Выбрать главу

‘... tobak zal wegrotten...!’

‘... kan de schapen niet meer scheren...!’

Perijns vuist dreunde op de schoorsteenmantel en sneed de stemmen af. ik heb nergens een vertrapte of platgebrande akker gezien, nergens een verbrand huis of schuur, tenzij er mensen waren. De Trolloks komen voor de mensen. En wat dan nog bij een brand? Een nieuwe oogst kan geplant worden. Steen en mortel en hout kunnen herbouwd worden. Kunnen jullie dit herbouwen?’ Hij wees naar Laila’s kind en ze klemde het aan haar borst en keek hem woest aan, alsof hij het zelf bedreigd had. Maar de blikken die ze naar haar echtgenoot en Vlan wierp, waren bang. Er steeg een onrustig gemompel op. ‘Weggaan,’ bromde Jak hoofdschuddend, ik weet het niet, Perijn.’

‘Het is uw keus, baas Alseen. Het land zal er nog steeds zijn bij uw terugkomst. Dat kunnen de Trolloks niet meenemen. Bedenk of dat ook voor uw gezin geldt.’

Het gemompel werd een geroezemoes. Enkele vrouwen spraken hun mannen aan. De meesten hadden een of twee kinderen bij zich. Geen van de mannen scheen hen tegen te spreken.

‘Een apart plan,’ zei Luc en keek Perijn onderzoekend aan. Uit zijn gezicht viel niet op te maken of hij ermee instemde of niet. ik wil wel zien hoe het uitvalt. En nu, baas Alseen, moet ik weer weg. Ik kwam alleen even binnen om te zien hoe het met u ging.’ Jak en Elisa lieten hem uit, maar de anderen hadden het te druk met hun eigen gesprekken om er veel aandacht aan te schenken. Luc ging weg met opeengeklemde lippen. Perijn had het gevoel dat zijn vertrek gewoonlijk even pralend was als zijn binnenkomst.

Jak kwam regelrecht van de deur naar Perijn toe lopen. ‘Het is een gedurfd plan dat je hebt. Ik geef toe dat ik niet graag mijn boerderij wil verlaten, maar je praat verstandig. Alleen weet ik niet wat de Kinderen ervan zullen vinden. Zij lijken mij een achterdochtig stelletje. Ze zouden kunnen denken dat we iets tegen hen willen ondernemen als we ons verzamelen.’

‘Laat ze dat maar geloven,’ zei Perijn. ‘Een dorp vol mensen kan Lues raad opvolgen en ze vertellen dat ze elders met hun zaken mogen gaan leuren. Of blijft u liever kwetsbaar, om de goedkeuring van de Witmantels te krijgen, als ze die willen geven?’

‘Nee. Nee, ik begrijp het. Je hebt me overtuigd. En de rest ook, lijkt me.’ Dat scheen waar te zijn. Het geroezemoes zakte weg, maar dat was omdat iedereen het met elkaar eens leek te zijn. Zelfs Adine, die haar dochter met luide stem opdroeg onmiddellijk te gaan pakken. Ze gaf Perijn zowaar een instemmend knikje, zij het met tegenzin. ‘Wanneer wilt u gaan?’ vroeg Perijn aan Jak.

‘Zodra iedereen klaar is. We kunnen voor zonsondergang Jon Gaelins huis op de Noorderweg halen. Ik zal Jon en iedereen in Emondsveld vertellen wat jij hebt gezegd. Beter daar dan Wachtheuvel. Als we uit de greep van de Witmantels en die van de Trolloks willen komen, kunnen we net zo goed uit hun buurt blijven.’ Jak krabde met een vinger in zijn overgebleven haarplukjes. ‘Perijn, ik geloof niet dat de Kinderen Natti Cauton en de meisjes kwaad willen doen, of Lohan, maar ik maak me zorgen. Als ze echt denken dat we samenspannen, wie weet wat er kan gebeuren?’

‘Ik ben van plan om ze zo gauw mogelijk te bevrijden, baas Alseen. En alle andere gevangenen van de Witmantels.’

‘Een gewaagd plan,’ herhaalde Jak. ‘Nou, ik kan de mensen maar beter gaan opporren als ik voor zonsondergang op Jons stede wil zijn. Ga met het Licht, Perijn.’

‘Een heel gewaagd plan,’ zei Verin, die naast hem kwam staan toen baas Alseen zich weghaastte en bevelen rondblafte. De wagens moesten naar buiten gereden worden en de mensen dienden zoveel mogelijk in te pakken. Ze nam Perijn schuins op, even strak als Faile naast haar. Faile keek hem aan alsof ze hem nog nooit eerder gezien had. ik weet niet waarom iedereen het zo blijft noemen,’ zei hij. ‘Een plan, bedoel ik. Die Luc slaat wartaal uit. Witmantels ontvangen bij je eigen deur. Jongens op het dak om uit te kijken naar Trolloks. Open poorten die tot rampen kunnen leiden. Het enige dat ik heb gedaan, was ze daarop te wijzen. Ze hadden dit al vanaf het begin moeten doen.

Die man...’ Hij hield zich in en zei niet dat Luc hem ergerde. Niet met Faile naast hem. Ze zou hem verkeerd kunnen begrijpen. ‘Natuurlijk,’ zei Verin gladjes, ik heb nog niet eerder de gelegenheid gehad om het te zien werken. Of misschien heb ik die wel gekregen maar wist ik het niet.’

‘Waar heb je het over? Wat te zien werken?’

‘Perijn, toen we hier kwamen, waren deze mensen bereid hier koste wat kost stand te houden. Je gebruikte je gezonde verstand en toonde je sterke gevoelens, maar denk je dat ze van mening zouden zijn veranderd als ik het had gezegd, of Tham of Abel? Jij zou toch als beste moeten weten hoe koppig de mensen van Tweewater kunnen zijn. Je hebt de loop van de geschiedenis gewijzigd, je hebt gebeurtenissen beïnvloed die zonder jou in Tweewater anders zouden zijn verlopen. Met een paar woorden, die uitgesproken werden in... ergernis? Een ta’veren voert de levens van anderen echt naar een ander Patroon. Heel boeiend. Ik hoop dat ik de gelegenheid zal krijgen om Rhand nog eens te bestuderen.’

‘Wat het ook is,’ bromde Perijn, ‘dit is het beste. Hoe meer mensen er op een plek verzameld zijn, hoe veiliger het is.’

‘Natuurlijk. Rhand heeft het zwaard, neem ik aan?’

Hij fronste zijn wenkbrauwen, maar er was geen reden om het haar niet te vertellen. Ze wist van Rhand en ze wist wat Tyr betekende. ‘Dat heeft hij.’

‘Hoed je voor Alanna, Perijn.’

‘Wat?’ De snelle verandering van onderwerp door de Aes Sedai bracht hem in de war. Des te meer omdat ze hem vertelde dat hij iets moest doen dat hij allang bedacht had en dat hij voor haar verborgen had willen houden. ‘Waarom?’

Verins gezicht veranderde niet, maar haar donkere ogen waren plotseling wakker en scherp als die van een vogel. ‘Er bestaan vele... plannen in de Witte Toren. Niet allemaal kwaadaardig, bij lange na niet, maar soms kun je er moeilijk achter komen, tot het te Iaat is. En zelfs in de meest welwillende plannen staat men toe dat bij het weven een paar draden knappen, dat bij het vlechten van het mandje een paar rietstengels breken en weggegooid worden. Een ta’veren zou een bruikbaar riet kunnen zijn in heel veel mogelijke plannen.’ En weer even onverwachts leek ze een tikkeltje verward door alle drukte om haar heen, leek ze een vrouw die meer op haar gemak was met een boek of met kaar eigen gedachten dan met de echte wereld. ‘O hemel. Baas Alseen verspilt geen tijd, hè? Ik zal eens kijken of hij iemand over heeft die onze paarden kan voorleiden.’

Faile huiverde toen de Bruine zuster wegliep. ‘Soms voel ik me bij een Aes Sedai... onbehaaglijk,’ murmelde ze. ‘Onbehaaglijk?’ zei Perijn. ‘Meestal schrik ik me een ongeluk.’ Ze lachte zachtjes en begon met een knoop op zijn jas te spelen, waar ze heel aandachtig naar keek. ‘Perijn, ik... ik ben... een dwaas geweest.’

‘Wat bedoel je?’ Ze keek hem aan – ze stond op het punt om de knoop eraf te draaien – en hij voegde er haastig aan toe: ‘Je bent een van de minst dwaze mensen die ik ken.’ Hij klemde zijn kaken op elkaar voor hij eraan kon toevoegen ‘meestal tenminste’. Toen ze glimlachte, was hij blij dat hij het had binnengehouden.

‘Dat is heel aardig van je om te zeggen, maar ik was een dwaas.’ Ze klopte op de knoop en begon de jas te verschikken – wat niet nodig was – en de omslagen glad te strijken – wat niet nodig was. ‘Je deed zo stom,’ zei ze, te snel sprekend, ‘alleen maar omdat die jongen naar me keek. Hij is echt nog een jongen; helemaal niet zoals jij. Nou, ik wilde je jaloers maken, een heel klein beetje maar, door net te doen, alleen maar te doen alsof ik me tot heer Luc voelde aangetrokken. Dat had ik niet mogen doen. Wil je me vergeven?’

Hij probeerde door de waterval van woorden het water te zien. Het was mooi dat ze Wil nog een jongen vond – als die een baard wilde laten staan, zou het waarschijnlijk een strobaardje zijn – maar ze had niet gezegd hoe ze Wils blikken had beantwoord. En als ze slechts had gedaan of ze zich tot heer Luc aangetrokken voelde, waarom had ze dan gebloosd? ‘Natuurlijk vergeef ik het je,’ zei hij. In haar ogen verscheen een gevaarlijk vonkje, ik bedoel, er is niets te vergeven.’ Het vonkje werd nog gevaarlijker. Wat wilde ze nou dat hij zou zeggen? ‘Wil je mij vergeven? Toen ik probeerde jou te verjagen, heb ik dingen gezegd die ik niet had mogen zeggen. Wil je me daarvoor vergeven?’