Выбрать главу

‘Tham Altor en Abel Cauton bewegen zich goed voor een natlander, maar ik geloof dat die Witmantels te stijf zijn om iets in het donker te zien. Ik geloof dat ze rekening houden met een grote groep vijanden op die plaatsen waar ze gezien kunnen worden.’ Chiad richtte haar geamuseerde grijze ogen op de Aielman. ‘Vind jij dan dat je kunt bewegen als de wind. Steenhond? Een lichtvoetige Steenhond zal zeker een mooi schouwspel opleveren. Als mijn speerzuster en ik de gevangenen gered hebben, komen we jou misschien ophalen, als je te oud bent geworden om je eigen weg te vinden.’ Bain raakte haar arm aan en ze keek verbaasd naar de vrouw met de felrode haren. Even later bloosde ze een beetje onder haar bruine huid. Beide vrouwen richtten hun ogen op Faile, die nog steeds met opgeheven hoofd en gekruiste armen naar Perijn keek. Hij haalde diep adem. Als hij zei dat zij niet mee mocht, zouden Bain en Chiad bijna zeker ook niet gaan. Ze maakten hem nog steeds nadrukkelijk duidelijk dat ze bij haar waren en niet bij hem. Dat deed Faile misschien ook. Misschien konden hij en Gaul het alleen af, maar hij kon niet zien hoe hij haar achter kon laten als ze dat niet wilde.

Faile was Faile en die zou gewoon achter hen aansluipen. ‘Blijf dicht: bij me,’ zei hij beslist. ‘Ik wil gevangenen bevrijden, niet er nog eentje achterlaten.’

Ze lachte, viel naast hem neer en wrong haar schouder onder zijn arm. ‘Bij jou blijven lijkt me een goed idee.’ Ze wipte de kroon van rode bloemen op zijn hoofd en Bain gniffelde.

Hij keek omhoog; hij kon de rand van het ding nog net over zijn voorhoofd zien bungelen. Hij moest eruitzien als een dwaas, maar hij liet het zitten.

Langzaam zakte de zon als een parel in de honing. Abel bracht wat brood en kaas – meer dan de helft van die helden had niets te eten meegebracht – en ze aten en wachtten. De nacht viel, met hoog aan de hemel een maan die vaak achter voortjagende wolken verdween. Perijn wachtte. Er gingen lichten uit in het Witmantelkamp en in Wachtheuvel, maar op de verder donkere helling bleven hier en daar enkele vensters verlicht. Hij verzamelde Tham, Faile en de Aiel om zich heen. Hij kon elk gezicht duidelijk onderscheiden. Verin stond zo dichtbij dat ze mee kon luisteren. Abel en Tomas waren bij de anderen van Tweewater om ze rustig te houden.

Het was onwennig voor hem om aanwijzingen te geven, dus hield hij het kort. Tham moest iedereen gereedhouden om weg te rijden op het moment dat Perijn met de gevangenen terugkwam. De Witmantels zouden hen achtervolgen zodra ze ontdekten wat er gebeurd was, dus hadden ze een plek nodig om zich te verbergen. Tham wist er een: een verlaten boerderij aan de rand van het Westwoud. ‘Probeer zo mogelijk niemand te doden,’ waarschuwde Perijn de Aiel. ‘De Witmantels zullen al razend genoeg zijn als ze hun gevangenen kwijtraken. Ze zullen de zon in brand steken als zij zelf mensen verliezen.’ Gaul en de Speervrouwen knikten alsof ze zich erop verheugden. Vreemde mensen. Ze verdwenen in de nacht. ‘Kijk goed uit,’ zei Verin zacht, toen hij zijn boog over zijn rug slingerde. ‘Ta’veren betekent niet dat je onsterfelijk bent.’

‘Maar Tomas zou goed van pas komen.’

‘Denk je dat één meer enig verschil maakt?’ zei ze nadenkend. ‘Bovendien heb ik andere taken voor hem.’

Hij schudde het hoofd, kroop op handen en knieën het bosje uit en drukte zich tegen de grond zodra hij uit het gebladerte was. Faile kwam naast hem en deed hetzelfde. Het gras met de akkerbloemen was hoog genoeg om hen te verbergen. Hij was blij dat ze zijn gezicht niet kon zien. Hij was wanhopig bang. Niet voor zichzelf, maar als haar iets zou overkomen...

Als twee schaduwen kropen ze over de open grond. Op een teken van Perijn bleven ze stil liggen toen ze tien pas van de heen en weer stappende schildwachten bij de eerste tentenrij af waren. Hun mantels glansden in het maanlicht. Twee Witmantels kwamen vlak voor hen samen en hielden stampend halt.

‘Alles is veilig in de nacht,’ verkondigde de ene. ‘Het Licht verlichte ons en bescherme ons tegen de Schaduw.’

‘Alles is veilig in de nacht,’ antwoordde de ander. ‘Het Licht verlichte ons en bescherme ons tegen de Schaduw.’

Ze draaiden zich op hun hakken om en stapten weg, waarbij ze niet links of rechts keken.

Toen ze zo’n tien stappen weg waren, raakte Perijn Failes schouder aan en kwam overeind. Hij haalde nauwelijks adem, en ook Failes ademhaling kon hij amper horen. Ze haastten zich, bijna op hun tenen, tot tussen de tenten en vielen weer neer zodra ze voorbij de eerste rij waren. In de tenten lagen mannen te snurken of te mompelen. Verder was het stil in het kamp. Het laarzengestamp van de schildwachten was duidelijk hoorbaar. De geuren van gedoofde kookvuren hingen in de lucht naast die van zeildoek, paarden en mannen. Hij gebaarde stil naar Faile hem te volgen. In de duisternis werden tentlijnen strikken voor argeloze voeten. Maar voor hem waren ze goed zichtbaar en samen kronkelden ze tussen de lijnen door. Hij had de plek van de gevangenentent goed in zijn hoofd en voorzichtig kroop hij erheen. Bij het midden van het kamp. Een lange weg ernaartoe en een lange weg terug.

Krakende laarzen en Failes gegrom deden hem razendsnel omrollen. Net op tijd om tegen de grond te worden gedrukt door een grote gestalte in een witte mantel, een man die zo breed was als baas Lohan zelf. IJzeren vingers omvatten zijn keel, terwijl ze omrolden. Perijn greep de kin van de man met een hand vast, duwde diens hoofd naar achteren en probeerde de man van zich af te duwen. Hij graaide naar de vingers om zijn keel en stompte in de ribben van de kerel, wat wel gegrom opleverde maar niet veel meer. Het bloed brulde in zijn oren, zijn gezichtsveld werd kleiner en de duisternis begon hem in te sluiten. Hij tastte naar zijn bijl, maar zijn vingers voelden verdoofd aan.

Plotseling schokte de man en zakte boven op hem in elkaar. Perijn duwde de slappe gestalte van hem af en zoog diep de heerlijke nachtlucht in.

Faile gooide een kampvuurblok weg en wreef over de zijkant van haar hoofd. ‘Hij meende dat hij mij niet meer in het oog hoefde te houden nadat ik was neergeslagen.’ fluisterde ze.

‘Een dwaas,’ fluisterde Perijn terug. ‘Maar een sterke dwaas.’ Hij zou die vingers om zijn nek nog wel een paar dagen voelen. ‘Alles goed met je?’

‘Natuurlijk. Ik ben niet van porselein.’ Dat dacht hij ook niet.

Hij sleepte de bewusteloze man naast een tent, waar hij hoopte dat niemand hem gauw zou vinden. Hij ontdeed hem van zijn witte mantel en bond zijn handen en voeten met een paar overtollige boogpezen. Een doek uit de broekzak van de man diende als knevel. Niet erg schoon, maar dat was zijn eigen schuld. Perijn lichtte de boog over zijn hoofd en hing de mantel over zijn schouders. Als iemand hem zag, zouden ze hem misschien bij vergissing voor een Witmantel aanzien. De mantel had een gouden rangknoop onder de stralende zonnekrans. Een officier. Nog beter.

Hij liep nu openlijk en snel tussen de tenten door. Verborgen of niet, die man kon elk moment gevonden worden en dan zou het alarm opklinken. Faile sloop als zijn schaduw naast hem mee en zocht al even waakzaam naar tekenen van leven als hij. De bewegende wolken-schaduwen maakten de ruimte tussen de tenten zelfs voor zijn ogen donker.

Hij naderde de tent van de gevangenen en liep langzamer om de bewakers niet te laten schrikken. Aan deze kant stond een Witmantel en boven het puntige tentdak stak de glinsterende lanspunt van de ander uit. Plotseling verdween de lanspunt. Er klonk geen geluid. De punt verdween gewoon.

Een hartenklop later gingen twee donkere vlekken plotseling over in gesluierde Aiel, die niet zo lang waren als Gaul. Voordat de wacht een beweging kon maken, sprong een Aielvrouw de lucht in en schopte de man in het gezicht. Hij wankelde, viel op zijn knieën en de andere Speervrouwe gaf hem nog een trap. De wacht viel slap neer. De Speervrouwen hurkten neer en keken rond, de speer in de aanslag, om te zien of ze iemand wakker hadden gemaakt.