Faile keek met samengeknepen lippen op naar Perijn. Toen pakte ze zijn baard in een hand en schudde zachtjes zijn hoofd. ‘Perijn, Perijn, Perijn,’ murmelde ze.
Hij wist niet zeker waar ze op doelde, maar hij dacht dat het verstandiger was er niet naar te vragen. Ze zag eruit alsof ze zelf niet wist of ze nou boos moest zijn of... Was ze wellicht vermaakt? Het beste was die beslissing niet aan haar over te laten.
Wil was natuurlijk niet de enige die wat schuins naar zijn ogen keek. Het leek wel of iedereen, van jong tot oud, man of vrouw, schrok als ze voor het eerst zijn blik opvingen. Grootmoe Alseen porde hem met haar stok en haar oude, donkere ogen werden groot van verbazing toen hij gromde. Misschien dacht ze dat hij niet echt was. Maar niemand zei er iets van.
De paarden werden al gauw naar een stal gevoerd. Tomas nam zijn grijze zelf mee; het dier wilde kennelijk niet dat iemand anders de teugels aanraakte. En iedereen, behalve de jongens op de daken, drong weer het huis in, dat nu bijna helemaal vol was. Volwassenen stonden twee rijen dik in de voorkamer, Lewins, Alseens, allemaal door elkaar. De kinderen werden door de moeders opgetild of hadden de pech dat ze tussen de benen van de grote mensen in de deuropeningen door moesten kijken.
Er werd sterke thee gezet en er werden rieten stoelen met een hoge rug voor de nieuwkomers te voorschijn gehaald. Verin en Faile kregen geborduurde kussens. Er was een hoop opwinding over Verin, Tomas en Faile. Het gemurmel als van zacht gakkende ganzen vulde de kamer, en iedereen staarde het drietal aan alsof ze kronen droegen of elk moment kunstjes gingen vertonen. In Tweewater waren vreemdelingen altijd iets bijzonders. Vooral Tomas’ zwaard ontlokte veel gefluister, dat Perijn gemakkelijk kon opvangen. Zwaarden waren hier niet gewoon, althans niet voor de komst van de Witmantels. Sommigen dachten dat Tomas een Witmantel was, anderen dat hij een grote heer was. Een kleine jongen die slechts tot Tomas’ middel reikte, liet het woord ‘zwaardhanden’ vallen, voordat de ouderen hem tot zwijgen lachten. Zodra de gasten gezeten waren, plantte Jak Alseen zich voor de brede, stenen haard. Hij was een gedrongen man met vierkante schouders en minder haar dan meester Alveren, maar minstens even grijs. Achter zijn hoofd, op de schoorsteenmantel, tikte een klok tussen twee grote zilveren bokalen, bewijzen van een welgestelde boer. Toen hij zijn hand ophief, werd het gebabbel gestaakt. Dit belette zijn neef Wit, die bijna een tweelingbroer leek, maar dan zonder haar, en Vlan Lewin, een schrale, grijsharige bonenstaak, niet hun eigen volk ook tot stilte te manen.
‘Vrouwe Matwin, vrouwe Faile,’ zei Jak en boog houterig, ’u bent hier welkom voor zo lang als u wenst. Maar ik moet u waarschuwen. IJ weet van de last die we hier op het land hebben. Het zou het beste voor u zijn als u rechtstreeks naar Emondsveld of naar Wachtheuvel gaat, en daar blijft. Die dorpen zijn te groot om lastig gevallen te worden. Ik zou u willen aanraden helemaal uit Tweewater weg te gaan, maar ik heb begrepen dat de Kinderen van het Licht niemand de Taren laten oversteken. Ik weet niet waarom, maar het is nu eenmaal zo.’
‘Maar er leven zulke mooie verhalen op het land,’ zei Verin, die een beetje met haar ogen knipperde, ik zou die in een dorp allemaal mislopen.’ Zonder ook maar één keer te liegen, was ze erin geslaagd de indruk te geven dat ze naar Tweewater gekomen was om oude verhalen vast te leggen, net als Moiraine had gedaan. Wat leek dat lang geleden. Haar Grote Serpent-ring zat in haar beurs, hoewel Perijn betwijfelde of iemand van deze mensen wist wat die ring voorstelde. Elisa Alseen streek haar witte schort glad en glimlachte ernstig naar Verin. Ze had minder grijs haar dan haar echtgenoot, maar ze zag er ouder uit dan Verin, met een moederlijk gerimpeld gezicht. Dat dacht ze van zichzelf waarschijnlijk ook. ‘Het is een eer om een geleerde onder ons dak te hebben, maar Jak heeft gelijk,’ zei ze beslist. ‘U bent echt welkom om hier te blijven, maar als u vertrekt, moet u onmiddellijk naar een dorp gaan. Het reizen hier is gevaarlijk. Dat geldt ook voor u, vrouwe,’ zei ze tegen Faile. ‘Trolloks zijn niets voor twee vrouwen met slechts een handjevol mannen om hen te beschermen.’ ik zal erover denken,’ zei Faile kalm. ik dank u voor uw overwegingen.’ Zij nipte al even onbezorgd aan haar thee als Verin zorgeloos in haar boekje zat te schrijven en alleen naar Elisa opkeek om te mompelen: ‘Er zijn zoveel verhalen op het land.’ Faile nam een boterkoekje aan van een jong Alseen-meisje, dat een révérence maakte, geweldig bloosde en voortdurend met grote ogen van bewondering naar Faile staarde.
Perijn grinnikte in zichzelf. Ze beschouwden Faile, in haar groenzijden rijkleding, allemaal als een vrouwe van hoge komaf, en hij moest toegeven dat ze het schitterend bracht. Als ze wilde. Het meisje zou wellicht niet zo vol bewondering zijn als ze een van haar buien had meegemaakt, als haar tong het vel van een wagenrijder kon villen. Vrouw Alseen wendde zich hoofdschuddend naar haar man; Faile en Verin konden niet overgehaald worden. Jak keek naar Tomas. ‘Kunt u ze overtuigen?’
‘Ik ga waar ze me zegt te gaan,’ antwoordde Tomas. De zwaardhand zat daar met een theekopje in zijn hand, maar gaf nog steeds de indruk dat hij het volgende moment zijn zwaard zou trekken. Baas Alseen zuchtte en verlegde zijn belangstelling. ‘Perijn, de meesten hebben jou in Emondsveld wel een keer ontmoet. We kennen je zo’n beetje. We kenden je tenminste, voordat je vorig jaar wegliep. We hebben gehoord van wat moeilijkheden, maar ik denk niet dat Tham en Abel bij je zouden zijn als die geruchten waar geweest zouden zijn.’ Vlans vrouw, Adine, een dikke vrouw met een zelfvoldane oogopslag, snoof scherp, ik heb ook een paar dingen over Tham en Abel gehoord. En over hun jongens, die wegliepen met een Aes Sedai. Met Aes Sedai! Meer dan tien! Jullie weten allemaal nog hoe Emondsveld tot de grond is afgebrand. Het Lichte mag weten wat ze in hun schild voerden. Ik heb mensen horen vertellen dat ze het meisje van Alveren hebben ontvoerd.’ Vlan schudde gelaten zijn hoofd en keek Jak verontschuldigend aan.
‘Als je dat gelooft,’ zei Wit droog, ‘geloof je alles. Ik heb twee weken geleden nog met Marin Alveren gesproken en zij zei dat haar dochter er helemaal uit zichzelf tussenuit was getrokken. En er was maar één Aes Sedai.’
‘Wat wil je ons nou vertellen, Adine?’ Elisa Alseen plantte haar vuisten in haar zijde. ‘Voor de dag ermee.’ Er lag een duidelijke uitdaging in haar stem.
‘Ik heb niet gezegd dat ik het geloofde,’ protesteerde Adine heftig, ‘alleen maar dat ik het gehoord heb. Er zijn vragen die gesteld moeten worden. De Kinderen hebben hun aandacht niet op die drie jongens gericht omdat hun namen uit een hoed zijn gerold.’
‘Als je voor de verandering eens zou luisteren,’ zei Elisa streng, ‘zou je een antwoord of twee kunnen horen.’ Adine begon haar rokken te verschikken. Ze mopperde in zichzelf, maar hield verder haar mond. ‘Heeft iemand anders nog iets te zeggen?’ vroeg Jak met nauwelijks ingehouden ongeduld. Toen er niemand meer sprak, ging hij door: ‘Perijn, niemand hier gelooft dat je een Duistervriend bent, net zo min als Tham of Abel dat zijn.’ Hij schonk Adine een harde blik en Vlan legde een hand op de schouder van zijn vrouw; ze zweeg maar haar lippen vormden onhoorbare woorden. Jak mompelde iets in zichzelf voor hij doorging: ‘Hoe dan ook, Perijn, ik geloof dat wij het recht hebben om te horen waarom de Witmantels zoiets zeggen. Ze beschuldigen jou, Mart Cauton en Rhand Altor ervan Duistervrienden te zijn. Waarom?’
Faile wilde al boos haar mond opendoen, maar Perijn gebaarde haar stil te zijn. Haar gehoorzaamheid verraste hem zozeer dat hij even naar haar bleef kijken voor hij sprak. Misschien was ze ziek. ‘Witmantels hebben niet veel nodig, baas Alseen. Als je niet buigt, onderdanig bent en hun alle ruimte geeft, moet je een Duistervriend zijn. Als je niet zegt wat zij willen horen, niet denkt wat zij denken, moet je een Duistervriend zijn. Ik weet niet waarom ze denken dat Rhand en Mart het zijn.’