Выбрать главу

Mart had het spel toch vrij snel onder de knie gekregen en al was zijn geluk niet zo groot als bij de stenen, het kon ermee door. Naast zijn kaarten lag een dikke beurs en een nog dikkere zat in zijn zak. Een fortuin, zou hij vroeger in Emondsveld hebben gedacht, genoeg om zijn verdere leven in weelde door te brengen. Maar zijn ideeën over weelde waren na zijn vertrek uit Tweewater veranderd. De jonge heren hielden hun munten in zorgeloze, glimmende stapeltjes voor zich, maar hij was niet van plan enkele oude gewoonten op te geven. In de taveernes en herbergen was het soms noodzakelijk snel te vertrekken. Vooral als het geluk met hem was.

Wanneer hij volgens hem genoeg zou hebben om ervan te leven, zou hij de Steen pijlsnel achter zich laten. Vóór Moiraine wist wat hij van plan was. Hij had eigenlijk al dagen geleden weg willen zijn, ais hij zijn zin had gekregen. Maar hier kon goud gewonnen worden. Een nacht aan de speeltafel bracht hem meer op dan een week dobbelen in de taveerne. Als zijn geluk hem bij wilde staan.

Hij fronste licht, zoog bezorgd aan zijn pijp en probeerde er onzeker uit te zien, alsof hij twijfelde of zijn kaarten wel goed genoeg waren om mee te gaan. Twee andere jonge heren hadden eveneens een pijp in de mond, maar met zilverbeslag en ambersteentjes. In de hete, drukkende lucht rook hun gezoete tobak als een haardvuur in de kamer van een vrouwe. Niet dat Mart ooit in het vertrek van een adellijke dame was geweest. Een ziekte waar hij bijna aan was gestorven, had zijn geheugen met evenveel gaten achtergelaten als fraai kantwerk, maar zoiets zou hij zich toch hebben herinnerd. Zelfs de Duistere zou niet zo gemeen zijn om me dat te laten vergeten. ‘Er liep vandaag een schip van het Zeevolk binnen,’ mompelde Reimon langs zijn pijp. De baard van de breedgeschouderde jonge heer was met olie ingesmeerd en in een net puntje geknipt. Dat was de nieuwste mode bij de jonge heren en Reimon volgde de nieuwste mode even nauwgezet als hij op vrouwen joeg. Wat maar iets minder ijverig was dan hij gokte. Hij gooide een zilverkroon op het hoopje midden op de tafel voor een nieuwe kaart. ‘Een klipper. De snelste schepen, klippers, zegt men. Sneller dan de wind, zeggen ze. Dat zou ik graag eens willen zien. Bloedvuur, dat zou ik zeker graag willen zien.’ Hij bekommerde zich niet om de nieuwe kaart die hij kreeg. Dat deed hij nooit, tot hij ze alle vijf had.

De gezette man met roze wangen tussen Reimon en Mart in grinnikte vermaakt. ‘Wil je het schip zien, Reimon? Je bedoelt zeker de meisjes erop. De vrouwen. Ongewone schoonheden van het Zeevolk met hun prulletjes en snuisterijtjes en zwierige loop, hè?’ Hij legde er een kroon bij en pakte met een grimas zijn kaart op terwijl hij hem bekeek. Dat betekende verder niets. Als je op Edorions gezicht afging, had hij altijd slechte kaarten die slecht bij elkaar pasten. Maar hij won meer dan hij verloor. ‘Tja, misschien heb ik meer geluk bij de meisjes van het Zeevolk.’

De kaartdeler die tegenover Mart zat, was lang en slank en had een donker puntbaardje dat zelfs nog meer glom dan dat van Reimon. Hij hield een vinger langs zijn neus. ‘Denk je daar je geluk te vinden, Edorion? Die meisjes houden zich zo afzijdig dat je al van geluk mag spreken als je een zweem van hun reukwater opvangt.’ Hij maakte een wegwerpgebaar, zoog de rook diep zijn longen in en zuchtte, terwijl de andere jonge heren lachten, zelfs Edorion.

Een jongeman met een gewoon gezicht die Estean heette, lachte het hardst van allemaal, terwijl hij met zijn hand door zijn sluike haren streek die telkens over zijn voorhoofd zakten. Als hij zijn mooie gele jas van gesponnen wol zou uittrekken, had hij gemakkelijk voor een boer door kunnen gaan, maar hij was de zoon van een hoogheer met de rijkste landgoederen van Tyr, en wat hemzelf betrof, hij was de rijkste man aan deze tafel. Hij had ook meer wijn gedronken dan een van de anderen.

Schuin voor de man naast hem hangend, een overdreven verfijnd heertje dat Baran heette en voortdurend langs zijn scherpe neus omlaag-tuurde, porde Estean de kaartdeler met een niet al te vaste vinger tussen de ribben. Baran leunde achteruit en vertrok zijn mond rond de pijpensteel, alsof hij bang was dat Estean misschien over zou geven. ‘Da’s een goeie, Carlomin,’ gorgelde Estean. ‘Jij denkt net zo, hè Baran? Edorion zou nog geen snufje van hun spoor opvangen. Als hij zijn geluk wil proberen... een gokje wil wagen... dan zou hij achter die Aiel wijven aan moeten gaan, zoals Mart hier. Al die speren en messen. Bloed en as. Of je een leeuw ten dans vraagt.’ Er viel een dodelijke stilte rond de tafel. Estean was de enige die bleef lachen, tot hij met z’n ogen begon te knipperen, waarna hij opnieuw met zijn vingers door zijn haren streek. ‘Wat is er aan de hand? Heb ik iets verkeerds gezegd? O! O ja. Zij.’

Mart kon nog net een grijns onderdrukken. Die dwaas moest zo nodig de Aiel noemen. Aes Sedai zou nog erger zijn geweest. Ze hadden liever Aiel in de gangen van de Steen die iedere Tyrener die hen voor de voeten liep vanuit de hoogte aanstaarden, dan een Aes Sedai – en deze mannen dachten dat er nu minstens vier in de burcht waren. Hij plukte een Andoraanse zilverkroon uit zijn beurs op tafel en schoof die de pot in. Carlomin gaf de kaart traag aan. Met de nagel van z’n duim lichtte Mart de kaart behoedzaam op en hij knipperde niet eenmaal met z’n ogen. De Heerser van Bekers, een hoogheer van Tyr. De heersers van een pak kaarten verschilden van land tot land, afhankelijk van waar ze waren gemaakt, maar de vorst van het land was altijd de Heerser van Bekers, de hoogste kaart. Dit waren oude kaarten, maar hij had al nieuwe gezien met het gezicht van Rhand of iets wat daarop leek als Heerser van Bekers, afgebeeld met de Drakenbanier. Rhand, de heerser van Tyr, dat leek al zo belachelijk dat hij de neiging had zich te knijpen. Rhand was schaapherder, een aardige vent, met wie je lol kon hebben wanneer hij zich niet al te ernstig en verantwoordelijk gedroeg. Rhand was nu de Herrezen Draak, wat hem duidelijk maakte dat hij eigenlijk de stommerik was door hier te blijven, waar Moiraine iedere keer naar believen haar hand op zijn schouder kon leggen, en af te wachten wat Rhand van plan was. Misschien wilde Thom Merrilin wel mee. Of Perijn. Maar Thom had zijn intrek in de Steen genomen alsof hij er nooit meer wilde vertrekken en Perijn zou nergens heen gaan, tenzij Faile hem met haar vingertje wenkte. Nou ja, Mart was bereid zo nodig alleen te vertrekken. Maar voor de jonge heren lag zilver en goud op tafel, en als hij de vijfde heerser nu ook nog kreeg, was er geen enkele klakspeler die hem kon overtroeven. Niet dat hij die vijfde nodig had. Opeens voelde hij het geluk in zijn geest kriebelen. Niet zo kriebelig als bij de dobbelstenen natuurlijk, maar hij was er zeker van dat niemand zijn vier heersers aankon. De Tyreners hadden de hele nacht wild ingezet en de prijs van tien boerderijen was snel van handen verwisseld. Maar Carlomin zat naar zijn kaarten in zijn hand te staren en had nog geen vierde kaart gekocht, en Baran trok verwoed puffend aan zijn pijp en stapelde zijn munten op alsof hij klaar was ze allemaal in zijn zakken weg te stoppen. Reimon verborg een grimas achter zijn baard en Edorion keek met diepe rimpels naar zijn nagels. Alleen Estean leek er niet door beïnvloed. Hij wierp een onzekere grijns de tafel rond en was misschien al vergeten wat hij had gezegd. Gewoonlijk slaagden ze erin een of ander opgewekt gezicht te tonen als de situatie met de Aiel ter sprake kwam, maar het was al heel laat en de wijn had rijkelijk gestroomd.

Mart zocht naarstig zijn geheugen af om een manier te vinden waarmee hij hen en hun goud kon tegenhouden, voor ze van zijn kaarten wegliepen. Eén blik op hun gezichten volstond en hij begreep dat het aansnijden van een ander onderwerp niet voldoende zou zijn. Maar er was nog een andere manier. Als hij ze aan het lachen kon krijgen over de Aiel....Is het me ook waard dat ze mij daarbij uitlachen? Kauwend op zijn pijp probeerde hij iets anders te bedenken. Baran pakte met beide handen een stapeltje goudstukken op en schoof zijn stoel achteruit om ze in zijn zakken te laten glijden. ‘Misschien ga ik die Zeevolkvrouwen eens proberen,’ zei Mart snel, zijn pijp pakkend om breed gebarend zijn verhaal te versterken. ‘Er gebeuren vreemde dingen als je achter Aielmeisjes aangaat. Heel vreemde dingen. Zoals dat spel dat ze de Maagdenkus noemen.’ Hij had hun aandacht, maar Baran had de munten niet neergelegd en Carlomin leek nog steeds niet om zijn vierde kaart te willen vragen. Estean slaakte een dronken boer. ‘Je kussen met het staal tussen je ribben, neem ik aan. Speervrouwen, begrijp je. Staal. De speer in je ribben. Bloedvuur!’ Niemand anders lachte. Maar ze bleven wel luisteren.