Выбрать главу

‘Het heeft niets met Moiraine te maken. Het gaat erom wat ik moet doen. Ik...’

Ze onderbrak hem. ‘Waag het niet mij dat stoere gezemel te verkopen over de plicht van een man. Ik weet even goed wat plicht is als jij, en jij hebt hier geen plichten. Misschien ben je ta’veren, al zie ik dat niet, maar hij is de Herrezen Draak en niet jij.’

‘Wil je nou eens luisteren!?’ schreeuwde hij woest, en ze maakte een sprongetje. Hij had nog nooit tegen haar geschreeuwd, niet op die manier tenminste. Ze hield haar kin hoog en bewoog haar schouders, maar ze hield haar mond. Hij ging verder. ‘Ik denk dat ik op de een of andere manier deel uitmaak van Rhands bestemming. Mart eveneens. Ik denk dat hij niet kan doen wat hij moet doen zonder dat wij ook ons aandeel leveren. Dat is mijn plicht. Hoe kan ik ertussenuit trekken als dat kan betekenen dat Rhand zal falen?’

‘Zou kunnen?’ Er klonk iets uitdagends in door, maar het was maar weinig. Hij vroeg zich af of hij het zou kunnen opbrengen vaker tegen haar te schreeuwen. ‘Heeft Moiraine dit tegen jou gezegd, Perijn? Je zou nu zo langzamerhand moeten weten dat je heel goed moet luisteren naar wat een Aes Sedai eigenlijk beweert.’

‘Dit heb ik helemaal alleen bedacht. Ik denk dat ta’veren elkaar aantrekken. Of misschien trekt Rhand ons aan, zowel Mart als mij. Men neemt aan dat hij de sterkste ta’veren is na Artur Haviksvleugel, misschien wel sinds het Breken. Mart wil niet eens toegeven dat hij ta’veren is, maar hoe vaak hij ook probeert weg te komen, iedere keer is het eind van het liedje dat hij weer naar Rhand toe trekt. Loial zegt dat hij nog nooit gehoord heeft van drie ta’veren die alle drie van dezelfde leeftijd zijn en alle drie uit dezelfde streek komen.’ Faile snoof luid. ‘Loial weet niet alles. Voor een Ogier is hij nog niet zo oud.’

‘Hij is over de negentig,’ verdedigde Perijn zich en ze schonk hem een strak lachje. Voor een Ogier was negentig niet zoveel ouder dan Perijn was. Misschien wel jonger. Hij wist niet zoveel van de Ogier. In ieder geval had Loial meer boeken gelezen dan Perijn ooit had gezien of over had gehoord. Soms dachr hij dat Loial elk boek had gelezen dat er ooit was geschreven. ‘En hij weet meer dan jij of ik. Hij denkt dat ik gelijk kan hebben, net als Moiraine. Nee, haar heb ik het niet gevraagd, maar waarom houdt ze anders een oogje op mij? Dacht je dat ze mij wil om een keukenmes voor haar te maken?’

Ze was even stil en toen ze verder sprak, klonk haar stem vol medeleven. ‘Arme Perijn. Ik ben uit Saldea vertrokken om het avontuur te zoeken en nu ik hier ben, midden in het grootste avontuur sinds het Breken, wil ik alleen maar ergens anders zijn. Jij wilt alleen maar smid zijn, en jij zult nog eindigen in de verhalen, of je dat wilt of niet.’ Hij keek niet naar haar, maar haar geur zat nog steeds in zijn hoofd. Hij dacht niet dat het erg waarschijnlijk was dat er ooit verhalen over hem zouden worden verteld, tenzij zijn geheim zich nog verder verspreidde dan onder de paar mensen die het al wisten. Faile dacht dat ze alles van hem wist, maar dat zag ze verkeerd. Tegen de muur aan de andere kant van zijn kamer stonden een bijl en een hamer. Beide waren simpel en doelmatig, met een steel zo lang als zijn onderarm. De bijl had een gemeen halvemaanvormig blad dat even zwaar was als de dikke piek aan de andere kant en hij was bedoeld voor geweld. Met de hamer kon hij dingen in de smederij maken. De hamerkop woog dubbel zoveel als het bijlblad, maar juist de bijl voelde iedere keer dat hij hem oppakte veel zwaarder aan. Met de bijl had hij... Hij trok een boos gezicht en wilde er niet aan denken. Ze had gelijk. Hij wilde alleen maar smid zijn, naar huis gaan, zijn familie weer zien en in de smidse werken. Maar hij wist dat het zo niet zou gaan. Hij stond op om de hamer op te pakken en ging weer zitten. Hij voelde iets van troost door hem vast te houden. ‘Baas Lohan beweert altijd dat je niet weg kunt lopen voor iets wat gedaan moet worden.’ Hij praatte snel door omdat hij besefte dat dit veel weg had van stoer gezemel zoals zij het noemde. ‘Hij is de smid thuis, in het dorp, ik was zijn leerling. Ik heb je over hem verteld.’

Tot zijn verrassing greep ze de kans niet hem op zijn herhaling te wijzen. Ze zei eigenlijk niets en keek hem alleen afwachtend aan. Een ogenblik later drong het tot hem door. ‘Ga je weg?’ vroeg hij.

Ze streek haar rok glad. Heel lang bleef ze zwijgen, alsof ze haar antwoord overwoog. ‘Ik weet het niet,’ zei ze eindelijk. ‘Je heb me mooi in de knoei gebracht.’ ik? Wat heb ik gedaan?’

‘Tja, als je dat niet weet, ga ik het jou zeker niet vertellen.’ Hij krabde opnieuw aan zijn baard en staarde naar de hamer in zijn handen. Mart zou waarschijnlijk precies weten wat ze bedoelde. De oude Thom Merrilin ook. De witharige speelman beweerde dat niemand vrouwen kon begrijpen, maar als hij diep in het binnenste van de Steen uit zijn kamer opdook, stond er binnen de kortste keren een handvol smachtende en luisterende meisjes rond zijn lapjesmantel die jong genoeg waren om zijn kleindochter te zijn, en dan moest hij op zijn harp spelen en grote avonturen en liefdesgeschiedenissen opdissen. Faile was de enige vrouw die Perijn wenste, maar soms voelde hij zich net een vis die een vogel probeerde te begrijpen. Hij wist dat ze wilde dat hij haar zou vragen. Dat wist hij in ieder geval wel. Ze zou het hem misschien of misschien ook niet vertellen, maar van hem werd verwacht dat hij ernaar vroeg. Koppig hield hij zijn mond stijf dicht. Ditmaal wilde hij niet de minste zijn. Buiten kraaide een haan in de duisternis.

Faile huiverde en sloeg haar armen om zich heen. ‘Mijn kindermeid placht te zeggen dat er nu gauw iemand gaat sterven. Natuurlijk geloof ik dat niet.’

Hij deed zijn mond open om te beamen dat het dwaasheid was, hoewel hij ook rilde, maar wendde met een ruk zijn hoofd om toen hij een raspend geluid hoorde en een plof. De bijl was omgevallen. Hij had nog net tijd om zich gefronst kijkend af te vragen waardoor hij omgevallen was, toen de bijl opnieuw bewoog, zonder dat iemand hem aanraakte en vervolgens recht op hem afschoot. Hij dacht niets, maar zwaaide de hamer al omhoog. Metaal rinkelde op metaal, waardoor Failes gil onhoorbaar werd; de bijl vloog de kamer door, kaatste van de andere muur terug en sprong opnieuw op hem af, met het blad naar hem toe. Hij dacht dat ieder haartje van hem recht overeind stond.

Toen de bijl langs haar heen schoot, sprong Faile naar voren en greep de steel met beide handen beet. Ondanks haar greep draaide hij zich om en haalde uit naar haar opengesperde ogen. Nog net op tijd sprong Perijn op en liet de hamer vallen om de bijl te grijpen, waardoor hij het blad nog net van haar huid weg kon houden. Hij zou sterven als die bijl, zijn bijl, haar verwondde. Hij trok hem zo hard achteruit dat de dikke piek hem bijna in de borst stak. Dat zou een eerlijke ruil zijn geweest, de bijl tegenhouden voor hij haar kon verwonden, maar hij kreeg het ontmoedigende idee dat het misschien niet kon. Het wapen schokte heen en weer als een levend ding met een boze wil. Het wilde Perijn – hij wist dat alsof de bijl hem dat had toegeroepen – maar de bijl vocht sluw. Toen hij de bijl van Faile wegrukte, gebruikte het wapen zijn eigen beweging voor een uithaal naar hem. Wanneer hij het wapen wegduwde, probeerde het Faile te bereiken, alsof het wist dat hij daardoor niet meer zou duwen. Hoe stevig hij de steel ook vasthield, het wapen draaide in zijn handen rond, bedreigde hem met de punt of met het gebogen blad. Zijn handen deden al zeer van de inspanning en zijn sterke armen spanden zich met spieren als meertouwen. Zweet rolde van zijn gezicht omlaag. Hij wist niet hoe lang het zou duren voor de bijl zich aan zijn greep zou ontworstelen. Dit was waanzin, pure waanzin, en hij had geen tijd om te denken. ‘Naar buiten,’ mompelde hij door zijn opeengeklemde tanden heen. ‘Ga de kamer uit, Faile!’

Haar lijkbleke gezicht had alle bloed verloren, maar ze schudde haar hoofd en bleef met de bijl vechten. ‘Nee! Ik laat je niet in de steek!’