Выбрать главу

‘Omdat ik Witmantels heb gedood.’ Hij keek op haar neer en negeerde vrouw Alverens zucht. ‘Die Witmantels op de avond dat ik jou ontmoette en eerder nog twee. Ze weten het van die twee, Faile, en ze denken dat ik een Duistervriend ben.’ Dat zou ze toch gauw te horen krijgen. Nu hij eraan dacht, zou hij haar ook best kunnen vertellen waarom hij het had gedaan, als ze alleen waren geweest. Minstens twee Witmantels, Geofram Bornhald en Jaret Byar, vermoedden iets van zijn band met de wolven. Nog lang niet alles, maar voor hen was dat weinige genoeg. Een man die met wolven optrok, moest een Duistervriend zijn. Misschien maakte een van hen wel deel uit van de groep Witmantels hier. ‘Ze geloven dat het waar is.’

‘Jij bent net zo min een Duistervriend als ik,’ fluisterde ze schor. ‘De zon is nog eerder een Duistervriend.’

‘Het maakt geen verschil, Faile. Ik doe wat ik moet doen.’

‘Leeghoofdige pummel! Zoiets waanzinnigs hoef je helemaal niet te doen. Ganzenkop! Als je het waagt, hang ik je zelf op.’

‘Perijn,’ zei vrouw Alveren kalm, ‘kun je me voorstellen aan deze jonge vrouw die zo’n achting voor je heeft?’

Failes gezicht werd vuurrood toen ze besefte dat ze al die tijd meester en vrouw Alveren had genegeerd, boog uitbundig en bood bloemrijke verontschuldigingen aan. Bain en Chiad deden hetzelfde als Gaul en vroegen toestemming vrouw Alverens dak te verdedigen en gaven haar een kleine gouden kom met fijne gouden blaadjes en een fraaie zilveren pepermolen die groter was dan Perijns vuisten, met op de top een of ander sprookjesdier, half paard, half vis.

Bran Alveren stond fronsend toe te kijken, wreef langs zijn hoofd en mompelde wat. Perijn hoorde meermalen het woord ‘Aiel’ op een ongelovige toon. De dorpsmeester keek ook herhaaldelijk naar de vensters. Hij vroeg zich niet af of er meer Aiel waren; hij was verbaasd geweest toen hij hoorde dat Gaul een Aiel was. Hij maakte zich blijkbaar zorgen over de Witmantels.

Marin Alveren daarentegen verwerkte alles heel kalm en behandelde Faile, Bain en Chiad net als alle andere jonge reizigsters die haar herberg aandeden. Ze leefde mee met hun vermoeienis van de reis, prees Failes rijkleren – vandaag van donkerblauwe zijde – en zei tegen de Aielvrouwen dat ze de kleur en glans van hun haar zo mooi vond. Perijn vermoedde dat Bain en Chiad op z’n minst geen hoogte van haar kregen, maar binnen de kortste keren had ze met haar kalme moederlijke doorzettingsvermogen de drie vrouwen aan een tafel, zaten ze met vochtige doeken de stof van hun reis van handen en gezichten te vegen en dronken ze thee uit de grote roodgestreepte pot die hij zich nog goed herinnerde.

Het was best wel vermakelijk die trotse vrouwen – hij rekende daar Faile zeker toe – te horen. Hoe ze opeens ijverig vrouw Alveren verzekerden dat ze heel lekker zaten, vroegen of er niets te helpen viel – ze deed immers al zoveel – en haar alledrie met grote kinderogen aankeken en geen enkele kans kregen haar tegen te spreken. Het zou vermakelijk zijn geweest als ze haar zorgen niet ook op Gaul en hem had gericht en hen even vastberaden aan een tafel plaatste, erop staand dat ze met schone handen en gezicht hun kop thee dronken. Gaul toonde al die tijd een kleine grijns; de Aiel hadden een vreemd gevoel voor humor.

Tot zijn verbazing keek ze geen enkele keer naar zijn boog of bijl, of naar de wapens van de Aiel. In Tweewater droeg men haast nooit een boog, maar ze stond er altijd op dat wapens weg werden gezet voor iemand aan haar tafel kwam zitten. Altijd. Maar nu deed ze net of ze er niet waren.

Een nieuwe verrassing volgde toen Bran een zilveren beker appelbrandewijn bij zijn elleboog plaatste. Niet het kleine slokje dat mannen gewoonlijk in de herberg dronken, een halve duim hoog, maar bijna halfvol. Toen hij was weggegaan, zou hij appelwijn hebben gekregen, misschien melk, of wellicht wijn met heel veel water, een halve beker bij een maaltijd of een volle op een feestdag. Het was fijn te worden behandeld als een volwassen man, maar hij hield het daarbij. Hij was nu aan wijn gewend, maar dronk zelden sterkedrank. ‘Perijn,’ zei de dorpsmeester terwijl hij een stoel naast die van zijn vrouw schoof, ‘niemand gelooft dat jij een Duistervriend bent. Niemand met enig verstand. Er is geen enkele reden om jezelf op te laten hangen.’

Faile knikte fel en instemmend, maar Perijn negeerde haar. ik laat me niet ompraten, baas Alveren. De Witmantels willen mij hebben en als ze mij niet krijgen, zullen ze elke andere Aybara oppakken die ze kunnen vinden. Witmantels vinden bij het minste of geringste dat iemand schuldig is. Het zijn geen prettige mensen.’

‘Dat weten we,’ zei vrouw Alveren zachtjes. Haar man staarde naar zijn handen. ‘Perijn, je familie is weg.’

‘Weg? Bedoelt u dat de boerderij al verbrand is?’ Perijns vuist kneep zich samen om de zilveren beker, ik hoopte op tijd te zijn. Ik neem aan dat ik beter had moeten weten. Het heeft te lang geduurd voor ik het hoorde. Misschien kan ik pa en oom Ewar helpen bij de herbouw. Bij wie hebben ze onderdak gevonden? Ik wil ze toch eerst opzoeken.’ Brans gezicht betrok en zijn vrouw streelde bemoedigend zijn schouder. Maar vreemd genoeg bleven haar ogen droef en troostend op Perijn gericht.

‘Ze zijn dood, jongen,’ zei Bran snel.

‘Dood? Nee. Dat kan niet...’ Fronsend keek hij naar zijn opeens vochtige hand, staarde naar de verfrommelde beker alsof hij zich afvroeg waarom zijn hand nat was. ‘Het spijt me. Ik wilde...’ Hij boog het platgedrukte zilver naar buiten, probeerde het met zijn vingers weer in vorm te dwingen. Zo lukte dat niet. Natuurlijk niet. Heel behoedzaam zette hij de verfrommelde beker midden op tafel. ‘U krijgt een nieuwe van me. Ik kan...’ Hij veegde z’n hand af aan zijn jas en merkte opeens dat hij de bijl aan zijn riem streelde. Waarom kijkt iedereen me zo raar aan• ‘Weet u het zeker?’ Zijn stem klonk als van heel ver weg. ‘Adora en Deselle? Peet? Mijn moeder?’

‘Allemaal,’ vertelde Bran hem. ‘Je tantes en ooms, je neven en nichten. Iedereen op de boerderij. Ik heb ze helpen begraven, jongen. Op die lage heuvel met de appelbomen.’

Perijn stak zijn duim in zijn mond. Stom, om je aan je eigen bijl te snijden. ‘Ma houdt van appelbloesems. De Witmantels... Waarom hebben ze...? Bloedvuur, Peet was nog maar negen. De meisjes...’ Zijn stem klonk vlak. Hij vond eigenlijk dat er meer gevoel in zijn woorden had moeten liggen. Een gevoel, wat dan ook.

‘Het waren de Trolloks,’ zei vrouw Alveren snel. ‘Ze zijn teruggekomen, Perijn. Niet zoals toen jullie vertrokken, niet door het dorp aan te vallen, maar buiten, op het land. Wie geen buren in de nabijheid had, heeft zijn boerderij verlaten. Niemand gaat ’s nachts naar buiten, ook niet vlak bij het dorp. Dat geldt ook voor Devenrit en Wachtheuvel, misschien zelfs wel in Tarenveer. Hoe erg die Witmantels ook zijn, ze vormen onze enige bescherming. Ze hebben twee gezinnen gered die ik ken, toen de Trolloks hun boerderijen aanvielen.’

‘Ik wou... ik hoopte...’ Hij wist niet meer precies wat hij wilde. Iets over Trolloks. Hij wilde het zich niet herinneren. Witmantels die Tweewater beschermden? Hij moest er bijna om lachen. ‘Rhands vader. Thams boerderij. Hebben de Trolloks dat ook gedaan?’ Vrouw Alveren wilde antwoorden, maar Bran was haar voor. ‘Hij moet de waarheid weten, Marin. Dat waren de Witmantels, Perijn. Die boerderij en ook die van Cauton.’

‘Dus ook Marts familie. Die van Rhand, Mart en mij.’ Vreemd. Het klonk alsof hij het over de kans op regen had. ‘Zijn zij ook dood?’

‘Nee, jongen. Nee, Abel en Tham verbergen zich ergens in het Westwoud. En Marts moeder en zuster... die zijn ook nog in leven.’

‘Verbergen ze zich?’

‘Laten we het daar nu niet over hebben,’ zei vrouw Alveren abrupt. ‘Bran, geef hem nog een beker brandewijn. En drink die wel op, Perijn.’ Haar man bleef zitten, maar ze keek hem enkel fronsend aan en praatte door. ik wil je best een bed geven, maar het is niet veilig. Er zijn hier enkele mensen die meteen naar heer Bornhald hollen als ze ontdekken dat je hier slaapt. Ewar Kongar en Hari Kopin flemen als afgerichte hondjes bij de Witmantels; ze willen in de smaak vallen door namen te noemen en Cen Buin is niet veel beter. Wit Kongar zou ook graag iedereen van alles vertellen, als Daise hem niet tegenhoudt. Zij is nu de Wijsheid. Perijn, je kunt er beter vandoor gaan, geloof me.’ Perijn schudde langzaam zijn hoofd; het was allemaal te veel. Daise Kongar de Wijsheid? Die vrouw was net een stier. Witmantels die Emondsveld beschermden. Hari, Ewar en Wit die hen hielpen. Je kon al nooit op de Kongars of Kopins aan, maar Cen Buin zat in de dorpsraad. Heer Bornhald. Dus Geofram Bornhald was hier. Faile zat hem aan te kijken, haar ogen groot en vochtig. Waarom barstte zij bijna in tranen uit?