Toen ze Wachtheuvel naderden, kwamen er meer boerderijen in zicht. Ze lagen veel dichter bij elkaar, tot ze net als in Emondsveld als een rij naast elkaar stonden. Een lappendeken van akkers, omringd door hagen of stenen muurtjes en gescheiden door smalle weggetjes, voetpaden of karrensporen. Ondanks hun bezoek aan de boerderijen was het nog steeds licht. Hij zag mannen aan het werk en een paar jongens die voor de nacht viel de schapen en het vee van de wei naar de stal dreven. Niemand liet deze dagen zijn dieren buiten. Tham beduidde Perijn maar liever te stoppen met zijn waarschuwingen, en hij stemde er met tegenzin mee in. Hier zouden ze allemaal naar Wachtheuvel trekken, waardoor de Witmantels gewaarschuwd zouden worden. Een groep van twintig mensen die over sluipweggetjes reed, trok al genoeg belangstelling, hoewel de meeste mensen het te druk schenen te hebben om meer dan een blik te werpen. Maar het moest vroeg of laat gedaan worden en hoe eerder hoe beter. Zolang mensen op het platteland bleven en de bescherming van Witmantels nodig hadden, zouden de Witmantels een steunpunt in Tweewater hebben dat ze niet zonder meer zouden opgeven.
Perijn keek goed uit of hij een glimp van een afdeling Witmantels opving, maar afgezien van een stofwolk die zuidwaarts naar de Noorderweg trok, zag hij niets. Een poosje later stelde Tham voor af te stijgen en hun paarden mee te nemen aan de teugel. Te voet zouden ze minder opvallen en waren ze achter de heggen en zelfs de lage stenen muurtjes wat verborgen.
Tham en Abel wisten een bosje dat goed uitzicht op het kamp van de Witmantels bood. Het was een wirwar van eik, bittergom en lederblad, drie, vier heeg groot achter een open veld dat minder dan een span ten zuidwesten van Wachtheuvel lag. Ze drongen zich er vanuit het zuiden in en haastten zich. Perijn hoopte dat niemand hen het bosje had zien binnenlopen, dat niemand zich verbaasd zou afvragen waarom ze er niet uitkwamen en daarover ging praten. ‘Blijf hier,’ zei hij tegen Wil en de andere jongemannen, terwijl ze hun paarden aan takken vastbonden. ‘Hou jullie bogen bij de hand en hou je gereed voor als je een schreeuw hoort. Maar maak geen beweging tot je me hoort roepen. En wie een geluid maakt, ram ik zijn kop in elkaar als een aambeeld. We zijn hier om te kijken, niet om Witmantels op onze nek te krijgen, omdat we als blinde stieren rondstampen.’ Ze voelden aan hun bogen en knikten zenuwachtig. Misschien drong nu langzaam door wat ze aan het doen waren. De Kinderen van het Licht zouden het niet op prijs stellen een gewapend groepje mensen van Tweewater te zien.
‘Ben je ooit krijgsman geweest?’ vroeg Faile zachtjes en ietwat onthutst. ‘Een paar van mijn vaders... wachters praten ook zo.’
‘Ik ben een smid,’ lachte Perijn. ‘Maar ik heb wel krijgslieden horen praten. Het schijnt echter te werken.’ Zelfs Wil en Bili keken onrustig om zich heen. Ze durfden zich nauwelijks te bewegen. Perijn en Faile kropen van boom naar boom en volgden Tham en Abel tot waar de Aiel aan de noordkant van het bosje neergehurkt zaten. Verin was er ook, en Tomas natuurlijk. Het bosje zorgde voor een dun bladerscherm dat hen verborg maar toch een goed zicht bood. Het Witmantelkamp strekte zich als een zelfstandig dorpje aan de voet van Wachtheuvel uit. Er waren honderden mannen, sommigen gewapend, die langs rechte tentenrijen liepen. Zowel aan de oostkant als aan de westkant stonden vijf rijen paarden vastgebonden. Het waren de dieren van de afdelingen die van hun verkenningstocht waren teruggekeerd en nu afgezadeld en geroskamd werden. Een dubbele rij van ongeveer honderd ruiters, keurig in het gelid en met hun lansen allemaal in dezelfde hoek, verdween met een stevige draf in de richting van het Waterwold. Op vaste plaatsen rond het kamp stapten schildwachten in witte mantels heen en weer, met de lans als een speer tegen de schouder. Hun glanzende helmen weerkaatsten de ondergaande zon.
Perijns oren vingen hoefgeroffel op. Ver in het westen naderden twintig ruiters, die vanuit Emondsveld naar de tenten galoppeerden. Uit dezelfde richting als zijzelf waren gekomen. Een klein beetje vertraging en ze zouden zeker gezien zijn. Een hoorn schalde en mannen begaven zich naar de kookvuren.
Aan één kant stond een veel kleiner kamp, waarvan de tenten schots en scheef waren geplaatst. Sommige hingen scheef tegen hun eigen stormlijnen aan. Wie daar ook verbleef, de meesten waren nu weg. Enkele paarden aan een korte graasketting, die met hun staarten de vliegen verjoegen, verrieden dat er nog iemand was. Geen Witmantels. De Kinderen van het Licht waren veel te streng en te netjes voor zo’n kamp. Tussen het bosje en de twee tentenkampen lag een grasweide vol wilde bloemen. De boeren van Wachtheuvel gebruikten het waarschijnlijk als grasland. Maar nu niet. Het was er redelijk vlak. Uitrukkende Witmantels zouden in galop binnen de kortste keren het bosje bereiken.
Abel vestigde Perijns aandacht op het grote kamp. ‘Zie je die tent dicht bij het midden, met aan beide kanten een schildwacht? Zie je hem?’ Perijn knikte. De lage zon wierp diepe schaduwen naar het oosten, maar hij zag de tent heel goed. ‘Daar zitten Natti en de meisjes. En de Lohans. Daar heb ik ze naar buiten en weer naar binnen zien gaan. Een tegelijk, en altijd met een bewaker, zelfs naar de vuilhokken.’
‘We hebben drie keer geprobeerd om ’s nachts naar binnen te sluipen,’ zei Tham, ‘maar ze houden goed de wacht rond het kamp. De laatste keer slaagden we er maar net in om weg te komen.’ Het zou net zoiets zijn als je hand in een mierennest steken zonder gebeten te worden. Perijn zette zich tegen de stam van een grote lederbladboom met de boog op zijn knieën, ik wil hier een tijdje over nadenken. Baas Altor, wilt u ervoor zorgen dat Wil en dat stel daar zich voor de nacht voorbereiden? Zorg ervoor dat niemand het in zijn hoofd haalt om naar huis terug te rijden. Ze zouden zonder meer onbesuisd naar de Noorderweg rijden en wij krijgen vijftig Witmantels hier om de zaak te onderzoeken. Als iemand eraan heeft gedacht voedsel mee te nemen, kunt u er misschien op toezien dat ze iets gaan eten. Als we ervandoor moeten, zitten we zeker de rest van de nacht in het zadel.’
Ineens besefte hij dat hij bevelen zat te geven, maar toen hij zich trachtte te verontschuldigen, grinnikte Tham en zei: ‘Perijn, in Jaks huis heb je de leiding al op je genomen. Het is niet voor het eerst dat ik een jongere kerel gehoorzaam die wist wat hij deed.’
‘Je doet het goed, Perijn,’ zei Abel, voordat de twee oudere mannen terug tussen de bomen glipten.
Verbijsterd krabde Perijn zijn baard. Had hij de leiding genomen? Nu hij eraan terugdacht, had noch Tham noch Abel na de boerderij van Alseen echt een beslissing genomen. Ze hadden alleen maar wat voorgesteld en het verder aan hem overgelaten. En ze hadden hem geen van beiden meer ‘jongen’ genoemd.
‘Belangwekkend,’ zei Verin. Ze had haar boekje weer gepakt. Hij zou graag de kans krijgen om te lezen wat ze had geschreven. ‘Ga je me weer waarschuwen dat ik me dwaas gedraag?’ zei hij. Ze gaf geen antwoord maar zei peinzend: ‘Het zal nog veel belangwekkender zijn om te zien wat je hierna gaat doen. Ik kan niet zeggen dat je de wereld op zijn grondvesten doet schudden, zoals Rhand, maar Tweewater is beslist in beweging. Ik vraag me af of je een idee hebt in welke richting je het beweegt.’
‘Ik ben van plan om de Lohans en de Cautons te bevrijden,’ zei hij boos. ‘Dat is alles!’ Behalve de Trolloks dan. Hij liet zijn hoofd weer tegen de stam van de lederbladboom zakken en sloot zijn ogen. ‘Alles wat ik doe, moet ik doen. Tweewater zal blijven wat het altijd gebleven is.’
‘Natuurlijk,’ zei Verin.
Hij hoorde haar weggaan, haar en Tomas, muiltjes en laarzen, allebei even zacht over de bladeren van vorig jaar lopend. Hij opende zijn ogen. Faile staarde het stel niet al te blij gestemd na.
‘Ze laat je niet met rust,’ mopperde ze. Het kroontje van gevlochten blooshartjes bengelde aan haar hand.
‘Dat doen Aes Sedai nooit,’ zei hij.
Ze keerde zich naar hem toe met een uitdagende blik. ik neem aan dat je van plan bent hen vannacht te bevrijden?’ Het moest nu gebeuren, omdat hij zijn waarschuwingen had verspreid. Bovendien wisten de mensen wie het verteld had. Misschien zouden de Witmantels hun gevangenen geen kwaad doen. Misschien. Hij vertrouwde evenzeer op de welwillendheid van Witmantels als op de mogelijkheid dat hij een paard omhoog kon gooien. Hij keek naar Gaul, die knikte.