Выбрать главу

‘We gaan op jacht naar Trolloks!’ riep Perijn over zijn schouder. Hun gelach klonk nog luider en hij dacht dat ze hem niet geloofden. Maar hij voelde bijna Verins ogen in zijn rug branden. Zij wist het. De donderslagen in de lucht herhaalden het gedonder van de paardenhoeven.

34

Hij die komt met de dageraad

De schaduwen van de dageraad werden korter en bleker, terwijl Rhand en Mart over de kale, nog steeds donkere ravijnbodem sprongen en het in mist gehulde Rhuidean achter zich lieten. De droge lucht vormde reeds de voorbode van de hitte van de dag, maar Rhand, die geen jas droeg, vond de lichte bries eigenlijk wel lekker koel. Dat zou niet zo lang meer duren; het felle verschroeiende daglicht zou spoedig op hen neervallen. Ze haastten zich zoveel mogelijk in de hoop dat voor te zijn, maar ze verwachtten niet dat ze het zouden halen. Hoe hard ze ook holden, het ging niet erg snel.

Mart strompelde, een en al pijn, droevig verder; een donkere veeg bloed bedekte de helft van zijn gezicht en onder zijn open jas was door het losgeknoopte hemd zijn borst te zien, waar nog meer opgedroogd bloed zat. Soms raakte hij heel voorzichtig de dikke striem rond zijn nek aan, die nu bijna zwart was. Buiten adem grommend, vaak struikelend, kon hij zich nog net aan zijn vreemde speer met de zwarte schacht overeind houden en een hand tegen zijn hoofd houden. Hij klaagde echter niet, wat een slecht teken was. Mart kon ontzettend goed zeuren over kleine ongemakken; zijn zwijgen betekende dat hij echt pijn had. De oude, half geheelde wond in Rhands zij voelde aan alsof hij doorboord werd en de sneden op zijn gezicht en hoofd brandden. Toch strompelde hij verder, half gebogen door de wond in zijn zij, en hij dacht amper aan zijn eigen pijn. Hij besefte maar al te goed dat de zon achter hen opkwam en de Aiel hen op de kale berghelling stonden op te wachten. Daar kon Mart water en schaduw vinden. De dageraad en de Aiel.

Hij die komt met de dageraad. Die Aes Sedai die hij voor Rhuidean had gezien of waarvan hij had gedroomd, had het gezegd of ze kon voorspellen. Hij zal jullie samen binden. Hij zal jullie terugvoeren en jullie vernietigen. De woorden leken in haar mond wel een voorspelling. Hen vernietigen. De voorspelling luidde ook dat hij de wereld wederom zou breken. Het idee vervulde hem met afschuw. Misschien kon hij aan dat deel nog wel ontkomen, maar oorlog, dood en verwoesting volgden hem al op de hielen. Tyr was eigenlijk de eerste plaats sinds lange tijd waar hij geen wanorde, stervenden en brandende huizen had achtergelaten.

Hij merkte dat hij vurig verlangde naar de kans om Jeade’en te bestijgen en ervandoor te gaan, zo snel als de hengst hem wilde dragen. Het was niet voor het eerst. Maar ik kan er niet vandoor, dacht hij. Ik moet dit doen, omdat er niemand anders is die het kan. Ik doe het, of de Duistere zal overwinnen. Een slechte ruil, maar de enig mogelijke. Maar waarom zou ik de Aiel vernietigen? En hoe dan? Die laatste gedachte maakte hem door en door koud. Het leek net of hij aanvaardde dat hij het zou doen, dat hij het moest doen. Hij wilde de Aiel geen kwaad doen. ‘Licht,’ zei hij schor, ik wil niemand vernietigen.’ Zijn mond leek nu al weer vol stof te zitten. Mart wierp hem zwijgend van opzij een blik toe. Een behoedzame blik. Ik ben nog niet krankzinnig, dacht Rhand grimmig. Boven aan de helling waren de eerste Aiel in de drie kampen reeds op. Het kwam er echter wel op neer dat hij hen nodig had. Daarom was hij over dit alles gaan nadenken, toen hij voor het eerst ontdekte dat de Herrezen Draak en Hij die komt met de dageraad heel goed een en dezelfde persoon konden zijn. Hij had mensen nodig die hij kon vertrouwen, mensen die hem om iets anders volgden dan uit vrees voor hem of uit machtswellust. Mensen die hem niet voor hun eigen doeleinden zouden gebruiken. Hij had gedaan wat nodig was en nu zou hij hen gebruiken. Omdat hij het moest. Hij was nog niet krankzinnig – hij dacht niet dat hij dat was – maar velen zouden dat wel denken voor alles voorbij was.

Het felle zonlicht overviel hen voor ze de Chaendaer op klauterden; de hitte dreunde als een knuppel op hen neer. Rhand beklom de ongelijke helling, ondanks de diepe kuilen, steile stukken en ruwe rotspartijen, zo snel mogelijk. Zijn keel was de laatste slokken water allang vergeten en de zon droogde zijn hemd even vlug als zijn zweet het vochtig maakte. Mart hoefde evenmin aangespoord te worden. Daarboven was water. Bair stond voor de lage tenten van de Wijzen met een waterzak in haar handen, die glinsterde van de damp. Terwijl hij zijn gebarsten lippen aflikte, wist Rhand zeker dat hij het glinsteren kon zien.

‘Waar is hij? Wat hebben jullie met hem gedaan?’ De schreeuw bracht Rhand met een schok tot stilstand. De roodharige man, Couladin, stond boven op een grote rots die de vorm had van een granieten duim die uit de helling stak. Een groep krijgers van de Shaidostam stond bij de voet naar Rhand en Mart te kijken. Sommigen waren gesluierd.

‘Over wie heb je het?’ riep Rhand terug. Zijn stem kraste van de dorst. Couladins ogen leken uit te puilen van woede. ‘Muradin! Natlander! Hij is er twee dagen voor jou naar binnen gegaan en toch komen jullie er eerder uit. Als jullie dit overleven, had hij het zeker gekund! Jullie moeten hem gedood hebben!’

Rhand meende een schreeuw te horen bij de tenten van de Wijzen, maar voor hij met z’n ogen kon knipperen, kwam Couladin als een slang overeind en wierp zijn speer. Nog twee speren van de Aiel bij de voet van de rots flitsten naar hem toe.

Als vanzelf greep Rhand saidin beet en het uit vlammen gevormde zwaard verscheen. De kling wervelde in zijn handen – Wervelwind rond de berg - een toepasselijke naam – en sloeg de schachten van twee speren kapot. Marts zwarte wapen sloeg nog net de derde opzij. ‘Bewijs!’ brulde Couladin. ‘Ze hebben Rhuidean betreden met wapens! Het is verboden! Zie dat bloed op hen! Ze hebben Muradin vermoord!’ Al schreeuwend wierp hij een tweede speer en ditmaal was het de eerste van ruim tien speren.

Rhand gooide zich opzij en besefte half dat Mart de andere kant opsprong. Nog voor hun voeten de grond weer raakten, kwamen de speren bij elkaar waar Rhand net had gestaan, waarbij ze elkaar wegstootten. Toen hij overeind sprong, zag hij dat alle speren in de rotsgrond staken. In een volmaakte kring omringden ze de plek waarvan hij was weggesprongen. Heel even stond zelfs Couladin verstomd. ‘Stop!’ riep Bair, die op dit verstilde moment kwam aangehold. Haar lange, ruime gewaad hinderde haar evenmin als haar leeftijd. Ze sprong ondanks haar witte haren de helling af als een meisje, als een woedend meisje. ‘De vrede van Rhuidean, Couladin!’ Haar ijle stem klonk als een ijzeren stang. ‘Tweemaal heb je de vrede nu verbroken. Nog eenmaal en je wordt buiten de wet geplaatst! Mijn woord erop. Jij, en ieder ander die nog een hand durft op te steken!’ Ze kwam al glijdend vlak voor Rhand tot stilstand en keek de Shaido aan, terwijl ze haar waterzak omhooghield alsof ze hen ermee wilde neerslaan. ‘Laat ieder die twijfelt zijn speer heffen! Die zal de schaduw worden onthouden volgens de overeenkomsten van Rhuidean, door elke veste, post of tent. Zijn eigen sibbe zal hem als een wild beest verjagen.’ Enkele Shaido ontdeden zich haastig van hun sluier – enkelen – maar Couladin liet zich niet de mond snoeren. ‘Ze zijn gewapend, Bair! Ze hebben Rhuidean gewapend betreden! Dat is...’

‘Zwijg!’ Bair hief haar vuist naar hem op. ‘Hoe durf jij over wapens te spreken! Jij, die de vrede van Rhuidean wilt verbreken en met onbedekt gelaat wilt doden? Ze hebben geen wapens meegenomen; daarvan was ik getuige.’ Opzettelijk keerde ze hen de rug toe, maar de blik die ze op Rhand en Mart wierp, was nauwelijks vriendelijker. Ze vertrok haar gezicht toen ze Marts vreemde speer met de zwaardkling zag en mompelde: ‘Heb je dat in Rhuidean gevonden, jongen?’