Выбрать главу

‘Zéi je dingen waarvoor je vergeving moet vragen?’ zei ze liefjes, en hij wist dat hij in de nesten zat. ik heb geen idee wat dat geweest kan zijn, maar ik zal het in overweging nemen.’

In overweging? Ze sprak bloedvuur net als een edelvrouwe. Misschien werkte haar vader voor een of andere heer, zodat ze de taal van voorname vrouwen had geleerd. Hij had geen idee wat ze bedoelde. Wanneer hij erachter zou komen, zou hij het betreuren, daar was hij zeker van.

Het was een opluchting om temidden van alle verwarring weer in Stappers zadel te zakken. Wagens werden ingespannen, mensen twistten over wat ze wel of niet konden meenemen en kinderen joegen achter kippen en ganzen aan om de poten bijeen te binden en ze op de karren te leggen. De jongens dreven het vee alvast naar het oosten en anderen dreven de schapen uit de omheining.

Faile liet niets merken van wat ze binnen had gezegd. Ze glimlachte naar hem en vergeleek het hoeden van schapen hier met dat in Saldea. Toen een van de meisjes haar een klein bosje blooshartjes bracht, probeerde ze er een paar in zijn baard te vlechten en lachte ze om zijn pogingen haar tegen te houden. Kortom, ze had hem te pakken. Hij moest nodig baas Cauton spreken.

‘Ga met het Licht,’ zei baas Alseen nogmaals toen ze klaar waren voor vertrek, ‘en hou een oogje op de jongens.’

Vier jongemannen hadden besloten met hen mee te gaan. Ze zaten op ruwharige paarden, al waren ze lang niet zo goed als die van Tham en Abel. Perijn wist niet helemaal waarom juist hij op hen moest letten. Ze waren allemaal ouder, zij het niet veel. Wil Alseen was er een van, met zijn neef Ban, een van Jaks zonen, die samen met zijn vader de grootste neus van die familie had. Twee Lewins, Tel en Danel, die zoveel op Vlan leken dat het zijn zoons in plaats van zijn neven hadden kunnen zijn. Perijn had geprobeerd het uit hun hoofd te praten, vooral toen ze hem duidelijk maakten dat ze samen met hem de Cautons en de Lohans wilden bevrijden. Ze veronderstelden blijkbaar dat je zomaar het kamp van de Kinderen kon binnenrijden en ieders vrijlating eisen. Het werpen van de handschoen, noemde Tel het, waarvan Perijns haren bijna overeind gingen staan. Te veel speelmansverhalen. Te veel geluisterd naar dwazen als Luc. Hij verdacht Wil van een eigen reden, hoewel die net deed of Faile niet bestond, maar de andere redenen waren al erg genoeg.

Geen van de anderen maakte enig bezwaar. Tham en Abel wilden alleen maar weten of ze allemaal wisten hoe ze hun boog moesten gebruiken en of ze op een paard konden blijven zitten. Verin keek alleen maar toe en maakte aantekeningen in haar boekje. Tomas leek geamuseerd en Faile hield zichzelf bezig met het vlechten van een kroontje van blooshartjes, dat voor Perijn bleek te zijn. Zuchtend drapeerde hij de bloemen over zijn zadelknop. ‘Ik zal zo goed ik kan voor ze zorgen, baas Alseen,’ beloofde hij.

Een span verderop dacht hij er al een of twee kwijt te raken aan Aielsperen, toen Gaul, Bain en Chiad plotseling vanuit een bosje naar hen toe renden. Na één blik op de Aiel legden Wil en zijn vrienden haastig een pijl aan en al rennend sluierden de Aiel zich en hieven hun eerste speer dreigend op. Het duurde even voor het allemaal uitgelegd was, maar toen vonden Gaul en de twee Speervrouwen het een geweldige grap. Ze brulden van het lachen en daarvan schrokken de Lewins en de Alseens al evenzeer als van de ontdekking dat het twee Aielvrouwen en een Aielman waren. Wil bracht nog een glimlach op voor Bain en Chiad. Ze wisselden een blik en een korte knik met elkaar. Perijn wist niet wat het allemaal inhield, maar hij besloot het erbij te laten, tenzij het ernaar uitzag dat ze Wil de keel zouden opensnijden. Tijd genoeg om hen tegen te houden als een van de Aielvrouwen werkelijk een mes ging trekken. Dan kon Wil nog wat leren van zijn glimlachjes.

Hij was van plan om zo snel mogelijk door te rijden naar Wachtheuvel, maar ongeveer een span ten noorden van de Alseen-boerderij zag hij een boerderij met een schoorsteen waaruit rook kringelde. Tham leidde hen zo ver eromheen dat de mensen bij de boerderij slechts figuurtjes waren. Behalve voor Perijns ogen; hij kon kinderen op het erf zien. En Jak Alseen was hun buurman. Tot vandaag. Hij aarzelde en stuurde Stapper toen naar de boerderij. Het zou waarschijnlijk niets uithalen, maar hij moest het proberen. ‘Wat ga je doen?’ vroeg Tham fronsend.

‘Hun dezelfde raad geven die ik baas Alseen gaf. Het duurt niet lang.’ Tham knikte en de anderen reden met hem mee. Verin keek nadenkend naar Perijn. De Aiel verdwenen vlak bij de boerderij om verderop te wachten. Gaul draafde een stukje van de Speervrouwen vandaan. Perijn kende de Torfins niet, en zij hem niet, maar toen de opwinding over de vreemdelingen en het gestaar naar Tomas, Verin en Faile achter de rug waren, luisterden ze tot zijn verbazing wel naar hem. Nog voor hij en de anderen verder reden, spanden ze hun paarden voor twee wagens en een hoogwielig karretje.

Nog drie keer hield hij halt, toen hun pad hen langs boerderijen voerde, een keer naar een groepje van vijf bij elkaar. Het was overal hetzelfde. De mensen protesteerden dat ze hun boerderij niet zomaar konden achterlaten, maar toch liet hij iedere keer bedrijvige mensen achter die inpakten en het vee verzamelden.

Er gebeurde echter nog meer. Hij kon Wil, Ban of de Lewins niet tegenhouden als ze de jongemannen van de boerderijen aanschoten. Hun groep groeide aan tot dertien man, Torfins, Aldaais, Ahans en Marwins, gewapend met pijl en boog en rijdend op een stel niet bij elkaar passende dieren, van pony’s tot ploegpaarden, allemaal erop gebrand om de gevangenen van de Witmantels te bevrijden. Natuurlijk ging het niet allemaal even gemakkelijk. Wil en de anderen van de Alseen-boerderij vonden het niet eerlijk dat Perijn de nieuwkomers voor de Aiel waarschuwde, want daarmee bedierf hij hun plezier de nieuwelingen te zien schrikken. Ze schrokken al veel te veel, vond Perijn, en uit hun gegluur naar de bosjes en bomen maakte hij op dat ze nog veel meer Aiel verwachtten, al ontkende hij het nog zo vaak. Wil probeerde aanvankelijk de baas te spelen over de Torfins en de anderen, op grond van het feit dat hij zich als eerste bij Perijn had aangesloten – een van de eersten dan, gaf hij toe toen Ban en de Lewins hem vuil aankeken – terwijl zij later gekomen waren. Perijn maakte daar een eind aan door ze in twee groepen van ongeveer dezelfde grootte te splitsen en Danel en Ban elk het bevel over een groep te geven, hoewel daar in het begin ook over gemord werd. De jongens van Aldaai vonden dat de oudsten de leiding moesten hebben – Bili Aldaai was minstens een jaar ouder dan de anderen – terwijl anderen Hu Marwin noemden als de beste spoorzoeker, Jaim Torfin als de beste schutter, of Kenlie Ahan noemden omdat die voor de Witmantels vaak in Wachtheuvel kwam en dus de weg daar goed kende. Ze leken allemaal te denken dat het een verzetje was. Tels opmerking over het werpen van de handschoen werd meer dan eens herhaald. Ten slotte laaide Perijns koude woede op en dwong hij hen op het gras tussen twee bosjes te stoppen. ‘Dit is geen spel en dit is geen Beltije-dans. Je doet wat je gezegd wordt of je gaat terug naar huis. Ik weet toch al niet of ik iets aan jullie heb, en ik ben niet van plan om gedood te worden doordat jullie alles zo goed menen te weten. Nou, achter elkaar en mond dicht. Jullie lijken wel de vrouwenkring in een klerenkast.’

Ze gehoorzaamden en vormden twee rijen achter Ban en Danel. Wil en Bili keken ontevreden maar hielden hun bezwaren voor zich. Faile gaf Perijn een instemmend knikje, net als Tomas. Verin zag het allemaal aan met een effen gezicht waarvan niets viel af te lezen. Die meende waarschijnlijk een ta’veren aan het werk te zien. Perijn vond het niet nodig haar te vertellen dat hij gewoon had bedacht wat Uno, de Shienaraanse krijgsman, op hun tocht naar de Kop van Toman zou hebben gezegd. Al zou Uno zich ongetwijfeld met veel meer gevloek hebben uitgelaten.