Perijn fronste en vroeg zich af of ze hem voor de gek hielden, maar voor hij iets kon zeggen raakte de Heling hem alsof hij in ijs veranderde. Hij kon slechts hijgen. Die paar tellen voordat Alanna hem losliet, leken eindeloos.
Toen hij zijn adem terug had, hield de Groene zuster haar handen rond het vlammend rode haar van Bain. Verin zorgde voor Gaul, en Chiad probeerde haar linkerarm uit en zwaaide hem met een tevreden gezicht heen en weer.
Faile nam Alanna’s plaats naast Perijn in en streek met een vinger over zijn wang en het litteken onder zijn oog. ‘Een teken van schoonheid,’ zei ze met een kleine glimlach. ‘Een wat?’
‘O, iets wat sommige Domani doen. Zomaar iets.’ Ondanks haar glimlach, of misschien juist daardoor, keek hij boos en achterdochtig. Ze hield hem voor de gek, alleen begreep hij niet precies hoe.
Ihvon gleed de kamer in, fluisterde wat in Alanna’s oor en verdween weer naar buiten. Hij maakte amper geluid, zelfs niet op de houten vloer. Even later kondigde het schrapen van laarzen op de trap nieuwe bezoekers aan.
Perijn sprong overeind toen Tham Altor en Abel Cauton in de deuropening verschenen. Ze hadden hun bogen in de hand en zagen er in hun verfomfaaide kleren en met hun twee dagen oude, grijzige baarden uit als mannen die in de buitenlucht hadden geslapen. Ze hadden gejaagd; er hingen vier konijnen aan Thams riem en drie aan die van Abel. Het wras duidelijk dat ze van de Aes Sedai wisten, en van bezoekers, maar ze staarden verbijsterd naar Loial met zijn pluimoren en brede snoet. Toen Tham de Aiel zag, gleed er een flits van herkenning over zijn open, verweerde gezicht.
Thams blik bleef even nadenkend op hen rusten, totdat hij Perijn ontwaarde, met een schok die bijna even groot was als toen hij Loial zag. Hij was een stevige man met een brede borstkas. Ondanks zijn bijna grijze haar leek hij het soort man dat slechts bij een aardbeving zou wankelen, en dat er meer moest gebeuren om hem te verrassen. ‘Perijn, jongen!’ riep hij uit. is Rhand bij je?’
‘En Mart?’ voegde Abel er gretig aan toe. Hij was een ouder en grijzer evenbeeld van Mart, maar met ernstiger ogen. Een man met een lenige stap die met de jaren niet veel omvangrijker was geworden. ‘Het gaat goed met ze,’ zei Perijn. ‘Ze zijn in Tyr.’ Uit zijn ooghoeken ving hij Verins blik op; ze wist heel goed wat Tyr voor Rhand betekende. Alanna leek er helemaal geen aandacht aan te besteden. ‘Ze zouden meegekomen zijn als ze hadden geweten hoe ernstig de toestand hier was.’ Dat was waar, daar was hij zeker van. ‘Mart brengt zijn tijd door met dobbelen – en winnen – en het kussen van de meisjes. Rhand... nou, toen ik Rhand voor het laatst zag, droeg hij een mooie jas en had hij een aardig, goudblond meisje aan zijn arm.’
‘Dat klinkt als mijn Mart,’ grinnikte Abel.
‘Misschien is het maar goed dat ze niet gekomen zijn,’ zei Tham langzamer, ‘met al die Trolloks. En de Witmantels...’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Je weet dat de Trolloks zijn teruggekomen?’ Perijn knikte. ‘Had die Aes Sedai gelijk? Moiraine. Zaten ze die Winteravond achter jullie drieën aan? Ben je er ooit achter gekomen waarom?’ De Bruine zuster keek Perijn waarschuwend aan. Alanna ging helemaal op in het nazoeken van haar zadeltassen, maar hij dacht dat ze nu meeluisterde. Toch was dat niet de reden van zijn aarzeling. Hij kon met geen mogelijkheid Tham onthullen dat zijn zoon kon geleiden, dat Rhand de Herrezen Draak was. Hoe kon je een man zoiets vertellen? In plaats daarvan zei hij: ‘Dat zult u Moiraine moeten vragen. Aes Sedai vertellen je niet meer dan ze moeten.’
‘Dat heb ik gemerkt,’ zei Tham droog.
Beide Aes Sedai luisterden nu echt mee en maakten daar geen geheim van. Alanna trok een ijzige wenkbrauw naar Tham op, en Abel schuifelde met zijn voeten alsof hij dacht dat Tham zijn geluk op de proef stelde. Maar er was meer dan een blik voor nodig om Tham schrik aan te jagen.
‘Kunnen we buiten even praten?’ vroeg Perijn aan de twee mannen, ik heb wat frisse lucht nodig.’ Hij wilde praten zonder toekijkende en meeluisterende Aes Sedai, maar dat kon hij moeilijk zeggen. Tham en Abel stemden ermee in. Ze wilden misschien net zo graag aan Verins en Alanna’s aandacht ontsnappen, maar ze moesten eerst de konijnen kwijt, die ze allemaal aan Alanna gaven. ‘We wilden er twee voor onszelf houden, maar het ziet ernaar uit dat jullie meer monden te voeden hebben.’
‘Het is niet nodig.’ De Groene zuster zei het alsof ze het al eerder had gezegd.
‘We betalen graag voor wat we krijgen,’ zei Tham op dezelfde toon. ‘De Aes Sedai waren zo vriendelijk om ons met hun Heling te helpen,’ voegde hij er voor Perijn aan toe, ‘en we willen wat welwillendheid opbouwen voor het geval we het weer nodig hebben.’ Perijn knikte. Hij kon begrijpen waarom ze geen geschenk van de Aes Sedai wilden hebben. Het oude spreekwoord luidde: Aan een geschenk van een Aes Sedai zit altijd iets vast. Nou, hij wist hoe waar dat kon zijn. Maar het maakte niet uit of je het geschenk aannam of ervoor betaalde; Aes Sedai wisten je toch aan hun haak te slaan. Verin sloeg hem met een glimlachje gade, alsof ze wist wat hij dacht. Toen de drie mannen met hun bogen naar buiten liepen, kwam Faile overeind om achter hen aan te gaan. Perijn schudde zijn hoofd en tot zijn verbazing ging ze weer zitten. Hij vroeg zich af of ze ziek was. Buiten wachtte hij nog even, zodat Tham en Abel Stapper en Zwaluw konden bewonderen, en vervolgens kuierden ze een stukje onder de bomen door. De zon gleed naar het westen en de schaduwen werden langer. De mannen maakten een paar grappen over zijn baard, maar zeiden helemaal niets over zijn ogen. Vreemd genoeg hinderde hem dat helemaal niet. Hij had grotere zorgen dan iemands gedachten over zijn vreemde ogen.
Op Abels vraag of ‘dat ding’ goed was als soepfilter, wreef hij zijn baard en zei zachtmoedig: ‘Faile vindt het leuk.’
‘Aha,’ gniffelde Tham. ‘Dat is het meisje, niet? Ze heeft iets vurigs, jongen. Die zal je in je slaap warm houden en je zult moeite hebben boven en onder uit elkaar te houden.’
‘Er is maar één manier om met dat soort meisjes om te gaan,’ zei Abel knikkend. ‘Laat haar geloven dat ze de zaken regelt. Als het dan echt belangrijk is, en jij zegt dat het anders moet, dan heb je, tegen de tijd dat ze over de schok heen is, de zaken geregeld zoals jij ze wilt hebben, en dan is het voor haar te laat om jou te dwingen het te veranderen.’
Dat leek sterk op wat vrouw Alveren aan Faile had verteld over haar aanpak van mannen. Hij vroeg zich af of Abel en Marin hierover van gedachten hadden gewisseld. Niet zo waarschijnlijk. Misschien loonde het de moeite het bij Faile uit te proberen, hoewel zij, hoe dan ook, altijd haar zin -leek te krijgen.
Hij gluurde over zijn schouder. Het heelhuis was bijna helemaal achter de bomen verborgen. Ze moesten buiten het bereik van de oren van de Aes Sedai zijn. Hij luisterde zorgvuldig en haalde diep adem. Ergens in de verte trommelde een specht. Boven hun hoofden, tussen de bladeren, zaten eekhoorns, en niet lang geleden was een vos langsgekomen met zijn prooi, een konijn. Behalve hen drieën rook hij nergens mensen, niets wat een onzichtbare zwaardhand verried. Misschien was hij te voorzichtig, maar, terecht of niet, hij vond het al te toevallig dat beide Aes Sedai vrouwen waren die hij eerder had ontmoet. De ene zuster iemand die Egwene niet vertrouwde en de andere een vrouw van wie hij zich afvroeg of hij haar zelf wel vertrouwde. ‘Zitten jullie hier?’ vroeg hij. ‘Met Verin en Alanna?’
‘Nauwelijks,’ zei Abel. ‘Hoe kan een man onder één dak slapen met Aes Sedai? Wat er aan dak over is.’
‘We vonden dit een goede plaats om ons te verbergen,’ zei Tham, ‘maar zij waren ons al voor. Ik denk dat die zwaardhanden ons allebei gedood zouden hebben als Marin en enkele andere vrouwen van de vrouwenkring er niet waren geweest.’
Abel grimlachte, ik geloof dat ze tegengehouden werden toen de Aes Sedai hoorden wie wij waren. Wie onze zoons waren, bedoel ik. Ze hebben naar mijn smaak veel te veel belangstelling voor jullie.’ Hij aarzelde en plukte aan zijn boog. ‘Die Alanna liet zich ontvallen dat jullie ta’veren waren. Alledrie. Ik heb gehoord dat Aes Sedai niet kunnen liegen.’