Dain Bornhald hield zichzelf kaarsrecht in het zadel, terwijl de groep van honderd man Wachtheuvel naderde. Minder dan honderd nu. Over elf zadels lagen in mantels gewikkelde lichamen gebonden en nog eens drieëntwintig man verzorgden hun wonden. De Trolloks hadden een keurige hinderlaag gelegd; het zou gelukt zijn tegen krijgslieden die minder goed geoefend waren en minder taai dan de Kinderen. Wat hem hinderde was dat dit zijn derde verkenning was die zo was aangevallen. Geen toevallig treffen, geen ontmoeting met Trolloks die aan het moorden en branden waren, maar een geplande aanval. En alleen afdelingen die door hem werden aangevoerd. De Trolloks probeerden de andere te ontwijken. Dat feit riep zorgelijke vragen op, en zijn eigen antwoorden gaven geen oplossing.
De zon begon te dalen. Onder de tientallen rietdaken van het dorp op de heuvel verschenen al een paar lichtjes. Het enige dak met dakpannen was zichtbaar op de top; het was van herberg Het Witte Zwijn. Op een andere avond zou hij naar boven gegaan zijn voor een beker wijn, ondanks de stilte die neerdaalde bij het zien van een witte mantel met een gouden zonnekrans. Hij dronk zelden, maar soms had hij er behoefte aan bij mensen buiten de kring van Kinderen te zijn; na een poosje waren ze geneigd zijn aanwezigheid te vergeten en begonnen ze weer onder elkaar te lachen en te praten. Een andere avond. Vanavond wilde hij alleen zijn, om na te denken. Het was heel druk bij het honderdtal bonte woonwagens die op minder dan een halve span onder aan de heuvel stonden. Mannen en vrouwen, gekleed in nog fellere kleuren dan hun wagens, keken paarden en tuigen na en laadden dingen in die wekenlang in het kamp gelegen hadden. Het Trekkende Volk leek zijn naam eer aan te willen doen, mogelijk al bij de dageraad.
‘Farran!’ De forse honderdman spoorde zijn paard aan en Bornhald knikte naar de Tuatha’an-karavaan. ‘Geef aan de Zoeker door dat als hij met zijn volk verder wil trekken, ze naar het zuiden moeten gaan.’ Zijn kaarten zeiden dat de Taren alleen maar bij Tarenveer kon worden overgestoken, maar zodra hij de rivier was overgestoken, had hij ondervonden hoe verouderd die kaarten waren. Zolang hij het kon voorkomen, mocht niemand Tweewater uit om zijn werk misschien in een ravijn te laten vallen. ‘En Farran? Het gebruik van laarzen en vuisten is niet nodig, ja? Woorden volstaan. Deze Raen heeft oren.’
‘Zoals u beveelt, heer Bornhald.’ De honderdman klonk slechts een klein beetje teleurgesteld. Hij raakte zijn hart meteen gepantserde vuist aan en keerde zijn paard naar het kamp van de Tuatha’an. Hij zou het niet leuk vinden, maar hij zou gehoorzamen. Hij mocht het Trekkende Volk dan verachten, maar hij was een goed krijgsman. Het zicht op zijn eigen kamp vervulde Bornhald even met trots; de lange, nette rij tenten met puntdaken, de palen waaraan de paarden netjes naast elkaar aangelijnd waren. Zelfs hier, in deze Lichtverzaakte hoek van de wereld, hielden de Kinderen zich staande. Ze stonden geen moment toe dat de orde verslapte. Het was Lichtverzaakt. Dat bewezen de Trolloks wel. Als zij boerderijen in brand staken, betekende dat slechts dat maar enkelen hier zuiver waren. Enkelen. De rest boog, zei ‘Ja, heer,’ en ‘Zoals u wenst, heer,’ maar ging koppig zijn eigen gang zodra hij hen de rug had toegekeerd. Bovendien verborgen zij een Aes Sedai. Op hun tweede dag ten zuiden van de Taren hadden ze een zwaardhand gedood; de verandermantel van de man was bewijs genoeg. Bornhald haatte de Aes Sedai, die met de Ene Kracht knoeiden alsof het niet genoeg was dat zij al eenmaal de wereld hadden gebroken. Ze zouden het weer doen als ze niet tegengehouden werden. Zijn goede stemming smolt weg als lente sneeuw.
Zijn ogen vonden de tent waar de gevangenen in moesten blijven, behalve als ze overdag, een tegelijk, even buiten mochten komen. Niemand zou proberen om te ontsnappen als dat inhield dat hij de anderen moest achterlaten. Niet dat ze verder dan tien stappen zouden komen – aan beide kanten van de tent stond een bewaker en op tien pas afstand waren nog eens twintig Kinderen – maar hij wilde zo weinig mogelijk moeilijkheden. Moeilijkheden riepen meer moeilijkheden op. Als de gevangenen ruw behandeld moesten worden, zou het weerstand in het dorp oproepen, zo erg dat er iets aan gedaan moest worden. Byar was een dwaas. Hij – maar ook anderen, vooral Farran -wilde de gevangenen ondervragen. Bornhald was geen Ondervrager en hij hield niet van hun werkwijze. En hij was niet van plan om Farran in de buurt van de meisjes te laten komen, ook al waren het volgens Ordeith Duistervrienden.
Duistervrienden of geen Duistervrienden, hij besefte steeds beter dat hij eigenlijk maar één Duistervriend wilde grijpen. Hij wilde op de eerste plaats Perijn Aybara, dan pas de Trolloks of de Aes Sedai. Hij kon Byars verhalen nauwelijks geloven dat de man met wolven omging, maar Byar was op één punt duidelijk geweest: door Aybara was Bornhalds vader in de val van Duistervrienden gelopen en had Geofram Bornhald op de Kop van Toman door de hand van die Seanchaanse Duistervrienden en hun bondgenoten, de Aes Sedai, de dood gevonden. Als de Lohans niet gauw gingen praten, zou hij Byar misschien de vrije hand geven met de smid. De man zou breken, of zijn vrouw, terwijl ze toekeek. Een van hen zou hem de weg wijzen om Perijn Aybara te vinden.
Toen hij voor zijn tent afsteeg, stond Byar er al om hem te ontmoeten, strak en mager als een vogelverschrikker. Bornhald keek met afkeer naar een veel kleiner tentenkamp dat van de rest gescheiden was. De wind kwam uit die richting en hij kon het andere kamp ruiken. Ze hielden hun paarden of zichzelf niet schoon, ik neem aan dat Ordeith terug is?’
‘Ja, heer Bornhald.’ Byar hield op en Bornhald keek hem vragend aan. ‘Ze melden een schermutseling met Trolloks, in het zuiden. Twee doden en zes gewonden, beweren ze.’
‘En wie zijn de doden?’ vroeg Bornhald rustig. ‘Kind Joelin en Kind Gomanes, heer Bornhald.’ Byars gezichtsuitdrukking veranderde niet.
Bornhald trok langzaam zijn met staal gevoerde pantserhandschoenen uit. Het waren de twee die hij had meegestuurd om Ordeith te begeleiden, om te zien wat hij op zijn zuidelijke rooftochten uithaalde. Hij hield zijn stem zorgvuldig in bedwang.
‘Mijn groeten aan meester Ordeith, Byar, en... Nee! Niet mijn groeten. Zeg hem, in deze woorden, dat ik zijn magere botten voor me wil hebben. Zeg hem dat, Byar, en neem hem mee, al moet je hem ervoor in de boeien slaan, hem en die smerige ellendelingen die de Kinderen zo schaden. Ga.’
Bornhald verborg zijn woede tot hij in zijn tent was en de flap was dichtgemaakt. Toen veegde hij met een grauw de kaarten en de schrijf-doos van zijn kamptafel. Ordeith dacht zeker dat hij met een dwaas te maken had. Twee keer had hij mannen met die kerel meegestuurd en twee keer waren zij de enige gesneuvelden in ‘een schermutseling met de Trolloks’, terwijl er nauwelijks gewonden bij de anderen waren. Altijd in het zuiden. De man was bezeten van Emondsveld. Hij zou daar zijn eigen kamp hebben opgezet als het niet... Dat had nu geen zin meer. Hij had de Lohans hier. Zij zouden hem hoe dan ook Perijn Aybara geven. Wachtheuvel was een veel betere plaats, als hij snel naar Tarenveer moest trekken. Krijgsbelangen gingen vóór persoonlijke belangen.
Voor de duizendste keer vroeg hij zich af waarom de kapiteinheer-gebieder hem hierheen had gezonden. De mensen leken net als degenen die hij op wel honderd andere plaatsen was tegengekomen, met uitzondering van de Tarenveerders, die als enigen geestdriftig hun eigen Duistervrienden wilden uitwieden. De rest keek stuurs en koppig toe als de Drakentand op een deur gekrast werd. Een dorp wist altijd wie de ongewenste dorpelingen waren; met een beetje aanmoediging waren ze altijd bereid om zich te zuiveren en werden Duistervrienden tegelijk opgeveegd met alle anderen die de dorpelingen kwijt wilden. Hier echter niet. De zwarte vegen van een scherpe tand op een deur had net zoveel uitwerking als een nieuw laagje witkalk. En de Trolloks. Had Pedron Nial geweten dat er Trolloks zouden komen toen hij die bevelen uitschreef? Hoe kon hij dat weten? Maar als dat niet zo was, waarom had hij dan zoveel Kinderen uitgestuurd dat ze een kleine opstand in de kiem konden smoren? En waarom had de kapiteinheer-gebieder hem in Lichtsnaam opgezadeld met een moordlustige gek?