‘Er is meer, Brandelwijn Alveren,’ zei Gaul. ‘Uw gezicht verraadt het.’
‘Dat is er,’ beaamde Bran. ‘Nee, Marin,’ voegde hij er ferm aan toe toen ze even haar hoofd schudde. ‘Hij heeft recht op de waarheid. De hele waarheid.’ Met een zucht vouwde ze haar handen ineen. Marin Alveren kreeg bijna altijd haar zin, behalve wanneer Brans gezicht zo strak stond zoals nu; zijn diep omlaag getrokken wenkbrauwen leken wel een ijzeren ploeg.
‘Welke waarheid?’ wilde Perijn weten. Mijn moeder hield van appelbloesems.
‘Allereerst: Padan Fajin is bij de Witmantels,’ zei Bran. ‘Hij noemt zich nu Ordeith en doet alsof hij zijn eigen naam niet meer kent, maar hij is het; hij kijkt nog even fel langs zijn neus op je neer.’
‘Hij is een Duistervriend,’ zei Perijn afwezig. Adora en Deselle vlochten in het voorjaar altijd appelbloesems in hun haar. ‘Hij heeft het zelf toegegeven. Met Winternacht heeft hij de Trolloks hierheen gevoerd.’ Peet klom graag in de appelbomen en mikte dan appels naar me als ik niet keek.
‘Zo zo, is hij dat,’ zei de dorpsmeester grimmig. ‘Kijk, dat is interessant. Hij heeft enig gezag bij de Witmantels. Wij hoorden voor het eerst dat ze hier waren toen ze Thams boerderij in brand staken. Dat was Fajins werk; hij was de aanvoerder van die Witmantels. Tham wist er met zijn pijlen vier of vijf neer te leggen voor hij in de bossen verdween en hij was nog net op tijd bij de Cauton-boerderij om te voorkomen dat ze Abel meenamen. Maar ze hebben Natti en de meisjes gevangengenomen. En Haral en Alsbet Lohan ook. Ik vermoed dat Fajin ze had willen ophangen, als heer Bornhald het niet verboden had. Maar hij liet ze ook niet vrij. Er is hun niets overkomen, voor zover ik heb kunnen vaststellen, maar ze worden vastgehouden in het Witmantelkamp bij Wachtheuvel. Om de een of andere reden koestert Fajin een grote haat tegen jou, Rhand en Mart. Hij heeft honderd goudstukken uitgeloofd voor iedereen die familie van hen is. Tweehonderd voor Tham of Abel. En heer Bornhald schijnt voor jou een bijzondere belangstelling te hebben. Als er een troep Witmantels langs rijdt, komt hij meestal mee en stelt vragen over jou.’
‘Ja,’ zei Perijn, ‘Natuurlijk, hij wel.’ Perijn van Tweewater, die met de wolven meetrok. Duistervriend. Fajin had hun al het andere kunnen vertellen. Fajin, bij de Kinderen van het Licht? Het was een verre gedachte. Maar toch beter dan aan Trolloks te denken. Hij keek met een betrokken gezicht naar zijn handen, hield ze met moeite op de tafel stil. ‘Zij beschermen jullie tegen de Trolloks.’
Marin Alveren boog zich fronsend naar hem toe. ‘Perijn, we hebben de Witmantels nodig. Natuurlijk, ze hebben Thams boerderij verbrand en die van Abel ook, en ze houden mensen gevangen, en ze stampen rond alsof alles hier van hen is, maar Natti, Alsbet en de anderen zijn ongedeerd. Ze worden slechts vastgehouden en dat kunnen we op de een of andere manier wel oplossen. De Drakentand is op enkele deuren gekrast, maar alleen de Kongars en Kopins letten daarop en waarschijnlijk zijn zij degenen die het gedaan hebben. Tham en Abel kunnen verborgen blijven tot de Witmantels verdwijnen. Vroeg of laat zullen ze toch vertrekken. Maar zolang er hier Trolloks zijn, hebben wij ze nodig, en we willen niet dat ze jou ophangen.’
‘Noemt u dit bescherming, dakvrouwe?’ zei Bain. ‘Als u de leeuw vraagt om u tegen de wolven te beschermen, hebt u alleen gekozen in welke maag u wilt belanden.’
‘Kunt u zich niet zelf beschermen?’ voegde Chiad eraan toe. ‘Ik heb Rhand Altor zien vechten. En Mart Cauton en Perijn, en die zijn van uw bloed.’
Bran zuchtte diep. ‘We zijn boeren, eenvoudige mensen. Heer Luc heeft het over mannen bijeenroepen om tegen de Trolloks te vechten, maar wanneer je meegaat, laat je je gezin in de steek, en dat vindt niemand fijn.’
Perijn was in de war. Wie was heer Luc? Dat vroeg hij en vrouw Alveren gaf antwoord.
‘Hij kwam rond de tijd dat de Witmantels kwamen. Hij is een Jager op de Hoorn. Je kent het verhaal? De Grote Jacht op de Hoorn? Heer Luc denkt dat de Hoorn van Valere zich ergens in de Mistbergen boven Tweewater bevindt. Maar hij heeft zijn jacht opgegeven vanwege onze problemen. Heer Luc is een echte heer, met de beste manieren.’ Ze streek haar haren glad en glimlachte goedkeurend. Bran keek haar van opzij aan en gromde zuur.
Jagers op de Hoorn. Trolloks. Witmantels. Tweewater leek amper meer op de plaats die hij had verlaten. ‘Faile is ook een Jager op de Hoorn. Ken je die heer Luc, Faile?’
‘Ik heb er genoeg van,’ verkondigde ze. Perijn keek haar fronsend aan toen ze opstond en om de tafel naar hem toe liep. Ze greep zijn hoofd vast en trok zijn gezicht tegen haar middel. ‘Je moeder is dood,’ zei ze stil. ‘Je vader is dood. Je zusters zijn dood en je broertje ook. Jouw familie is dood en je kunt het niet veranderen. Zeker niet door zelfdood te gaan. Je mag bedroefd zijn. Hou het niet in, zodat het gaat zweren.’ Hij pakte haar armen beet, wilde haar wegduwen, maar om de een of andere reden verstrakten zijn handen zich, tot hij alleen door zijn greep nog rechtop bleef zitten. Pas toen besefte hij dat hij zat te huilen, als een klein kind in haar kleren zat te snikken. Wat zou ze niet van hem denken? Hij wilde haar zeggen dat alles in orde was met hem, zich verontschuldigen dat hij was ingestort, maar hij kon alleen maar stamelen: ik kon hier niet sneller zijn. Ik kon hier niet... Ik...’ Hij perste zijn tanden op elkaar om zich tot zwijgen te brengen, ik weet het,’ fluisterde ze en streelde zijn haren alsof hij een kind was en iedereen dat wist. ik weet het.’
Hij wilde stoppen, maar hoe meer woorden ze hem vol begrip toefluisterde, hoe harder hij huilde. Alsof haar zachte handen op zijn hoofd de tranen uit hem wegstreelden.
30
Voorbij de eik
Terwijl Faile zijn hoofd tegen haar borst drukte, verloor Perijn alle besef van hoelang hij had gehuild. Beelden van zijn familie flitsen in zijn geest voorbij; zijn vader die glimlachte terwijl hij hem liet zien hoe je een boog moest vasthouden, zijn moeder die zong onder het spinnen, Adora en Deselle die hem plaagden toen hij zich voor de eerste keer schoor, Peet die lang geleden op Zonnedag met grote ogen naar een speelman staarde. Beelden van een rij graven, koud en eenzaam. Hij huilde tot hij geen tranen meer had. Toen hij ten slotte ophield, waren ze slechts met z’n tweeën, afgezien van Krab, die zich op de bierton zat te wassen. Hij was blij dat de anderen niet waren gebleven om toe te kijken. Faile was al erg genoeg. Ergens was hij blij dat ze gebleven was; hij had alleen gewild dat ze hem niet zó had gezien of gehoord.
Faile nam zijn handen in de hare en ging op de andere stoel zitten. Ze was zo mooi, met haar ietwat schuine ogen, groot en donker, en haar hoge jukbeenderen. Hij wist niet hoe hij het moest goedmaken met haar; voor de manier waarop hij haar de laatste paar dagen behandeld had. Ze zou vast wel een manier vinden om hem ervoor te laten boeten.
‘Heb je de gedachte opgegeven om je over te geven aan de Witmantels?’ vroeg ze. Niets in haar stem verried dat ze hem had zien huilen als een klein kind.
‘Het ziet ernaar uit dat het weinig goeds zal doen. Wat ik ook doe, ze zullen achter Rhands vader aan blijven zitten, en achter die van Mart. Mijn familie...’ hij liet haar handen haastig los, maar ze glimlachte in plaats van ineen te krimpen. ‘Ik moet baas Lohan en zijn vrouw vrij zien te krijgen, als ik dat kan. En Marts moeder en zusters; ik heb hem beloofd dat ik voor ze zou zorgen. En ik moet doen wat ik kan tegen de Trolloks.’ Misschien had die heer Luc een paar plannen. De saidinpoort was tenminste vergrendeld; er zouden er niet meer over de saidinwegen komen. Hij wilde vooral iets doen tegen de Trolloks. ‘Dat lukt me allemaal niet als ik me laat ophangen.’