‘Zoals de man waar ik op joeg? Slachter?’
‘Een passende naam. Deze Slachter is niet oud, boogschutter, maar zijn kwaad is oeroud.’ Het leek bijna of ze op iets onzichtbaars leunde, misschien wel dat zilveren voorwerp dat hij niet goed had kunnen zien. ik schijn je een hoop te vertellen. Ik begrijp niet eens waarom ik je aansprak. Ach, natuurlijk. Ben je ta’veren, schutter?’
‘Wie ben je?’ Ze leek een heleboel te weten over de toren en de wolfsdroom. ik geloof dat ik je eerder ontmoet heb...’
‘Ik heb al te veel voorschriften gebroken, boogschutter.’
‘Voorschriften? Welke voorschriften?’ Achter Springer viel een schaduw op de grond en Perijn draaide zich snel om, nijdig omdat hij opnieuw verrast was. Er was niemand. Maar hij had het gezien; de schaduw van een man met boven zijn schouders de gevesten van twee zwaarden. Iets aan dat beeld knaagde aan zijn geheugen. ‘Hij heeft gelijk,’ zei de vrouw achter hem. ‘Ik zou niet met je moeten praten.’
Toen hij zich omdraaide, was ze verdwenen. Hij zag slechts grasland en verspreide bosjes. En de glimmende zilveren toren. Hij keek fronsend naar Springer, die eindelijk zijn kop oplichtte. ‘Het mag een wonder heten dat je niet door eekhoorns wordt aangevallen,’ bromde Perijn. ‘Wat dacht jij van haar?’
Haar. Een ‘zij’? Springer kwam overeind en keek om zich heen. Waar? ‘Ik praatte met haar. Hier. Nu.’
Je maakte geluiden tegen de wind, Jonge Stier. Er was geen ‘zij’ hier. Alleen jij en ik.
Perijn krabde geërgerd aan zijn baard. Ze was hier geweest. Hij had niet in zichzelf staan praten. ‘Er kunnen hier vreemde dingen gebeuren,’ zei hij tegen zichzelf. ‘Ze is het met jou eens, Springer. Ze zei me weg te blijven van die toren.’
Ze is wijs. Er lag iets van twijfel in die gedachte; Springer geloofde nog steeds niet dat er een ‘zij’ geweest was.
‘Ik ben behoorlijk afgedwaald van wat ik van plan was,’ mompelde Perijn. Hij legde uit waarom hij wolven in Tweewater moest zien te vinden, of in de bergen erboven. Hij vertelde over de raven en de Trolloks op de saidinwegen.
Toen hij uitverteld was, bleef Springer een lange tijd stil. Zijn langharige staart hing laag en stijf. Ten slotte... Vermijd je oude thuis, Jonge Stier. Het beeld dat Perijns geest ‘thuis’ noemde, was het jachtgebied van een wolvenpak. Er zijn daar nu geen wolven. Die er waren en niet vluchtten, zijn dood. Slachter bewandelt de droom. ik moet naar huis, Springer. Ik moet.’
Wees voorzichtig, Jonge Stier. De dag van de Laatste Jacht nadert. We zullen samen jagen in de Laatste Jacht.
‘Dat zullen we,’ zei Perijn triest. Het zou fijn zijn als hij hier naartoe kon komen als hij dood zou gaan; soms leek het alsof hij al een halve wolf was. ik moet gaan, Springer.’
Een goede jacht, Jonge Stier, en een gezellin om je welpen te geven. ‘Vaarwel, Springer.’
Hij opende zijn ogen op de berghelling in het vage licht van dovende kooltjes. Gaul zat juist buiten de lichtkring gehurkt, wakend in de nacht. In het andere kamp was Faile voor haar wacht overeind gekomen. De maan hing boven de bergtoppen en veranderde de wolken in parelgrijze schaduwen. Perijn schatte dat hij een paar uur geslapen had. ik hou een tijdje de wacht,’ zei hij, en wierp zijn mantel af. Gaul knikte en legde zich ter plekke op de grond. ‘Gaul?’ De Aiel hief zijn hoofd op. ‘Het is misschien erger in Tweewater dan ik dacht.’
‘Dat zijn de dingen vaak,’ zei Gaul rustig. ‘Zo is het leven.’ De Aiel legde kalm zijn hoofd neer om te slapen.
Slachter. Wie was hij? Wat was hij? Schaduwgebroed op de saidinwegen, raven in de Mistbergen en deze Slachter in Tweewater. Het kon geen toeval zijn, hoe graag hij dat ook zou wensen.
29
Thuiskomst
De reis uit de bergen en over de Zandheuvels het Westwoud in, die hem in de wolfsdroom misschien enkele stappen had gekost, nam te paard drie lange dagen in beslag. De Aiel hadden geen moeite om bij te blijven, maar de dieren konden niet echt sneller, aangezien de weg heuvel op heuvel af voerde. Perijns wonden genazen en jeukten verschrikkelijk. De zalf van Faile leek te werken.
Het was een rustige tocht, die vaker werd onderbroken door het gekef van jagende vossen of de schallende roep van een havik dan door woorden. Ze zagen gelukkig geen raven meer. Meermalen dacht hij dat Faile haar merrie naar hem toe wilde sturen, van plan was iets tegen hem te zeggen, maar telkens wist ze zichzelf in te houden. Hij was er blij om; hij wilde verschrikkelijk graag met haar praten, maar wat moest hij doen om het weer goed te maken? Hij verweet het zichzelf dat hij ernaar verlangde. Ze had Loial bedrogen en ze had hem bedrogen. Ze zou alles alleen maar zwaarder en moeilijker maken. Hij wilde haar dolgraag weer kussen. Hij wilde dolgraag dat ze besloot dat ze genoeg van hem had en zou vertrekken. Waarom moest ze ook zo koppig zijn?
Zij en haar twee Aielvrouwen hielden zich afzijdig. Bain en Chiad stapten aan weerskanten van Zwaluw mee, als de een of de ander niet voor hen uittrok. Soms waren de drie vrouwen zachtjes met elkaar aan het praten, waarna ze hem zo opzettelijk niet aankeken dat ze net zo goed stenen hadden kunnen gooien. Op Perijns verzoek reed Loial bij hen, hoewel de hele toestand hem duidelijk ontzettend van streek maakte. Loials oren bewogen op en neer alsof hij liever nooit van mensen had willen horen. Gaul leek alles geweldig vermakelijk te vinden; iedere keer als Perijn naar hem keek, leek hij inwendig te grijnzen. Wat hemzelf betrof, Perijn ging helemaal op in zijn zorgen en hield zijn gespannen boog gereed op de hoge zadelboog. Die man die Slachter werd genoemd, zwierf die alleen in de wolfsdroom door Tweewater of bestond hij ook in de echte wereld? Perijn vermoedde het laatste en eveneens dat Slachter inderdaad zonder enige reden die havik had neergeschoten. Naast de Kinderen van het Licht vormde hij een nieuwe zorg waar hij buiten kon.
Zijn familie woonde vlak bij het Waterwold, in een boerderij met veel bijgebouwen, op ruim een halve dag rijden aan de andere kant van Emondsveld. Hij zou zijn kleine negenjarige broertje Peetram terugzien, die nu ongetwijfeld nog feller zou protesteren als hij een kind werd genoemd. En zijn zus Deselle, een stevige twaalfjarige, en de zestienjarige Adora, die inmiddels wel een vlecht zou dragen. Oom Ewar, de broer van zijn vader, en zijn forse tante Magde, die heel veel van haar man weg had, en hun kinderen. Oudtante Alsine, die nooit was getrouwd, met haar scherpe neus en nog scherpere ogen, die alles zagen wat er spannen in het rond gebeurde. Toen hij eenmaal in de leer was gegaan bij baas Lohan, had hij ze alleen op feestdagen gezien, want de afstand was te groot geweest om zo nu en dan aan te wippen en bovendien was er veel werk in de smidse. Als de Witmantels op zoek waren naar Aybara’s, konden ze die gemakkelijk vinden. Hij moest aan hén denken, niet aan die Slachter. Hij kon niet alles tegelijk. Zijn familie beschermen, Faile beschermen. Dat was het voornaamste. Daarna kwamen het dorp, de wolven en dan pas die Slachter. Een man kon niet alles tegelijk.
Rond hem rees het Westwoud op van een rotsige bodem, onderbroken door rotsgevaarten, begroeid met braamstruiken, een hard, dicht bebost land met weinig boerderijen en paden. Hij had als kind vaak in deze woeste wouden rondgezworven, alleen of met Rhand en Mart, op jacht met de boog of de slinger en vallen gezet voor konijnen. Of hij had er gewoon gezworven, omwille van het rondtrekken. Eekhoorns met dikke staarten tjitterden in de bomen, gespikkelde lijsters zongen op takken en werden nagebootst door zwartvleugelige spotvogels, kwartels met blauwe ruggen sprongen voor de reizigers opeens uit de struiken weg – en dit alles vertelde hem dat hij bijna thuis was. Het omgewoelde zand onder de paardenhoeven betekende al een herkenning.