‘Goed werk,’ zei Faile toen Cen om de hoek van de herberg verdween, ik geloof dat ik wat lessen bij u moet nemen. Ik kan nog lang zo goed niet met Perijn omspringen als u met meester Alveren en die kerel.’ Ze glimlachte Perijn toe om te tonen dat ze een grapje maakte. Dat hoopte hij tenminste.
‘Je moet weten wanneer je de teugels moet aanhalen,’ zei de oudere vrouw verstrooid, ‘en de vrije teugel als het niet uitmaakt. Geef ze hun zin als het niet belangrijk is en je kunt ze gemakkelijker beteugelen als het dat wel is.’ Ze keek Cen fronsend na en besteedde nauwelijks aandacht aan wat ze zei, behalve misschien toen ze eraan toevoegde: ‘En enkele mannen zouden ze in een stal moeten vastbinden en verder vergeten.’
Perijn kwam haastig tussenbeide. Faile had zeker niet meer van dit soort raad nodig. ‘Zal hij zijn mond houden, vrouw Alveren?’ Ze aarzelde en zei toen: ‘Ik geloof het wel. Cen is geboren met een zeurtand, en dat is met de jaren alleen maar erger geworden, maar hij is geen Hari Kopin of iemand van dat stel.’ Maar ze had geaarzeld. ‘Dan moesten we maar gaan.’ Niemand protesteerde. De zon stond al hoger dan hij verwacht had, reeds voorbij het middaguur, wat betekende dat de meeste mensen thuis waren om te eten. Op de weiden waren alleen de jongens nog te zien die op de koeien en schapen letten. Ze zaten hun brood te eten dat ze in een keukendoek hadden meegekregen, en vonden dat veel belangrijker dan erop te letten wie er op het verre karrenspoor voorbijkwam. Maar ondanks de diepe kap over zijn gezicht trok Loial toch enkele nieuwsgierige ogen. Zelfs op Stapper kwam Perijn niet hoger dan de borst van de Ogier op zijn hoge rijdier. Vanuit de verte moest het hebben geleken op een volwassene met twee kinderen, allemaal op bergpaardjes, die kleine pakpaardjes meevoerden. Zeker een ongewoon gezicht, maar Perijn hoopte dat ze dachten zoiets te zien. Praten zou de aandacht trekken. Hij moest die aandacht zien te voorkomen, tot hij baas Lohan en de anderen bevrijd had. Als Cen zijn mond maar hield. Hij had eveneens zijn mantelkap op. Dat kon ook praatjes veroorzaken, maar niet zoveel als iemand zijn baard zag en zou beseffen dat hij helemaal geen kind was. Gelukkig was het geen echt warme dag. Na Tyr voelde het bijna aan alsof het lente was en geen zomer.
Hij vond de gespleten eik moeiteloos. De twee helften weken uiteen in een brede vork waarvan de zwarte binnenkant zo hard was als ijzer. De grond onder de zware takken was kaal. De weg door het dorp was korter dan die eromheen, dus stond vrouw Alveren, ietwat ongeduldig haar sjaal schikkend, al te wachten. De Aiel waren er ook al en zaten gehurkt op een laag oude eikenbladeren en door de eekhoorns afgeknaagde eikeldoppen. Gaul zat apart van de twee vrouwen. De Speervrouwen en Gaul hielden elkaar minstens zo goed in de gaten als het omringende bos. Perijn twijfelde er niet aan dat ze deze plek ongezien bereikt hadden. Hij wou dat hij dat ook kon; hij kon redelijk goed in bossen rondsluipen, maar voor de Aiel leek het niet uit te maken of het bossen waren, landbouwgrond of een stad. Als ze niet gezien wilden worden, vonden ze een manier om niet gezien te worden. Vrouw Alveren stond erop dat ze de rest van de tocht te voet aflegden; ze beweerde dat het pad te veel was overwoekerd om te rijden. Perijn was het er niet mee eens, maar hij steeg toch af. Het was ongetwijfeld geen pretje om ruiters te voet voor te gaan. Hoe dan ook, zijn hoofd zat vol plannen. Hij moest het Witmantelkamp op Wachtheuvel zien, voordat hij kon beslissen hoe vrouw Lohan en de anderen bevrijd moesten worden. En waar verborgen Tham en Abel zich? Bran en vrouw Alveren hadden het niet gezegd; misschien wisten ze het niet. Als Tham en Abel de gevangenen nog niet hadden bevrijd, zou het een moeilijke taak worden. Maar hij moest het op de een of andere manier klaarspelen. Daarna kon hij zijn aandacht op de Trolloks richten. De dorpelingen waren hier al in geen jaren meer geweest, en het pad was verdwenen. Maar de hoge bomen hadden het onderhout grotendeels tegengehouden. De Aiel gleden met de anderen over het pad, al gaven ze op aandrang van vrouw Alveren gevolg aan haar vraag bij elkaar te blijven. Loial mompelde goedkeurend bij het zien van grote eiken of bijzonder grote sparren en lederbladbomen. Soms zong er een spotter of een roodborst in de bomen, en een keer rook Perijn een vos die hen voorbij zag lopen.
Plotseling ving hij de geur van mensen op, die er eerst niet geweest was, en hoorde hij zwak geritsel. De Aiel verstrakten en doken met getrokken speer in elkaar. Perijn reikte naar zijn pijlkoker. ‘Rustig,’ zei vrouw Alveren heftig, en gebaarde dat ze hun wapens moesten laten zakken. ‘Alsjeblieft, beheers je.’
Plotseling stonden er twee mannen voor hen. De een was lang, slank en donker, de ander klein, ineengedrongen en met grijzend haar. Ze hadden allebei een boog met een pijl op de pees, klaar om geheven en afgeschoten te worden. Ze hadden pijlkokers en zwaarden op hun heupen. Beiden droegen mantels die in het omringende gebladerte leken op te gaan.
‘Zwaardhanden!’ riep Perijn uit. ‘Waarom hebt u ons niet verteld dat er hier Aes Sedai zijn, vrouw Alveren? .Vleester Alveren zei er ook niets van. Waarom?’
‘Omdat hij het niet weet,’ zei ze haastig, ik heb niet gelogen toen ik zei dat het zaken van de kring waren.’ Ze richtte zich tot de twee zwaardhanden, die zich nog geen duimbreed ontspannen hadden. ‘Tomas, Ihvon, jullie kennen me. Doe die bogen omlaag. Je weet dat ik hier nooit iemand zou brengen die gevaar zou opleveren.’
‘Een Ogier,’ zei de grijsharige man, ‘Aiel, een man met gele ogen – de jongen natuurlijk die de Witmantels zoeken – en een felle jonge vrouw met een mes.’ Perijn keek even naar Faile, die een mes vasthield, klaar om geworpen te worden. Ditmaal was hij het met haar eens. Deze twee konden zwaardhanden zijn, maar ze maakten geen aanstalten hun bogen te laten zakken; hun gezichten hadden uit een aambeeld gehouwen kunnen zijn. De Aiel zagen eruit of ze meteen de dans met de speren konden beginnen zonder zich tijd voor de zwarte sluier te gunnen. ‘Een vreemde groep, vrouw Alveren,’ ging de oudere zwaardhand door. ‘We zullen zien. Ihvon?’ De slanke man knikte en verdween in het struikgewas. Perijn kon de man nauwelijks horen. Zwaardhanden bewogen zich als de dood zelf, als ze dat verkozen. ‘Wat bedoelt u met zaken van de vrouwenkring?’ wilde hij weten, ik weet dat Witmantels moeilijkheden veroorzaken als ze het weten van de Aes Sedai, dus u wilde het natuurlijk niet vertellen aan Hari Kopin, maar waarom houdt u ze voor de dorpsmeester verborgen? En voor ons?’
‘Omdat we dat hebben besloten,’ zei vrouw Alveren geprikkeld. Ze leek geprikkeld, zowel over Perijn als over de zwaardhand, die hen nog steeds bewaakte – er was geen ander woord voor – met misschien nog wat ergernis over de Aes Sedai. ‘Ze waren in Wachtheuvel toen de Witmantels kwamen. Niemand wist wie ze waren, behalve de vrouwenkring daar, die hen voor een schuilplaats naar ons doorstuurde. Niemand weet het, Perijn. Een geheim kun je het best geheim houden door het niemand te vertellen. Het Licht beware me, ik ken twee vrouwen die niet langer het bed van hun mannen delen omdat ze bang zijn om in hun slaap te praten. We waren het eens om het geheim te houden.’
‘Waarom besloot u dat te veranderen?’ vroeg de grijsharige zwaardhand met harde stem.
‘Om wat ik een goede en voldoende reden vind, Tomas.’ Door de manier waarop ze haar sjaal schikte, vermoedde Perijn dat ze hoopte dat de vrouwenkring en de Aes Sedai er ook zo over zouden denken. Men zei dat de kring voor elkaar zelfs nog strenger was dan voor de rest van het dorp. ‘Waar kan ik je beter verbergen, Perijn, dan bij de Aes Sedai? Je bent toch zeker niet bang voor ze, nadat je hier met een Aes Sedai bent weggegaan. En... je komt er gauw genoeg achter. Je zult me gewoon moeten vertrouwen.’