‘Ik heb er bij mezelf niets van gemerkt,’ zei Perijn droog. ‘Of bij Mart.’ Toen hij Rhand niet noemde, keek Tham hem even aan – hij moest beter leren liegen, proberen zijn eigen geheimen en die van anderen beter te bewaren – maar de oudere man zei alleen: ‘Misschien weten jullie gewoon niet waarnaar je moet kijken. Hoe komt het dat je met een Ogier en drie Aiel reist?’
‘De laatste marskramer die ik tegenkwam, zei dat de Aiel aan deze kant van de Rug van de Wereld waren,’ bracht Abel naar voren, ‘maar ik geloofde hem niet. Hij zei dat hij gehoord had dat er Aiel in Morland waren, in zo’n land nog wel, of misschien Altara. Hij wist niet zeker waar, maar het was een heel eind van de Woestenij.’
‘Dat heeft allemaal met ta’veren niets te maken,’ zei Perijn. ‘Loial is een vriend, die mij kwam helpen. Gaul is ook een vriend, geloof ik. Bain en Chiad kwamen met Faile mee, niet met mij. Het is allemaal nogal ingewikkeld, maar het gebeurde gewoon. Het heeft met ta’veren niets te maken.’
‘Hoe dan ook,’ zei Abel, ‘de Aes Sedai hebben een hoop belangstelling voor jullie jongens. Tham en ik zijn vorig jaar helemaal naar Tar Valon, naar de Witte Toren gereisd om uit te zoeken waar jullie waren. We konden er nauwelijks een vinden die toegaf dat ze jullie namen kende, maar het was duidelijk dat ze iets verborgen. Voor we uitgebogen waren, zette de Hoedster van de Kronieken ons op een boot die de rivier afvoer, onze zakken vol goud en onze hoofden suizend van vage geruststellingen. Het zint me niet dat de Toren Mart op de een of andere manier gebruikt.’
Perijn had Marts vader graag willen vertellen dat er helemaal niets aan de hand was, maar hij was er niet zo zeker van dat hij zo’n grote leugen met een uitgestreken gezicht kon vertellen. Moiraine hield Mart niet in de gaten vanwege zijn aanstekelijke grijns; Mart was al even diep bij de Toren betrokken als hij, misschien nog wel meer. Ze waren er alledrie mee verbonden, en de Toren hield de touwtjes vast. Het bleef een tijdlang stil, tot Tham ten slotte zei: ‘Jongen, ik heb slecht nieuws over je familie.’
‘Ik weet het,’ zei Perijn snel, en opnieuw viel er een stilte waarin ze alledrie naar hun laarzen staarden. Er was stilte nodig. Een paar momenten om die pijnlijke gevoelens de baas te kunnen, om hun verlegenheid te verbergen dat die pijn zo duidelijk was te zien op hun gezichten.
Er flapperden een paar vleugels. Perijn keek op en zag vijftig pas verder een grote raaf in een eik neerstrijken, die zijn zwarte kraalogen duidelijk op de drie mannen had gericht. Zijn hand vloog naar zijn pijlkoker, maar toen hij de veertjes tot aan zijn wang trok, troffen reeds twee pijlen de raaf. Tham en Abel hadden al een nieuwe pijl op hun boog en hun ogen zochten de bomen en de lucht af naar meer zwarte vogels. Er was niets te zien.
Thams schot had de raaf in de kop getroffen, wat geen verrassing was en evenmin toeval. Perijn had niet gelogen toen hij Faile had verteld dat deze twee mannen beter schoten dan hij. Niemand in Tweewater kon Tham op de boog evenaren.
‘Smerige beesten,’ gromde Abel, en zette een voet op de vogel om zijn pijl los te trekken. Hij maakte de pijlpunt in de grond schoon en schoof hem terug in zijn koker. ‘Ze zitten tegenwoordig overal.’
‘De Aes Sedai hebben ons erover verteld,’ zei Tham. ‘Ze bespieden ons voor de Schimmen, en wij hebben dat doorgegeven. De vrouwenkring ook. Niemand lette er echt op, tot ze schapen aanvielen, ogen uitpikten en er enkele doodden. Het scheren zal dit jaar toch al weinig opbrengen. Het zal wel niet veel uitmaken. Met al die Witmantels en Trolloks betwijfel ik of we dit jaar veel kooplieden voor onze wol zullen zien.’
‘Een of andere dwaas is er helemaal gek van geworden,’ voegde Abel eraan toe. ‘Misschien wel meer dan een. We hebben allerlei dode dieren gevonden. Konijnen, herten, vossen, zelfs een beer. Gedood en achtergelaten om weg te rotten. Meestal niet eens gevild. Het is een man, of mannen, geen Trollok; ik vond laarsafdrukken. Groot voor een man, maar te klein voor Trolloks. Een schande en een verspilling.’ Slachter. Slachter was hier, niet alleen in de wolfsdroom. Slachter en Trolloks. De man in de droom was hem bekend voorgekomen. Perijn schoof met zijn laars aarde en bladeren over de dode raaf. Er zou later nog genoeg tijd voor Trolloks zijn. Een heel leven, als dat nodig mocht zijn. ik heb Mart beloofd dat ik op Bode en Eldrin zou passen, baas Cauton. Hoe moeilijk zal het zijn om hen en de anderen vrij te krijgen?’
‘Moeilijk,’ zuchtte Abel. Zijn gezicht zakte in en plotseling zag hij er meer dan oud uit. ‘Erg moeilijk. Ik kwam zo dichtbij dat ik Natti kon zien, nadat ze haar hadden opgepakt. Ze liep bij de tent waar ze iedereen vasthouden. Ik kon haar zien, met een paar honderd Witmantels tussen ons in. Ik werd wat onvoorzichtig en een van hen joeg een pijl door me heen. Als Tham me niet naar de Aes Sedai had meegesleurd...’
‘Het is een vrij groot kamp,’ zei Tham, ‘net onder Wachtheuvel. Zeven- of achthonderd man. Dag en nacht groepen verkenners, vooral tussen Wachtheuvel en Emondsveld. Als ze zich meer zouden verspreiden, zou het gemakkelijker voor ons zijn, maar met uitzondering van Tarenveer hebben ze de rest van Tweewater aan de Trolloks overgelaten. Het is erg slecht bij Devenrit, heb ik gehoord. Bijna elke nacht wordt er een boerderij in brand gestoken. Hetzelfde gebeurt tussen Wachtheuvel en Tarenveer. Het zal moeilijk zijn om Natti en de anderen te bevrijden, en daarna moeten we er maar op hopen dat ze van de Aes Sedai hier mogen blijven. Die twee zijn niet blij als iedereen weet waar ze zitten.’
‘Maar iemand zal ze toch willen verbergen,’ protesteerde Perijn. ‘U kunt me niet vertellen dat iedereen zich van u heeft afgekeerd? Ze geloven toch niet echt dat jullie Duistervrienden zijn?’ Zelfs terwijl hij het zei, herinnerde hij zich Cen Buin.
‘Nee, dat niet,’ zei Tham, ‘behalve een paar dwazen. Er is genoeg volk om ons een maaltijd te geven of een nacht in de schuur, en soms zelfs een bed, maar je moet begrijpen dat ze zich onbehaaglijk voelen als ze mensen helpen die door de Witmantels worden gezocht. Je kunt het ze niet kwalijk nemen. Het leven is erg hard geworden en de meeste mannen proberen zoveel mogelijk voor hun eigen familie te zorgen. Iemand vragen om Natti en de meisjes op te nemen, en Haral en Alsbet... Dat zou weieens te veel kunnen zijn.’
‘Ik had de mensen in Tweewater beter gedacht,’ bromde Perijn. Abel glimlachte zwakjes. ‘De meeste mensen voelen zich tussen twee molenstenen zitten, Perijn. Ze hopen slechts dat ze tussen de Witmantels en de Trolloks niet vermalen worden.’
‘Ze moeten eens stoppen met hopen en iets gaan doen.’ Even voelde Perijn zich beschaamd. Hij woonde hier niet, hij wist niet hoe het hier was. Maar hij had nog steeds gelijk. Zolang de mensen zich achter de Kinderen van het Licht verborgen, zouden ze zich elke gril van de Kinderen moeten laten welgevallen, of het nou het oppakken van boeken, van vrouwen of van kinderen was. ‘Morgen ga ik naar dat Witmantelkamp kijken. Er moet een manier zijn om ze te bevrijden. En als ze eenmaal vrij zijn, kunnen we ons bezig gaan houden met de Trolloks. Een zwaardhand heeft me ooit verteld dat de Trolloks de Aiehvoestenij “Stervensgrond” noemen. Ik ben van plan ervoor te zorgen dat ze die naam aan Tweewater geven.’
‘Perijn,’ begon Tham, en hield op. Hij keek bezorgd. Perijn wist dat zijn ogen het licht opvingen, daar in de schaduwen onder de eik. Zijn gezicht voelde aan alsof het uit steen gehouwen was. Tham zuchtte. ‘Eerst kijken we wat we met Natti en de anderen kunnen doen. Dan kunnen we beslissen wat we aan de Trolloks doen.’
‘Laat het niet aan jezelf vreten, jongen,’ zei Abel zacht. ‘Haat kan groeien tot het al het andere in jezelf heeft verbrand.’
‘Er vreet niets aan me,’ zei Perijn met vlakke stem tegen hen. ik ben alleen van plan te doen wat gedaan moet worden.’ Hij liet zijn duim langs de rand van zijn bijl glijden. Wat gedaan moet worden.