Выбрать главу

Hij had die vierkante ruimte al duizenden keren gezien, met de grote haard van riviersteen die de halve muur in beslag nam en de lateibalk op schouderhoogte. Meester Alverens glimmende tobakpot en kostbare klok stonden op de mantel. Op de een of andere manier leek het allemaal kleiner. De stoelen met de hoge ruggen voor de haard gaven de plek aan waar de dorpsraad vergaderde. Brandelwijn Alverens boeken stonden op een plank tegenover de haard. Vroeger had Perijn zich nooit kunnen voorstellen dat er meer boeken bestonden dan die dertig behoorlijk versleten boeken in de herberg. Tegen de andere muur stonden vaten bier en wijn. Krab, de gele kat, lag er als altijd languit op te slapen.

Afgezien van Bran Alveren zelf en zijn vrouw Marin, die in lange witte schorten aan een tafeltje het zilver en tin van de herberg poetsten, was de gelagkamer leeg. Meester Alveren was een brede, gezette man, met een dunne krans van grijs haar. Vrouw Alveren was slank en moederlijk, haar dikke grijzende vlecht hing over een schouder. Ze rook naar gebakken brood, met vaag iets van rozen. Perijn herinnerde zich dat ze altijd glimlachten, maar beiden keken nu heel strak en de dorpsmeester toonde een diepe frons die helemaal niets te maken had met de zilveren beker in zijn hand.

‘Meester Alveren?’ Hij duwde de deur open en ging naar binnen. ‘Vrouw Alveren. Ik ben het, Perijn.’

Ze sprongen overeind, waardoor hun stoelen omvielen en Krab opsprong. Vrouw Alveren sloeg haar handen voor haar mond en beiden keken hem en Gaul met grote open monden aan, waardoor Perijn verlegen zijn boog van de ene naar de andere hand liet gaan. Zijn verlegenheid werd nog sterker toen Bran zich naar het raam haastte – hij bewoog zich verrassend licht voor een man van zijn omvang – en een zomergordijn opzij schoof om naar buiten te kijken, alsof er buiten nog meer Aiel konden rondlopen.

‘Perijn?’ fluisterde vrouw Alveren ongelovig. ‘Je bent het echt. Ik herkende je haast niet met die baard en... Je wang. Ben je...? Is Egwene bij je?’

Perijn voelde nadenkend aan de half geheelde snede in zijn wang en wilde maar dat hij die had schoongemaakt, of op z’n minst zijn boog en bijl in de keuken had achtergelaten. Hij had er niet aan gedacht dat zijn uiterlijk hen zou laten schrikken. ‘Nee. Dit heeft niets met haar te maken. Ze is veilig.’ Veilig op de terugweg naar Tar Valon, misschien, en anders nog bij Rhand in Tyr, maar in ieder geval veilig. Hij nam aan dat hij Egwenes moeder wel iets meer mocht vertellen dan dit ene. ‘Vrouw Alveren, Egwene is aan het leren om Aes Sedai te worden. Nynaeve ook.’

‘Ik weet het,’ zei ze kalm, aan de zak in haar schort voelend, ik heb uit Tar Valon drie brieven van haar gekregen. Uit wat ze schrijft, maak ik op dat ze er meer heeft verstuurd en dat Nynaeve er ook minstens een heeft geschreven, maar alleen deze drie zijn aangekomen. Ze vertelt iets over haar lessen, en ik moet zeggen dat het me heel zwaar lijkt.’

‘Ze wil Aes Sedai worden.’ Drie brieven? Hij voelde zich schuldig en trok beschaamd zijn schouders op. Hij had niemand geschreven, alleen dat briefje voor zijn vader en moeder en baas Lohan, in de nacht dat Moiraine hen uit Emondsveld had weggehaald. Nooit. ‘Dat lijkt me, ja, al is het niet iets wat ik haar ooit had toegedacht. Je kunt zoiets tegenwoordig niet aan zoveel mensen vertellen, hè? In ieder geval vertelt ze dat ze vriendinnen heeft en zo te horen zijn het leuke meisjes. Elayne en Min. Ken je ze?’

‘Ik heb ze ontmoet. Ik denk dat u ze aardig zult vinden.’ Hoeveel had Egwene in haar brieven verteld? Blijkbaar niet zoveel. Laat vrouw Alveren maar denken wat ze wilde; hij was niet van plan haar bezorgd te maken over dingen waar ze niets aan kon doen. Wat gedaan was, was gedaan. Egwene was nu vrij veilig.

Opeens besefte hij dat Gaul nog steeds naast hem stond en haastig stelde hij hem voor. Bran knipperde met z’n ogen toen hij hoorde dat Gaul een Aiel was en keek fronsend naar de speren en de zwarte sluier die op Gauls borst hing, maar zijn vrouw zei alleen: ‘Wees welkom in Emondsveld, baas Gaul, en in Herberg De Wijnbron.’

‘Moge u altijd water en schaduw vinden, dakvrouwe,’ zei Gaul met een vormelijke buiging. ‘Ik vraag uw toestemming om uw dak en veste te verdedigen.’

Haar antwoord kwam zonder aarzeling, alsof dat precies de woorden waren die ze gewoonlijk te horen kreeg. ‘Een hoffelijk aanbod. Maar u dient mij toe te staan te besluiten wanneer dat nodig is.’

‘Zoals u het zegt, dakvrouwe. Uw eer is de mijne.’ Vanonder zijn jas haalde Gaul een gouden zoutstrooier te voorschijn, een kleine kom op de rug van een knap gemaakte leeuw, en hield die haar voor. ik bied u dit kleine gastgeschenk voor uw dak.’

Marin Alveren nam het aan, zoals ze elk ander geschenk zou hebben aangepakt en toonde nauwelijks hoe geschokt ze was. Perijn betwijfelde of er in heel Tweewater een even kostbaar voorwerp te vinden was, in ieder geval niet in goud. Goudstukken bestonden in Tweewater amper en gouden voorwerpen nog veel minder. Hij hoopte maar dat ze nooit zou ontdekken dat het krijgsbuit uit de Steen was; hij durfde er wat om te verwedden dat het uit Tyr kwam. ‘Jongen,’ zei Bran. ‘Misschien zou ik “welkom thuis” moeten zeggen, maar waarom ben je teruggekomen?’

‘Ik heb van de Witmantels gehoord, meester,’ antwoordde Perijn gewoon.

De dorpsmeester en zijn vrouw keken elkaar somber aan en Bran zei: ‘Opnieuw: waarom ben je teruggekomen? Je kunt niets tegenhouden, jongen, en ook niets veranderen. Je kunt beter vertrekken. Als je geen paard hebt, zal ik je er een geven. Als je er wel een hebt: klim weer in het zadel en rij naar het noorden. Ik dacht dat de Witmantels Tarenveer bewaakten... Hebben zij jou die fraaie wond op je gezicht bezorgd?’

‘Nee, het...’

‘Dan doet het er niet toe. Als je er bij je binnenkomst ongezien langs bent gekomen, kun je dat bij je vertrek ook. Hun hoofdkamp staat bij Wachtheuvel, maar hun verkenners kunnen overal zijn. Doe het, jongen.’

‘Blijf niet, Perijn,’ voegde vrouw Alveren er kalm maar ferm aan toe, op de toon die iedereen meestal gehoorzaamde. ‘Zelfs niet om wat te eten. Ik zal een pakje voor onderweg klaarmaken. Wat versgebakken brood met kaas, ham en vlees, en wat sla. Je moet vertrekken, Perijn.’

‘Dat kan ik niet. U weet dat ze mij zoeken, anders zou u niet willen dat ik wegging.’ En ze hadden niets over zijn ogen gezegd, zelfs niet gevraagd of hij ziek was. Vrouw Alveren had niet verbaasd gekeken. Ze wisten het. ‘Als ik mezelf aangeef, kan ik misschien iets voorkomen. Dan kan ik mijn familie...’ Hij veerde op toen de gangdeur opensloeg en Faile naar binnen stapte, gevolgd door Bain en Chiad. Meester Alveren streek over zijn kale hoofd. Hoewel hij de uitrusting van de Aielvrouwen opnam en blijkbaar dacht dat ze bij Gaul hoorden, leek zijn verbijstering maar gedeeltelijk veroorzaakt door het feit dat het vrouwen waren. Hij leek meer geërgerd dat ze zomaar binnendrongen. Perijn vroeg zich af of de kat hem ook een vreemdeling vond. En ook hoe de vrouwen hem hadden gevonden, en waar Loial was. Hij dacht van alles om maar niet te hoeven verzinnen hoe hij Faile nu weer moest aanpakken.

Ze gaf hem weinig tijd zich daarover druk te maken, want ze plantte zich voor hem neer met haar vuisten in de zij. Op de een of andere manier speelde ze dat vrouwenkunstje klaar door van pure trillende woede groter te lijken. ‘Jezelf aangeven? Jezelf aangeven? Heb je dit al vanaf het begin bedacht? Dat heb je, nietwaar? Doorgedraaide dwaas! Je hoofd is volkomen bevroren, Perijn Aybara. Om te beginnen was het al niet meer dan spieren en haren, maar nu ben je je hoofd volkomen kwijt. Als Witmantels jacht op je maken, hangen ze jou op als je je aangeeft. Waarom zouden ze dat doen, trouwens?’