Выбрать главу

‘Er zijn Aes Sedai en Aes Sedai,’ zei Perijn. Maar de Rode Ajah, die hij de ergste vond, bonden geen zwaardhanden; Rode Ajah moesten niets van mannen hebben. Deze Tomas had donkere, trouwe ogen. Ze konden de zwaardhand bespringen of gewoon weglopen, maar de eerste de beste die zoiets zou proberen, zou zeker door de zwaardhand neergeschoten worden, en Perijn durfde te wedden dat de man vliegensvlug nieuwe pijlen kon aanleggen. De Aiel leken het met hem eens te zijn; ze zagen eruit alsof ze nog steeds alle kanten op konden springen, maar ook alsof ze konden blijven staan waar ze stonden tot de zon bevroor. Perijn klopte Faile op de schouder. ‘Het komt allemaal in orde,’ zei hij.

‘Natuurlijk,’ antwoordde ze glimlachend. Ze had het mes weggestoken. ‘Als vrouw Alveren het zegt; ik vertrouw haar.’ Perijn hoopte dat ze gelijk had. Hij vertrouwde mensen nu minder dan vroeger. Geen Aes Sedai. Misschien zelfs Marin Alveren niet. Maar deze Aes Sedai zouden hem kunnen helpen de Trolloks te bevechten. Hij zou iedereen vertrouwen die dat deed. Maar in hoeverre kon hij op Aes Sedai rekenen? Ze deden alles om hun eigen redenen. Voor hem was Tweewater een thuis, maar voor hen kon het een stuk op een Steenbord zijn. Faile en Marin Alveren schenen echter vol vertrouwen, en de Aiel wachtten. Op dit moment leek hij weinig keus te hebben.

31

Geruststellingen

Ihvon was snel terug. ‘U kunt verder gaan, vrouw Alveren,’ zei hij slechts voordat hij en Tomas weer in de struiken verdwenen zonder zelfs maar een blaadje te laten ritselen.

‘Ze zijn erg goed,’ mompelde Gaul, die nog steeds argwanend om zich heen keek.

‘Een kind zou zich hier kunnen verbergen,’ zei Chiad, die een tak van een roodbesstruik wegsloeg. Maar ze bespiedde het struikgewas even scherp als Gaul.

Geen van de Aiel leek erop gebrand om verder te gaan. Het was nog geen tegenzin, en beslist geen angst, maar ze waren er zeker niet happig op. Perijn hoopte dat hij er ooit eens achter zou komen wat de gevoelens van de Aiel ten opzichte van Aes Sedai waren. Ooit. Vandaag was hij er ook niet al te happig op.

‘Laten we die Aes Sedai van u maar eens ontmoeten,’ zei hij stug. Het oude heelhuis was nog erger vervallen dan hij zich herinnerde. Het was een uitgestrekt huis dat scheef overhelde. De helft van de kamers had geen dak, en in een ervan rees een veertig voet hoge bittergom-boom op. Het woud rukte van alle kanten op. Een dik kluwen van ranken en doorns slingerde zich tegen de muren op en bedekte het laatste stuk dak met een groene deken. Hij dacht dat misschien alleen daardoor de bouwval overeind bleef staan. De voordeur was vrijgemaakt. Hij rook paarden en een vage geur van bonen en ham, maar vreemd genoeg niet de geur van een houtvuur.

Ze bonden hun dieren aan lage takken en volgden vrouw Alveren naar binnen, waar de wingerd voor de raamopeningen slechts weinig licht toeliet. De grote voorkamer was kaal, met stof in de hoeken en een paar spinnenwebben die bij een haastige schoonmaak over het hoofd waren gezien. Op de vloer lagen vier wollen dekens uitgerold, en er stonden zadels, zadeltassen en netjes dichtgebonden bundels tegen de muur. Een keteltje op een haardsteen verspreidde de etensgeur, ondanks het ontbreken van elk vuur. Een kleiner keteltje scheen voor theewater te zijn, dat bijna kookte. Twee Aes Sedai wachtten hen op. Marin Alveren maakte een haastige buiging en spuide een snelle waterval van voorstellen en verklaringen.

Perijn steunde met zijn kin op zijn boog. Hij herkende de Aes Sedai. Verin Matwin, gezet en met een vierkant gezicht. Ze had grijze strengen in haar haren, ondanks haar eeuwig jonge gladde Aes Sedai-trekken. Zoals alle zusters van de Bruine Ajah leken haar gedachten vaak de helft van de tijd gericht op haar speurtocht naar kennis, of die nu oud, nieuw of vergeten was. Maar soms, nu bijvoorbeeld, logenstraften haar donkere ogen de vage, dromerige uitdrukking, terwijl ze langs Marin heen keek met een nagelharde blik. Zij was volgens hem een van de twee Aes Sedai die behalve Moiraine van Rhand wisten, en hij vermoedde dat zij meer over hemzelf wist dan ze liet blijken. Haar ogen kregen al luisterend naar Marin weer die vage uitdrukking, maar in een ommezien had ze hem op haar eigen weegschaal gewogen en hem in haar eigen plannen verwerkt. Hij zou heel voorzichtig met haar moeten zijn.

De andere was een donkere, slanke vrouw in donkere groenzijden rijkleding, die scherp afstak tegen Verins eenvoudige bruine jurk met de inktvlekken op de mouwomslagen. Hij had haar nog nooit ontmoet en slechts eenmaal gezien. Alanna Mosvani was van de Groene Ajah, als hij het zich goed herinnerde. Een prachtige vrouw met lang, zwart haar en doordringende donkere ogen. Ook deze ogen keken hem onderzoekend aan, terwijl ze naar Marin luisterde. Hij herinnerde zich een opmerking van Egwene. Er zijn een paar Aes Sedai die niets van Rhand zouden moeten weten en te veel belangstelling voor hem aan den dag leggen. Elaida bijvoorbeeld, en Alanna Mosvani. Ik geloof niet dat ik een van beiden vertrouw. Misschien was het goed om Egwenes woorden ter harte te nemen, tot hij een eigen oordeel had gevormd. Hij spitste de oren toen Marin, nog steeds ietwat verdedigend, zei: ‘U vroeg naar hem, Verin Sedai. Perijn, bedoel ik. Naar alledrie de jongens, maar ook naar Perijn. De gemakkelijkste manier om te voorkomen dat hij gedood wordt, was om hem naar u te brengen. Het ontbrak me aan tijd dat eerst te vragen. Zegt u dat onder...’

‘Het is in orde, vrouw Alveren,’ onderbrak Verin haar op kalmerende toon. ‘Je hebt precies het goede gedaan. Perijn is nu in goede handen. Ik krijg zo bovendien de kans om meer over de Aiel te leren, en het is altijd een genoegen om met een Ogier te praten. Ik ga je uithoren, Loial. Ik heb een paar heel boeiende zaken in Ogierboeken gevonden.’ Loial gaf haar een warme glimlach; alles wat met boeken te maken had, scheen hem plezier te doen. Maar Gaul wisselde behoedzame blikken met Bain en Chiad.

‘Het is in orde, als u het maar geen tweede keer doet,’ zei Alanna streng. ‘Tenzij... Je bent alleen?’ vroeg ze aan Perijn, met een stem die geen aarzeling duldde. ‘Zijn de andere twee ook hier?’

‘Waarom zijn jullie hier?’ kaatste hij onmiddellijk terug. ‘Perijn!’ zei vrouw Alveren scherp. ‘Gedraag je! Mogelijk heb je daarginds in de wereld ruwe manieren opgepikt, maar hier, thuis, kun je zoiets maar beter vergeten.’

‘Laat maar,’ zei Verin. ‘Perijn en ik zijn inmiddels oude vrienden. Ik begrijp hem.’ Even glinsterden haar donkere ogen hem toe. ‘Wij zullen voor hem zorgen.’ Alanna’s koele woorden leken veel meer te betekenen.

Verin glimlachte en klopte op Marins schouder. ‘Je kunt maar beter teruggaan naar het dorp. We willen niet dat iemand zich gaat afvragen waarom je een wandelingetje in de bossen maakt.’ Vrouw Alveren knikte. Ze bleef bij Perijn staan en legde een hand op zijn arm. ‘Je weet dat ik met je meeleef,’ zei ze zacht. ‘Maar bedenk wel dat je dood niemand helpt. Doe wat de Aes Sedai je zeggen.’ Hij mompelde iets vaags, maar ze leek er tevreden mee. Toen vrouw Alveren weg was, zei Verin: ‘Wij voelen ook met je mee, Perijn. Als wij iets hadden kunnen doen, zouden we dat gedaan hebben.’

Hij wilde nu niet aan zijn familie denken. ‘Jullie hebben nog steeds geen antwoord op mijn vraag gegeven.’

‘Perijn!’ Faile slaagde erin vrouw Alverens toon bijna te evenaren, maar hij schonk er geen aandacht aan.

‘Waarom zijn jullie hier? Het is toch wel erg toevallig dat Witmantels én Trolloks én jullie tweeën precies tegelijk in Tweewater opduiken.’

‘Helemaal geen toeval,’ zei Verin. ‘O, het theewater kookt.’ Terwijl het geborrel verminderde, hield ze zich bezig met een handvol theeblaadjes voor de ketel en stuurde ze Faile voor enkele metalen mokken naar een pak bij de muur. Alanna had haar armen over elkaar geslagen en haar scherpe ogen, die strak op Perijn bleven gericht, vormden een vreemde tegenstelling met haar koele gelaatstrekken. ‘Ieder jaar,’ ging Verin door, ‘vinden we minder en minder meisjes die we het geleiden kunnen bijbrengen. Sheriam meent dat we de laatste drieduizend jaar misschien wel bezig zijn geweest die aanleg uit de hele mensheid te wieden door iedere mannelijke geleider te stillen. Het bewijs hiervoor, zegt ze, is dar we zo weinig mannen meer vinden. Bedenk maar eens: nog maar honderd jaar geleden vonden we er twee of drie in een jaar, en vijfhonderd jaar...’