Выбрать главу

Hij had recht naar Emondsveld kunnen rijden, maar sloeg in het Westwoud af naar het noorden, waar hij het brede ongelijke spoor kruiste dat de Steengroeveweg werd genoemd toen de zon al op weg was naar de boomtoppen. Dat ‘steengroeve’ snapte niemand in Tweewater en het leek al helemaal geen weg, dichtgegroeid met onkruid, zonder bomen, zodat je het spoor niet eens zag, tot je de dichtgegroeide karrensporen zag van wagens die daar al vele jaren hadden gereden. Soms kwamen stukken van de vroegere bestrating naar boven. Misschien had de weg in de tijd van Manetheren naar een steengroeve geleid. De boerderij die Perijn zocht, lag niet ver van die weg, achter vele rijen appel- en perenbomen waaraan het fruit nu rijpte. Hij rook de boerderij al voor hij hem zag. De stank van allang verkoold hout; die lucht zou zeker een heel jaar blijven hangen.

Aan de bosrand trok hij de teugels aan en bleef zitten kijken, voor hij verder reed naar wat vroeger de Altor-boerderij was geweest, het pakpaard achter zijn grijsbruine paard meevoerend. Alleen de stenen muren rond de schapenwei stonden er nog; het open traliehek hing nog maar aan één scharnier. De met roet bevlekte schoorsteen van het huis wierp een schuine schaduw over de puinhoop van verbrande balken. Ook van de schuur en tobakdrogerij restten slechts as. Onkruid verstikte het tobakveld en de moestuin en de tuin leken helemaal vertrapt. Wat geen zaagblad of veerpluim was, lag er dood en plat bij. Hij legde geen pijl aan. De brand was al weken oud, het verbrande hout glibberig en grauw door regenbuien. Smoorkruid had bijna een maand nodig om die hoogte te bereiken. Het had zelfs de ploeg en de eg naast de akker overwoekerd. Onder de smalle lichtgroene blaadjes zag hij roest.

De Aiel speurden echter behoedzaam rond, hun speren waren gereed en hun ogen bekeken waakzaam de grond terwijl ze in de as porden. Toen Bain uit de puinhopen van het huis klauterde, keek ze Perijn aan en schudde haar hoofd. Gelukkig, Tham Altor was hier niet gestorven.

Ze weten bet. Ze weten het, Rhand. Je had mee moeten komen. Hij wilde Stapper aanzetten voor een woeste rit naar de boerderij van zijn familie, maar wist zich met moeite te beheersen. Zelfs Stapper zou op zo’n afstand dood neervallen als hij dat probeerde. Misschien was dit Trollokwerk. En als het Trolloks waren, misschien was zijn familie dan nog steeds veilig op hun boerderij aan het werk. Hij haalde diep adem, maar de roetlucht onderdrukte elke andere geur. Gaul kwam naast hem staan. ‘Wie dit ook heeft gedaan, ze zijn allang weg. Ze hebben enkele schapen gedood en de rest verjaagd. Later heeft iemand de kudde verzameld en naar het noorden gedreven. Twee man, denk ik, maar de sporen zijn te oud om er zeker van te zijn.’ is te zien wie dit gedaan heeft?’ Gaul schudde zijn hoofd. Het konden Trolloks geweest zijn. Vreemd dat hij dat het liefst had. En stom. De Witmantels kenden zijn naam en blijkbaar ook die van Rhand. Ze kennen mijn naam. Hij keek naar de asresten van de Altor-boerderij en Stapper bewoog toen de teugels in zijn handen trilden. Loial was aan de rand van de fruitbomen afgestapt; zijn hoofd stak tussen de laagste takken. Faile reed naar Perijn toe en keek hem scherp aan, terwijl haar merrie voorzichtige stapjes maakte, is dit...? Ken je de mensen die hier woonden?’

‘Rhand en zijn vader.’

‘O. Ik dacht dat het misschien...’ Haar opluchting en het medeleven in haar stem maakten de zin voor hem af. ‘Wonen jouw vader en moeder hier dichtbij?’

‘Nee,’ zei hij kortaf en ze trok haar hoofd in alsof hij haar sloeg. Ze bleef hem echter afwachtend aankijken. Wat moest hij in Lichtsnaam doen om haar weg te krijgen? Meer dan hij kon opbrengen, als het hem nu nog niet was gelukt.

De schaduwen werden langer en de zon raakte de rand van de boomkruinen. Hij wendde Stapper en keerde haar ruw zijn rug toe. ‘Gaul, we moeten vannacht maar hier in de buurt het kamp opslaan. Ik wil morgenochtend vroeg vertrekken.’ Hij keek even snel om. Faile reed terug naar Loial, stijf rechtop in het zadel, in Emondsveld zullen ze wel weten...’ Waar de Witmantels zaten, zodat hij zich kon aangeven voor die zijn familie iets aandeden. Als ze tenminste nog gezond en wel waren. Als de boerderij waar hij was geboren, er niet al uitzag als Rhands huis. Nee. Hij zou vast nog wel op tijd zijn om dat te voorkomen. ‘Zij weten hoe de toestand is.’

‘Goed dan, vroeg.’ Gaul aarzelde. ‘Daarmee krijg je haar niet weg. Dat meisje is bijna een Far Dareis Mai, en als een Speervrouwe van je houdt, kun je haar nooit ontkomen, al hol je nog zo hard.’

‘Laat de zorgen over Faile maar aan mij over.’ Hij ging wat zachter praten, want hij wilde Gaul niet kwijt. ‘Heel vroeg. Wanneer Faile nog slaapt.’

Beide kampen onder de appelbomen bleven die nacht stil. Zo nu en dan stond er een Aielvrouw op om te zorgen voor het kleine vuur waar Gaul en hij bij zaten, maar het geroep van een uil en het geschraap van paardenhoeven waren de enige geluiden. Perijn kon niet slapen en ruim voor het eerste licht glipten Gaul en hij bij het ondergaan van de volle maan weg. De Aiel was heel stil op zijn zachte laarzen en de paarden maakten slechts weinig meer lawaai. Bain of Chiad zag hen vertrekken. Hij wist niet wie, maar ze wekte Faile niet en daar was hij dankbaar voor.

De zon stond al ruim boven de horizon toen ze het Westwoud iets ten zuiden van het dorp uit kwamen, tussen karrensporen en paden die voor het merendeel waren omgeven door heggen of lage muurtjes van ruwsteen. Rook vormde grijze veerpluimpjes boven de schoorstenen van de boerderijen; een baklucht duidde aan dat de huisvrouwen met het ochtendmaal bezig waren. Er waren hier en daar al mannen aan het werk op de tobak- en gerstvelden en jongens waakten in de weilanden over hun zwartkopschapen. Enkelen keken op toen ze langskwamen, maar Perijn liet Stapper stevig doorstappen en hoopte dat niemand zo dichtbij was dat ze hem konden herkennen, of Gauls vreemde kleren of zijn speren zagen.

Ook in Emondsveld zouden de mensen al op en bezig zijn, dus trok hij ver van de dorpskern naar de oostkant van het dorp, ver van de ingeklonken zandweggetjes en rieten daken rond de Brink, waar de Wijnbron zo krachtig van een rotshoogte omlaagstortte dat een man erdoor omgestoten kon worden. De schade die hij zich van Winternacht herinnerde, was hersteld; de verbrande huizen en verkoolde daken waren allemaal opnieuw opgetrokken. Zo te zien waren de Trolloks niet meer teruggekomen. Hij hoopte dat niemand zoiets ooit nog hoefde mee te maken. Herberg De Wijnbron stond praktisch in de oostelijke hoek van Emondsveld, tussen de stevige houten Wagenbrug over de bruisende Wijnvloed en de overblijfselen van een enorme stenen fundering, waar in het midden een enorme boom groeide. Aan de tafeltjes onder de dikke takken zat men op een mooie middag naar het kegelen te kijken. Op dit uur van de ochtend waren de tafeltjes natuurlijk leeg. Nog verder naar het oosten stonden slechts enkele huizen. Het onderste gedeelte van de herbergmuren was opgetrokken uit rivierstenen. De witgekalkte eerste verdieping vormde rondom de gehele herberg een soort afdak onder een glinsterend dak van rode pannen, het enige pannendak in de verre omtrek, waaruit een tiental schoorstenen opstak.

Terwijl hij Stapper en het pakpaard aan een paal bij de keukendeur bond, wierp Perijn een blik op het rieten staldak. Hij kon horen dat daarbinnen mannen aan het werk waren, waarschijnlijk Hu en Tad, die de stallen uitmestten waar meester Alveren het span grote Durraners stalde dat hij verhuurde als er zware lasten getrokken moesten worden. Aan de andere kant van de herberg klonken ook geluiden, mompelende stemmen op de Brink, gakkende ganzen, een piepende kar. Hij lier zijn spullen op de paarden zitten, want zolang zou hij niet blijven. Hij gebaarde Gaul hem te volgen en haastte zich met zijn boog naar binnen voor er een stalknecht naar buiten zou komen. De keuken was verlaten. De twee ijzeren ovens en de vuren waren gedoofd, afgezien van één haard, hoewel hij de lucht van bakken en braden nog kon ruiken. Brood en honingkoekjes. Er waren bijna nooit kamergasten in de herberg, behalve wanneer de kooplui uit Baerlon tobak en wol kwamen opkopen of wanneer de marskramer eens in de maand langskwam, als de sneeuw de weg tenminste niet onbegaanbaar had gemaakt. De dorpelingen die later op de dag voor een slokje of hapje binnen zouden lopen, waren nu allemaal op hun eigen bedrijf hard aan het werk. Maar er kon iemand aanwezig zijn, dus liep Perijn op z’n tenen de korte gang tussen de keuken en de gelagkamer door en duwde de deur op een kiertje open.