Выбрать главу

Dat was de eenvoudige waarheid. Als de Witmantels wisten dat Rhand de Herrezen Draak was, was dat voor hen genoeg, maar dat konden ze met geen mogelijkheid weten. Dat Mart werd genoemd, vond hij zelf ook verwarrend. Dat moest van Fajin komen. ‘Zelf heb ik een paar van hen gedood.’ Het was wonderlijk, maar de zuchten van verbazing in de kamer lieten hem van binnen niet in elkaar krimpen, net zo min als de gedachte aan wat hij gedaan had. ‘Zij hebben een vriend van mij gedood en zouden mij gedood hebben. Ik kon niets anders bedenken. Dat is het in het kort.’

‘Ik begrijp waarom je dat niet kon,’ zei Jak langzaam. Zelfs met Trolloks in de buurt konden de mensen van Tweewater niet wennen aan doden. Een paar jaar terug had een vrouw haar man omgebracht omdat ze met een andere man wilde trouwen; dat was volgens Perijn de laatste keer geweest dat iemand in Tweewater door geweld was omgekomen. Tot de Trolloks kwamen.

‘De Kinderen van het Licht,’ zei Verin, ‘zijn erg goed in één ding. Ervoor zorgen dat mensen die al hun hele leven lang buren geweest zijn, elkaar gaan wantrouwen.’ Alle boerenmensen keken naar haar. Even later knikten er een paar.

‘Ik heb gehoord dat ze een man bij zich hebben,’ zei Perijn. ‘Padan Fajin. De marskramer.’

‘Dat heb ik gehoord,’ zei Jak. ik hoor dat hij zich tegenwoordig anders noemt.’

Perijn knikte. ‘Ordeith. Maar Fajin, of Ordeith, is een Duistervriend. Hij heeft dat min of meer toegegeven, en ook dat hij vorig jaar op Winteravond de Trolloks hierheen heeft gebracht. En hij rijdt met de Witmantels mee.’

‘Jij kunt dat makkelijk beweren,’ zei Adine Lewin scherp. ‘Je kunt iedereen wel Duistervriend noemen.’

‘En wie geloven jullie?’ zei Tomas. ‘Vreemden die hier een paar weken geleden kwamen, jullie vrienden gevangennamen en hun boerderijen afbrandden? Of een jongeman die hier is opgegroeid?’

‘Ik ben geen Duistervriend, baas Alseen,’ zei Perijn, ‘maar als u wilt dat ik ga, zal ik gaan.’

‘Nee,’ zei Elisa snel, haar echtgenoot veelbetekenend aankijkend. Ze schonk Adine een kille blik, die haar woorden inslikte. ‘Nee. Je bent hier welkom om te blijven zolang je wilt.’ Ze kwam naar Perijn toe en legde haar handen op zijn schouders, ik leef met je mee,’ zei ze zacht. ‘Jouw vader was een goede man. Jouw moeder was mijn vriendin en een goede vrouw. Ik weet dat zij gewild zou hebben dat jij bij ons blijft, Perijn. De Kinderen komen zelden deze kant op en als ze het doen, zullen de jongens op het dak ons bijtijds waarschuwen om je op de zolder te krijgen. Daar zul je veilig zijn.’

Ze meende het. Ze meende het werkelijk. En toen Perijn weer naar baas Alseen keek, knikte hij opnieuw. ‘Dank u,’ zei Perijn met dichtgeknepen keel. ‘Maar ik moet... iets doen. Er zijn zaken die ik moet regelen.’

Ze zuchtte en klopte zachtjes op zijn schouder. ‘Natuurlijk. Zorg er alleen voor dat die dingen je... geen kwaad doen. Nou ja, ik kan je tenminste met een volle maag op weg helpen.’

Er waren in het huis niet genoeg tafels om iedereen voor het middagmaal te laten aanschuiven, dus werden er kommen met lamsstoofpot en grote brokken knapperig brood uitgedeeld, met de waarschuwing niet te knoeien, en iedereen at waar men stond of zat. Voordat ze klaar waren, sprong een slungelige jongen naar binnen. Zijn polsen staken uit zijn te korte mouwen en hij droeg een boog die groter was dan hijzelf. Perijn dacht dat het Win Lewin was, maar hij wist het niet zeker; op die leeftijd groeiden jongens erg snel. ‘Het is heer Luc,’ riep de magere jongen opgewonden. ‘Heer Luc komt eraan!’

33

Een nieuw weefsel in het Patroon

Heer Luc volgde de jongen bijna op de voet. Hij was een grote, breedgeschouderde man van middelbare leeftijd, met een donker, hoekig gezicht en donkerrood haar met witte strepen aan de slapen. Er lag een hoogmoedige blik in zijn ogen en hij zag er inderdaad van top tot teen uit als een edelman met zijn fraai gesneden groene jas, onopvallend geborduurd met gouden krullen tot aan de mouwen. Zijn handschoenen waren bewerkt met goudstiksel. Goudbeslag wikkelde zich om zijn zwaardschede, en een gouden band versierde de bovenkant van zijn glimmende laarzen. Op de een of andere manier lukte het hem van zijn binnenkomen iets deftigs te maken. Perijn had onmiddellijk een hekel aan hem.

Alle Alseens en Lewins, mannen, vrouwen en kinderen, vlogen voor een begroeting op het heerschap af en verdrongen zich om hem heen met glimlachjes, buigingen en révérences. Ze snaterden door elkaar heen over de eer van zijn aanwezigheid; de grote eer om bezocht te worden door een Jager op de Hoorn. Daarover leken ze nog het meest opgewonden. Een heer onder je dak was al opwindend, maar een heer die gezworen had naar de legendarische Hoorn van Valere te zoeken, dat was iets waar verhalen over werden gemaakt. Perijn dacht niet dat hij de mensen van Tweewater ooit kruiperig tegen iemand had zien doen, maar dit kwam er dichtbij.

Deze heer Luc aanvaardde het kennelijk als niet meer, zelfs minder, dan wat hem toekwam. Alsof hij het allemaal erg vermoeiend vond. Het boerenvolk leek het niet in de gaten te hebben, of misschien herkenden ze die ietwat vermoeide trek, die ietwat neerbuigende glimlach niet. Wellicht dachten ze enkel dat een heer zich altijd zo gedroeg. In de meeste gevallen was dat ook wel zo, maar het ergerde Perijn om te zien dat de mensen – zijn mensen – dit slikten. Toen het rumoer wat afnam, stelden Jak en Elisa hun andere gasten -behalve Tham en Abel, die hem eerder ontmoet hadden – voor aan heer Luc van Chiendelna, waarbij ze verkondigden hoe hij hun raad gaf om zich te verdedigen tegen de Trolloks en hoe hij hen aanmoedigde om zich te verzetten tegen de Witmantels en voor zichzelf op te komen. In de kamer klonk instemmend gemompel. Als Tweewater een koning zou hebben gekozen, zou heer Luc de Alseens en Lewins vierkant achter zich hebben staan. Dat wist hij terdege. Maar zijn schijnbare verveelde gelatenheid duurde niet lang.

Zodra hij Verins gelijkmatige gelaatstrekken ontwaarde, verstijfde Luc ietwat. Zijn ogen vlogen zo snel naar haar handen dat niet velen het gezien zouden hebben. Hij liet bijna zijn geborduurde handschoenen vallen. Ze had, zo mollig er eenvoudig gekleed als ze was, door kunnen gaan voor een boerenvrouw, maar het leeftijdloze gezicht van een Aes Sedai herkende hij op het eerste gezicht. Hij was niet echt blij er hier een tegen te komen. Zijn linkerooghoek trilde toen hij hoorde hoe vrouw Alseen haar voorstelde als ‘vrouwe Matwin, een geleerde van buiten’.

Verin glimlachte hem toe alsof ze een beetje was ingedut. ‘Nee maar,’ murmelde ze. ‘Huis Chiendelna. Waar is dat? Het heeft de klank van de Grenslanden.’

‘Niet zo groots,’ haastte Luc zich te zeggen, en waagde een behoedzame buiging. ‘Morland, feitelijk. Een van de lagere Huizen, maar wel oud.’ Toen de anderen werden voorgesteld, kon hij zijn ogen maar moeilijk van de Aes Sedai afwenden.

Hij keek nauwelijks naar Tomas. Hij moest weten dat die de zwaardhand van ‘vrouwe Matwin’ was, maar zijn geringschatting was zo duidelijk dat hij het net zo goed hardop had kunnen roepen. Dat was wel heel vreemd. Hoe goed Luc ook was met zijn zwaard, niemand was zo goed dat hij geringschattend over een zwaardhand kon doen. Hoogmoed. Die kerel had er meer van dan tien man bij elkaar. Wat Perijn betrof, bewees hij dat met Faile.

De glimlach die Luc haar schonk, was meer dan zelfverzekerd; hij was ook gemeenzaam en beslist erg warm. Veel te bewonderend en te warm eigenlijk. Hij nam haar hand met beide handen vast, boog zich voorover en tuurde diep in haar ogen alsof hij achter in haar hoofd wilde kijken. Even dacht Perijn dat ze over Lues hoofd hem zou aankijken, maar in plaats daarvan beantwoordde ze heer Lues doordringende blik met gespeelde koelheid, rode wangen en een licht knikje. ‘Ik ben eveneens een Jager op de Hoorn, heer,’ zei ze ietwat ademloos.