Выбрать главу

‘Ik ben erg blij dat je dat inziet,’ zei ze droog. ‘Nog meer dwaze ideeën om me weg te sturen?’

‘Nee.’ Hij zette zich schrap voor de storm, maar ze knikte slechts, alsof ze dat ene woord verwacht had, alsof het alles was wat ze gewild had. Een kleinigheid, niet waard om erover te twisten. Ze zou hem behoorlijk laten boeten.

‘We zijn met ons vijven, Perijn, met zes als Loial mee wil doen. En als we Tham Altor en Abel Cauton kunnen vinden... Zijn ze net zo goed met een boog als jij?’

‘Beter,’ zei hij naar waarheid. ‘Veel beter.’

Ze gaf hem een klein, ietwat ongelovig knikje. ‘Dat is dan acht. Een begin. Misschien zullen anderen zich bij ons aansluiten. En dan is er heer Luc. Hij zal waarschijnlijk de leiding willen nemen, maar zolang hij geen dwaas is, maakt het niets uit. Hoewel niet iedereen die de Jagerseed heeft gezworen een weldenkend persoon is. Ik heb er een paar ontmoet die denken dat ze alles weten, en dan nog zo koppig zijn als een muilezel.’

‘Ik weet het.’ Ze keek hem scherp aan en hij slaagde erin de glimlach van zijn gezicht te houden. ‘Dat je er een paar van dat soort ontmoet hebt, bedoel ik. Ik heb er een stel gezien, weet je nog?’

‘O, die. Nou ja, we mogen hopen dat heer Luc geen opschepperige leugenaar is.’ Haar ogen werden doordringend en ze greep zijn handen steviger vast, niet pijnlijk, maar alsof ze haar kracht aan de zijne wilde toevoegen. ‘Je wilt de boerderij van je familie bezoeken, je thuis. Ik zal met je meegaan, als dat mag.’

‘Wanneer ik kan, Faile.’ Maar niet nu. Nog niet. Als hij nu naar die graven onder de appelbomen zou kijken... Het was vreemd. Hij had zijn eigen kracht altijd als iets vanzelfsprekends beschouwd, en nu bleek dat hij helemaal niet sterk was. Nou, hij zou niet meer huilen als een kind. Het werd hoog tijd dat hij iets ging doen. ‘Alles op zijn tijd. Eerst Tham en Abel vinden, denk ik.’

Meester Alveren stak zijn hoofd in de gelagkamer en kwam verder toen hij ze naast elkaar zag zitten. ‘Er is een Ogier in de keuken,’ zei hij tegen Perijn met een verbijsterde blik in zijn ogen. ‘Een Ogier. Hij drinkt thee. De grootste kom lijkt op...’ Hij hield twee vingers op als hield hij een vingerhoedje vast. ‘Misschien kan Marin net doen alsof hier iedere dag Aiel naar binnen wandelen, maar ze viel zowat flauw toen ze die Loial zag. Ik heb haar een dubbele brandewijn gegeven die ze als water achteroversloeg. Ze hoestte zichzelf zowat dood; gewoonlijk drinkt ze alleen maar wijn. Als ik haar er nog een had gegeven, zou ze die ook hebben opgedronken.’ Hij perste zijn lippen op elkaar en toonde grote belangstelling voor een onzichtbare vlek op zijn lange witte schort. ‘Gaat het nu, jongen?’

‘Ik ben in orde, meester,’ zei Perijn haastig. ‘Meester Alveren, we kunnen hier niet langer blijven. Iemand zou de Witmantels kunnen vertellen dat u ons onderdak hebt gegeven.’

‘O, er zijn er niet veel die dat zouden doen. Niet alle Kopins, en zelfs niet sommige Kongars.’ Maar hij stelde niet voor dat ze zouden blijven.

‘Weet u waar ik baas Altor en baas Cauton kan vinden?’

‘Ze zitten ergens in het Westwoud,’ zei Bran langzaam. ‘Meer weet ik niet. Ze trekken rond.’ Hij haakte zijn vingers boven zijn dikke buik in elkaar. ‘Je gaat toch niet weg? Nou ja. Ik zei tegen Marin dat je niet zou gaan, maar ze gelooft me niet. Ze gelooft dat het ’t beste is dat je weggaat – het beste voor jou – en net als de meeste vrouwen is ze er zeker van dat als ze maar lang genoeg praat, je de dingen op haar manier zult gaan zien.’

‘Meester Alveren toch,’ zei Faile liefjes, ‘zelf heb ik mannen altijd verstandige wezens gevonden, die slechts één keer het juiste pad getoond moet worden om het te kiezen.’

De dorpsmeester keek haar vermaakt aan. ‘Dan zul je Perijn overhalen om te vertrekken, mag ik aannemen? Marin heeft gelijk, dat is het verstandigste, als hij de strop wil ontlopen. De enige reden om te blijven is soms als een man er niet vandoor kan gaan. Niet? Nou, jij weet het ’t beste.’ Hij negeerde haar donkere blik. ‘Kom mee, jongen. Laten we Marin het goede nieuws vertellen. Tanden op elkaar en hou vast aan je plannen, want ze zal blijven proberen jou van mening te laten veranderen.’

In de keuken zaten Loial en de Aiel in kleermakerszit op de vloer. In de hele herberg was er beslist geen stoel die groot genoeg was voor de Ogier. Hij leunde met een arm op de keukentafel en was groot genoeg om Marin Alveren al zittend in de ogen te kunnen kijken. Bran had de kleine afmetingen van Loials kom wat overdreven, maar toen Perijn nog eens keek, zag hij het witte glazuur van een soepkom. Vrouw Alveren probeerde nog steeds hevig net te doen of Aiel en Ogier gewone gasten waren. Ze liep bedrijvig heen en weer met een schaal brood en kaas en augurkjes en zorgde ervoor dat iedereen at, maar elke keer als ze Loial zag, werden haar ogen nog steeds een stukje groter, hoewel hij haar op haar gemak trachtte te stellen met loftuitingen over haar kookkunst. Als ze maar naar hem keek, wiebelden zijn pluimoren zenuwachtig, en iedere keer maakte ze een sprongetje van schrik en schudde dan haar hoofd, waarbij haar dikke, grijze vlecht heen en weer zwierde. Nog een paar uur, en ze zouden beiden trillend van de zenuwen naar bed gestuurd kunnen worden.

Bij het zien van Perijn slaakte Loial een diepe, bassende zucht van verlichting en zette zijn theekop – kom – op tafel. Maar toen zakte zijn brede gezicht triest in elkaar. ‘Het spijt me heel erg om te horen van je verlies, Perijn. Ik deel in je verdriet. Vrouw Alveren...’ Zijn oren trokken heftig, al keek hij haar niet eens aan, en zij schrok weer op. ‘... heeft me verteld dat je zult vertrekken, nu er niets meer is dat je hier houdt. Als je wilt, zal ik de appelbomen toezingen voor we weggaan.’ Bran en Marin wisselden verbaasde blikken en de dorpsmeester peuterde zowaar in zijn oor.

‘Dank je, Loial. Als de tijd daar is, zal ik dat erg waarderen. Maar ik heb werk te doen voordat ik kan vertrekken.’ Vrouw Alveren zette het blad met een klap op de tafel en staarde hem aan. Hij ging gewoon door en ontvouwde zijn plannen: Tham en Abel opzoeken, de mensen bevrijden die door de Witmantels gevangen werden gehouden. Hij noemde de Trolloks niet, hoewel hij ook daarvoor vage plannen had. Misschien niet zo vaag. Hij was niet van plan te vertrekken zolang er nog een levende Trollok of Myrddraal in Tweewater was. Hij stak zijn duimen achter zijn riem om niet over zijn bijl te strelen. ‘Het zal niet makkelijk zijn,’ zei hij ten slotte. ‘Ik zou je gezelschap erg op prijs stellen, maar ik begrijp het als je weg wilt. Dit is niet jouw strijd, en je hebt al genoeg van het gezelschap van Emondsvelders te verduren gehad om te blijven. En je zult hier nauwelijks aan het schrijven van je boek toekomen.’

‘Hier of daar, het is dezelfde strijd,’ zei Loial. ‘Het boek kan wachten. Misschien ga ik een hoofdstuk aan jou wijden.’

‘Ik zei dat ik met je mee zou gaan,’ merkte Gaul op zonder dat hem iets gevraagd was. ‘Ik heb nooit bedoeld: tot de reis zwaar zou worden. Ik heb een bloedschuld bij je.’

Bain en Chiad keken vragend naar Faile, en toen ze knikte, besloten ook zij om te blijven.

‘Koppig en dwaas,’ zei vrouw Alveren, ‘jullie allemaal. Jullie zullen allemaal nog aan de galg eindigen, als je nog zo lang leeft. Dat weten jullie, nietwaar?’ Toen ze haar slechts aankeken, maakte ze haar schort los en trok hem over haar hoofd uit. ‘Nou, als jullie dwaas genoeg zijn om te blijven, kan ik jullie maar beter laten zien waar jullie je kunnen verbergen.’

Haar echtgenoot zag haar plotselinge overgave verbaasd aan, maar hij herstelde zich snel. ‘Ik dacht aan het oude heelhuis, Marin. Niemand gaat er nog naartoe, en ik denk dat het grootste deel van het dak nog goed is.’