Выбрать главу

‘Dat zou kunnen,’ zei Verin kalmpjes. ‘Dat zou kunnen.’ Ze fronste ietwat verstrooid en haalde ergens een pen met stalen punt en een klein in linnen gebonden boekje te voorschijn. Ze opende een klein leren doosje aan haar riem, waarin een inktflesje en een zandstrooier zaten. Ze veegde de pen afwezig aan haar mouw af en begon in het boekje te schrijven. Het zou niet meevallen onder het rijden te schrijven. Ze scheen volslagen onkundig van de onrust die ze had veroorzaakt. Misschien was dat werkelijk ook zo.

Baas Cauton bleef maar verwonderd ‘oorlog’ mompelen en Faile legde een troostende hand op Perijns arm. Er lag droefheid in haar ogen. Baas Altor gromde alleen maar; hij had in een oorlog gezeten. Dat had Perijn althans gehoord, hij wist alleen niet precies waar en hoe. Ergens buiten Tweewater, toen hij als jongeman was weggetrokken en jaren later was teruggekeerd met een vrouw en een kind: Rhand. Er waren maar weinig mensen die uit Tweewater wegtrokken. Perijn betwijfelde of iemand hier echt wist wat oorlog was, behalve wat ze van marskramers hoorden, van kooplieden of hun wachters en van wagenrijders. Maar hij wist het. Hij had een oorlog meegemaakt, op de Kop van Toman. Abel had gelijk. Wat ze hadden was erg genoeg, maar het was niet te vergelijken met oorlog.

Hij bleef stil. Misschien had Verin gelijk en misschien wilde ze alleen maar dat ze ophielden met gissen. Als de Trolloks die Tweewater lastig vielen het lokaas voor een val waren, moest het een val voor Rhand zijn, en dan moesten de Aes Sedai ervan weten. Dat was een van de moeilijkheden met Aes Sedai: ze konden net zo lang ‘als’ en ‘zou’ gebruiken tot je zeker wist dat ze alles overduidelijk hadden verklaard, maar uiteindelijk bleken het dan toch slechts veronderstellingen te zijn. Nou, als de Trolloks – of wie hen ook maar gestuurd had, waarschijnlijk een van de Verzakers? – meenden hiermee Rhand in de val te lokken, zouden ze zich met Perijn tevreden moeten stellen. Een eenvoudige smid en niet de Herrezen Draak. En hij was niet van plan om in de een of andere val te lopen.

Zwijgend reden ze de hele ochtend door. In deze streek lagen de boerderijen ver uiteen, soms wel een span of meer van elkaar verwijderd. En elk ervan was verlaten. De akkers stikten van het onkruid en schuurdeuren zwaaiden heen en weer in een opstekende bries. Slechts een van de boerderijen was afgebrand; alleen de schoorstenen staken als roetzwarte vingers uit de as omhoog. De mensen die hier waren gestorven – de Ayellins, neven van de familie in Emondsveld – lagen bij de perenbomen achter het huis begraven. Althans, degenen die gevonden waren. Abel moest nadrukkelijk gevraagd worden om er iets over te zeggen, en Tham zweeg helemaal. Ze veronderstelden dat het hem zou schokken, maar hij wist wat Trolloks aten. Alles wat vlees was. Hij streek afwezig over zijn bijl tot Faile zijn hand nam. Om de een of andere reden leek zij de enige die van streek was. Hij had gedacht dat ze meer over Trolloks wist.

Zelfs tussen de bosjes slaagden de Aiel erin uit het gezicht te blijven, behalve als ze gezien wilden worden. Toen Tham naar het oosten afboog, draaiden Gaul en de twee Speervrouwen met hem mee. Zoals baas Cauton al voorspeld had, kwam de boerderij van Alseen in zicht toen de zon nog net niet op haar hoogst was. Er was geen andere boerderij te zien, hoewel er ver weg in het noorden en oosten een paar verspreide grijze rookpluimen opstegen. Waarom bleven ze hier achter, op zo’n verlaten plek? Als er Trolloks kwamen, waren de Witmantels hun enige hoop, mits die toevallig in de buurt waren. Toen de verschillende gebouwen nog ver weg waren, trok Tham de teugels aan en gebaarde de Aiel zich bij hen te voegen. Hij stelde hen voor dat ze een plek zouden vinden om te wachten tot de rest de boerderij weer zou verlaten. ‘Ze zullen niet praten over Abel en mij,’ zei hij, ‘maar jullie drieën brengen de tongen zeker in beweging.’ Dat was nog zwak uitgedrukt, met hun vreemde kleren en speren, en twee vrouwen onder hen. Aan elke pijlkoker hing een konijn, hoewel Perijn niet begreep waar ze de tijd hadden gevonden om te jagen, terwijl ze voor de paarden uit bleven. Feitelijk leken ze minder moe dan de paarden.

‘Goed,’ zei Gaul. ‘Ik zal een plek voor mijn eigen maal vinden en uitkijken naar jullie vertrek.’ Hij draaide zich om en ging er op een drafje vandoor. Bain en Chiad wisselden een blik uit. Toen trok Chiad de schouders op en gingen ze hem achterna.

‘Horen ze niet bij elkaar?’ vroeg Mans vader, en krabde zich op zijn hoofd.

‘Dat is een lang verhaal,’ zei Perijn. Dat was beter dan hem te vertellen dat Chiad en Gaul elkaar vanwege een bloedvete zouden kunnen doden. Hij hoopte dat ze zich aan de watereden zouden houden. Hij moest eraan denken om Gaul te vragen wat de watereden waren. De Alseen-boerderij was ongeveer even groot als elke boerderij in Tweewater, met drie grote schuren en vijf droogschuren voor de tobak. De ommuurde schaapskooi, vol zwartkopschapen, was even groot als een paar weilanden. De omheinde erven hielden de witgevlekte melkkoeien gescheiden van het zwarte slachtvee. De varkens knorden tevreden in hun modderpoel, overal zwierven kippen rond en witte ganzen zwommen in een flinke vijver.

Het eerste vreemde dat Perijn opviel, waren de jongens op de rietdaken van het huis en de schuren, een stuk of acht, negen, met bogen en pijlkokers. Zodra ze de ruiters zagen, riepen ze naar beneden, waarna de vrouwen de kinderen naar binnen sleepten voor ze met een hand boven hun ogen keken wie er aankwam. Mannen verzamelden zich op het erf, een paar met bogen, anderen met hooivorken en snoeimessen, die ze als wapens vasthielden. Te veel mensen. Veel te veel mensen, zelfs voor zo’n grote boerderij. Hij keek vragend naar baas Altor.

‘Jak heeft de mensen van zijn neef Wil opgenomen,’ legde Tham uit, ‘omdat Wils boerderij te dicht bij het Westwoud lag. En ook de mensen van Vlan Lewin, nadat hun boerderij was aangevallen. De Witmantels verdreven de Trolloks toen er nog maar één schuur in brand was gestoken, maar Vlan besloot dat het tijd was om te vertrekken. Jak is een goede man.’

Toen zij het erf opreden, werden Tham en Abel herkend. Bij het afstijgen drongen mannen en vrouwen zich met een glimlach en vele welkomstwoorden om hen heen. Daarop kwamen de kinderen uit het huis gerend, gevolgd door de vrouwen die op hen hadden gepast en de vrouwen die in de keuken bezig waren geweest en nu hun handen aan hun schort afveegden. Iedere leeftijd was vertegenwoordigd, van de witharige Astelle Alseen met haar kromme rug, die haar stok echter meer gebruikte om mensen uit de weg te porren dan ermee te lopen, tot een kind in wikkels in de armen van een zeer forse jonge vrouw met een stralende glimlach.

Perijn keek langs de glimlachende vrouw en trok toen met een ruk zijn hoofd terug. Toen hij uit Tweewater vertrokken was, was Laila Dern een slank meisje geweest, die wel drie jongens eruit kon dansen. Maar haar glimlach en haar ogen waren dezelfde gebleven. Hij huiverde. Er was een tijd geweest dat hij had gedroomd over trouwen met Laila, en ze had zijn gevoelens wat vaag beantwoord. De waarheid was dat ze langer had gewacht dan hij. Gelukkig had ze meer aandacht voor haar kind en voor de zelfs nog bredere kerel aan haar zijde dan voor hem. Perijn herkende de man naast haar ook. Natli Lewin. Dus Laila was nu een Lewin. Vreemd. Natli had nooit kunnen dansen. Perijn dankte het Licht voor zijn ontsnapping en zocht naar Faile. Hij zag haar verstrooid Zwaluws teugels ronddraaien, terwijl de merrie aan haar schouder snuffelde. Ze had het echter zo druk met Wil Alseen bewonderend toe te lachen, een neef uit Devenrit, dat ze niet op haar paard lette. En Wil glimlachte terug. Een goed uitziende knaap, die Wil. Nou ja, hij was een jaar ouder dan Perijn, maar hij zag er nog steeds jongensachtig uit. Als Wil naar Emondsveld kwam om te dansen, zaten alle meisjes hem gewoonlijk zuchtend aan te gapen, zoals Faile nu deed. Nou ja, ze zuchtte niet, maar haar glimlach was beslist heel waarderend.

Perijn liep naar haar toe, legde een arm om haar heen en liet de andere hand op zijn bijl rusten. ‘Hoe gaat het ermee, Wil?’ vroeg hij, en dwong zich breed te glimlachen. Het had geen zin om Faile te laten denken dat hij jaloers was, dat was hij ook niet. ‘Goed, Perijn.’ Wils ogen gleden van hem weg, bleven even op zijn bijl rusten en gleden verder. Zijn gezicht kreeg iets groenigs. ‘Goed’, hoor.’ Hij keek Faile niet meer aan en haastte zich weg om zich bij de mensen rond Verin te voegen.