Выбрать главу

Toen Perijn nog een jongen was, had aan de oostkant van het dorp het nieuwe heelhuis gestaan, zoals het werd genoemd. Daar, achter de molen van baas Tan, werden mensen met een besmettelijke ziekte gebracht. Het oude heelhuis had in het Westwoud gestaan en was eenmaal bijna geheel vernield door een hevige storm. Perijn herinnerde het zich als een huis dat voor de helft was overwoekerd met wingerdranken en doornstruiken, met broedende vogels in de resten van het rieten dak, en een dassenhol onder de achtertrap. Het zou een goede schuilplaats zijn.

Vrouw Alveren keek Bran scherp aan, alsof ze van zijn idee geschrokken was. ‘Dat kan er wel mee door, denk ik. Tenminste voor vannacht. Ik zal ze erheen brengen.’

‘Dat hoeft niet, Marin. Ik kan ze gemakkelijk meenemen, als Perijn de weg niet meer weet.’

‘Soms vergeet je dat je de dorpsmeester bent, Bran. Je trekt de aandacht; mensen zullen zich afvragen waar je naartoe gaat en wat je in je schild voert. Je kunt beter hier blijven, en als iemand langskomt, zorg er dan voor dat ze weggaan, terwijl ze denken dat alles is zoals het moet zijn. In de pan zit een stoofpot van schapenvlees en er staat wat linzensoep, die je alleen maar hoeft op te warmen. En Bran, zeg niemand iets over het heelhuis. Het is het beste dat iedereen vergeet dat het nog bestaat.’

‘Ik ben geen dwaas, Marin,’ zei hij stijfjes.

‘Dat weet ik wel, lieverd.’ Ze tikte haar echtgenoot tegen zijn wang, maar toen ze haar blikken naar de overigen liet dwalen, verhardden haar ogen zich. ‘Jullie zorgen wel voor moeilijkheden,’ mompelde ze, voordat ze aanwijzingen gaf.

Om geen aandacht te trekken moesten ze in kleinere groepjes gaan. Zelf zou ze door het dorp lopen en hen in de bossen aan de andere kant weer ontmoeten. De Aiel verzekerden haar dat ze de door haar beschreven eik, die door de bliksem gespleten was, konden vinden en glipten de achterdeur uit. Perijn wist het ook: een enorme boom, die een span buiten de rand van het dorp stond en eruitzag alsof hij door een bijl doormidden was gespleten, maar op de een of andere manier toch in leven was gebleven en zelfs tot bloei kon komen. Hij wist zeker dat hij zelf zonder omwegen of moeilijkheden bij het heelhuis kon komen, maar vrouw Alveren stond erop dat iedereen elkaar bij de eik zou ontmoeten.

‘Als jij in je eentje gaat rondzwerven, Perijn, mag het Licht weten in welke kuil je belandt.’ Ze keek op naar Loial – hij stond nu rechtop en zijn warrige haardos veegde langs de dakbalken – en zuchtte, ik zou graag iets voor uw lengte willen verzinnen, baas Loial. Ik weet dat het warm is, maar zou u uw mantel willen dragen, met de kap omhoog? Zelfs nu zijn mensen er al heel snel van overtuigd dat ze niet zagen wat ze zagen, als het niet is wat ze verwachtten. Maar als ze een glimp van uw gezicht opvangen... Niet dat u niet knap bent, hoor, maar u kunt nooit voor iemand uit Tweewater doorgaan.’ Loials glimlach onder de grote platte neus spleet zijn gezicht in tweeën. ‘Het lijkt me vandaag helemaal niet te warm voor een mantel, vrouw Alveren.’

Ze greep een lichte, gebreide sjaal met blauwe franjes en begeleidde Perijn, Faile en Loial naar de stal om hen te zien vertrekken, en even leek het of hun poging tot heimelijkheid gedoemd was te mislukken. Cen Buin, die eruitzag alsof hij van knobbelige oude wortels gemaakt was, stond met zijn kraaloogjes onderzoekend de paarden te bekijken. Vooral Loials paard, dat net zo groot was als een van Brans Durraners. Cen krabde zich op zijn hoofd en staarde naar het geweldige zadel. En zijn ogen werden eens zo groot toen hij Loial ontwaarde. Cens onderkaak klapperde. ‘Tr-Tr-Trollok!’ slaagde hij er uiteindelijk in uit te brengen.

‘Wees geen dwaas, Cen Buin,’ zei Marin streng, en stapte naar de andere kant om de aandacht van de rietdekker af te leiden. Perijn hield zijn hoofd omlaag, keek naar zijn boog en bewoog niet. ‘Zou ik met een Trollok op mijn eigen achtertrap gaan staan?’ Ze snoof verachtelijk. ‘Baas Loial is een Ogier. En dat zou je horen te weten als je niet zo’n twistzieke gans was, die liever klaagt dan kijkt wat er voor zijn neus staat. Hij vertrekt weer en heeft geen tijd om lastig gevallen te worden door mensen als jij. Ga aan je werk en laat onze gasten met rust. Je weet heel goed dat Corin Ayellin al maanden achter je aan zit over jouw slechte werk op haar dak.’

Cen vormde geluidloos het woord ‘Ogier’, met knipperende ogen. Even scheen het of hij zichzelf op zou zwepen om zijn eigen handwerk te verdedigen, maar toen gleed zijn blik naar Perijn. Zijn ogen vernauwden zich. ‘Hij! Hij is het! Ze willen jou hebben, jongen! Deugniet! Ervandoor gaan met een Aes Sedai en een Duistervriend worden. Daardoor zijn die Trolloks toen gekomen. Nou ben je terug, en zij ook. Ga je me vertellen dat dat toeval is? Wat is er met je ogen? Ben je ziek? Je hebt een of andere ziekte meegebracht om ons allemaal te doden, alsof Trolloks al niet genoeg zijn? De Kinderen van het Licht zullen met je afrekenen. Eens kijken of ze dat lukt.’

Perijn voelde Faile verstrakken en legde haastig een hand op haar arm toen hij besefte dat ze een mes wilde trekken. Wat dacht ze te doen? Cen was een onverbeterlijke oude dwaas, maar dat was geen reden om messen te trekken. Ze hief geërgerd haar hoofd, maar liet het er gelukkig bij.

‘Dat is genoeg, Cen,’ zei Marin scherp. ‘Hou dit voor je. Of ben jij ook met je verhaaltjes hollend naar de Witmantels gegaan, net als Hari en zijn broer Darl? Ik heb zo mijn vermoedens, toen de Witmantels in Brans boeken kwamen snuffelen. Zes hebben ze er meegenomen, zés, en ze hebben Bran onder zijn eigen dak de les gelezen over schennis van het Licht. Schennis, nou vraag ik je! Omdat ze het niet eens waren met wat in een boek stond. Je boft dat ik je niet dwing om die boeken te vervangen. Ze hebben de hele herberg als wezels overhoop gehaald. Op zoek naar nog meer “schennend geschrijf”, zeiden ze. Alsof iemand een boek zou willen verbergen. Hebben alle matrassen van de bedden gegooid, een puinhoop van mijn linnenkasten gemaakt. Je hebt geluk dat ik je niet naar binnen heb gesleurd om het allemaal weer op te ruimen.’

Met iedere zin kromp Cen nog meer in elkaar, tot het leek alsof hij zijn hoofd tussen zijn bottige schouders wilde verstoppen. ‘Ik heb ze helemaal niks gezegd, Marin,’ jammerde hij. ‘Alleen maar omdat iemand zegt – ik bedoel, ik zei alleen maar, gewoon, terloops...’ Hij vermande zich en kreeg iets van zijn oude manier van doen terug, hoewel hij nog steeds haar ogen vermeed, ik neem dit op met de raad, Marin. Over hem, bedoel ik.’ Hij wees met een kromme vinger naar Perijn. ‘Zolang hij hier is, zijn we allemaal in gevaar. Als de Kinderen erachter komen dat jij hem onderdak hebt gegeven, zouden ze ons de schuld kunnen geven. En dan krijgen we wat anders dan kreukels in het linnengoed.’

‘Dit zijn zaken van de vrouwenkring.’ Marin verschikte de sjaal om haar schouders en schoof naar hem toe tot ze oog in oog stonden. Hij was iets groter, maar haar plotselinge ernstige vormelijkheid gaf de doorslag. Hij sputterde nog wat, maar ze pakte hem helemaal in toen hij poogde nog wat te zeggen. ‘Zaken van de vrouwenkring, Cen Buin. Als jij denkt dat het niet zo is, als jij maar durft te denken dat ik een leugenaar ben, ga het dan maar overal rondkramen. Rep met één woord over de zaken van de vrouwenkring, tegen wie dan ook, één woord tegen de dorpsraad...’

‘De kring heeft niet het recht zich met raadszaken te bemoeien,’ schreeuwde hij.

‘... en ik zorg ervoor dat je vrouw je niet eens bij de koeien laat slapen. Dan mag je eten wrat je melkkoeien laten staan. Denk je dat de raad boven de kring gaat? Ik zal Daise Kongar naar je toesturen om je van het tegendeel te overtuigen, als je nog overtuigd moet worden.’ Cen kromp ineen, en dat mocht ook wel. Als Daise Kongar de Wijsheid was, zou ze minstens een jaar elke dag vieze drankjes in zijn strot persen, en Cen was te schriel om haar te weerstaan. Alsbet Lohan was de enige vrouw in Emondsveld die groter was dan Daise, en Daise had iets venijnigs in zich, en een karakter dat erbij paste. Perijn kon zich niet voorstellen dat zij de Wijsheid was. Nynaeve zou de stuipen krijgen als ze hoorde wie haar was opgevolgd. Zelf had Nynaeve altijd gemeend dat ze vriendelijk en overredend optrad. ‘Je hoeft niet gemeen te worden, Marin,’ zei Cen verzoenend. ‘Als jij wilt dat ik me koest hou, hou ik me koest. Maar, vrouwenkring of niet, je riskeert dat wij allemaal de Kinderen op ons dak krijgen.’ Marin trok alleen haar wenkbrauwen op en even later schoof hij brommend weg.