. Gele ogen keken in gele ogen.

‘Waarom zou ik stoppen, Springer? Hij heeft een wolf gedood.’ Mensen hebben wolven gedood, en wolven mensen. Waarom grijpt de woede je deze keer als vuur bij de keel?

‘Ik weet het niet,’ zei Perijn langzaam. ‘Misschien omdat het hier was. Ik wist niet dat het mogelijk was om hier een wolf te doden. Ik dacht dat wolven veilig waren in de droom.’

Je jaagt op Slachter, Jonge Stier. Hij is hier, in het vlees, en hij kan doden.

‘In het vlees? Bedoel je dat hij dit niet droomt? Hoe kan hij hier in het vlees zijn?’

Ik weet het niet. Het is iets wat vaag herinnert aan lang geleden, iets wat weer bestaat, zoals zoveel meer. Wezens van de Schaduw bevolken nu de droom. Schepsels van Hartsvanger. Er is geen veiligheid meer.

‘Nou, hij is hierbinnen.’ Perijn onderzocht de gladmetalen toren. ‘Als ik kan ontdekken hoe hij erin is gekomen, kan ik een eind aan hem maken.’

Welpendwaasheid, om het nest van een grondwesp uit te graven. Deze plek is slecht. Iedereen weet dit. En jij bent van plan kwaad binnen kwaad na te jagen. Slachter kan doden.

Perijn hield op. Zijn gevoel duidde op een einde, waar zijn geest het woord ‘doden’ aan gaf. ‘Springer, wat gebeurt er met een wolf die sterft in de droom?’

De wolf bleef een tijdlang stil. Als we hier sterven, sterven we voor altijd, Jonge Stier. Ik weet niet of dat ook voor jou geldt, maar ik denk het wel.

‘Een gevaarlijke plaats, boogschutter. De Toren van Ghenjei is een slechte plaats voor menselijke wezens.’

Perijn tolde rond en had zijn boog al omhoog voor hij de vrouw zag die een paar passen van hem af stond. Ze droeg haar gouden haren in een dikke vlecht die tot haar middel reikte, bijna zoals de vrouwen het in Tweewater droegen. Haar kleren waren merkwaardig; een korte, witte jas en een omvangrijke broek van een of andere dunne, bleekgele stof, die boven korte laarsjes bij de enkels samengebonden was. Haar donkere mantel scheen iets te verbergen dat zilverachtig aan haar zijde glinsterde.

Ze verschoof iets en de metalen glinstering verdween. ‘Je hebt scherpe ogen, boogschutter. Ik dacht het wel, de eerste keer dat ik je zag.’ Hoe lang had ze staan kijken? Het bracht hem in verlegenheid dat ze hem had kunnen besluipen zonder dat hij iets gehoord had. Springer had hem toch minstens kunnen waarschuwen. De wolf lag met de kop op zijn voorpoten in het kniehoge gras en keek naar hem. De vrouw kwam hem vaag bekend voor, hoewel Perijn er zeker van was dat hij haar herkend zou hebben als hij haar ooit eerder ontmoet had. Wie was ze, dat ze in de wolfsdroom kon verschijnen? Of was dit ook Moiraines Tel’aran’rhiod? ‘Ben je een Aes Sedai?’

‘Nee, schutter.’ Ze lachte, ik kwam je slechts waarschuwen, ondanks de regels. Wanneer men de Toren van Ghenjei eenmaal betreden heeft, is het in de mensenwereld al moeilijk genoeg om er weer uit te komen. Hier is het bijna onmogelijk. Je hebt de moed van een vaandrager, waarvan sommigen zeggen dat die niet kan worden onderscheiden van dwaasheid.’

Onmogelijk om er weer uit te komen? Die man – Slachter – was er zeker ingegaan. Waarom zou hij dat doen als hij er niet uit kon komen? ‘Springer zei ook al dat het gevaarlijk is. De Toren van Ghenjei? Wat is het?’

Haar ogen werden groot en ze keek even naar Springer, die nog steeds gestrekt in het gras lag. Hij negeerde haar en bleef naar Perijn kijken. ‘Kun jij met wolven praten? Dat is iets wat sinds oeroude tijden verloren is gegaan. Dus daarom ben je hier. Ik had het moeten weten. De toren? Het is een doorgang, schutter, naar de rijken van de Aelfinn en de Eelfinn.’ Ze sprak de namen uit alsof hij ze zou moeten herkennen. Toen hij haar niet-begrijpend aankeek, zei ze: ‘Heb je ooit Slangen en Vossen gespeeld?’

‘Alle kinderen spelen het, tenminste in Tweewater. Maar ze spelen het niet meer als ze oud genoeg zijn om te beseffen dat je met geen mogelijkheid kunt winnen.’

‘Behalve als je de regels breekt,’ zei ze. ‘Moed voor versterking, vuur voor verblinding, muziek voor verbijstering, ijzer voor binding.’

‘Dat is een van de spelregels. Ik begrijp het niet. Wat heeft dat met deze toren te maken?’

‘Dat zijn de manieren om te winnen van de slangen en de vossen. Het spel is een herinnering aan oude banden met hen. Het maakt niet uit, zolang je maar uit de buurt blijft van de Aelfinn en de Eelfinn. Ze zijn niet kwaadaardig, zoals de Schaduw dat is, maar ze verschillen zoveel van de mensheid dat ze net zo goed slecht konden zijn. Ze zijn niet te vertrouwen, boogschutter. Blijf weg van de Toren van Ghenjei. Vermijd de Wereld der Dromen, als je kunt. Duistere dingen bewandelen haar nu.’