‘Hij werd mij gegeven, oude vrouw,’ gromde Mart schor terug. ‘Ik heb ervoor betaald en ik ben van plan hem te houden.’ Ze snoof. ‘Jullie zien er allebei uit alsof je door mesgras bent gerold. Hoe...? Nee, dat kunnen jullie me later wel vertellen.’ Ze keek naar Rhands zwaard en huiverde. ‘Zorg dat je dat wegdoet. En toon hun de tekenen voor die dwaas van een Couladin ze weer opstookt. Hij is zo heetgebakerd dat hij binnen de kortste keren zijn hele stam buiten de wet zou plaatsen. Vlug.’
Heel even keek hij haar met open mond aan. Tekenen? Toen herinnerde hij zich wat Rhuarc hem een keer had laten zien, het teken van een man die Rhuidean had overleefd. Hij liet het zwaard verdwijnen, knoopte zijn linkermouw los en trok die tot boven zijn elleboog op. Over de onderarm kronkelde een vorm als die op de Drakenbanier, een lenig wezen met gouden manen en scharlakenrode en gouden schubben. Natuurlijk had hij het verwacht, maar hij schrok er toch nog van. Het leek of het een deel van zijn huid vormde, alsof dat niet bestaande schepsel in hem was getrokken. Zijn arm voelde niet anders aan, maar de schubben flonkerden als glimmend metaal in de zon. Als hij die gouden manen op zijn pols zou aanraken, zou hij waarschijnlijk ieder haartje ervan voelen.
Hij stak zijn blote arm hoog op. Zo hoog dat Couladin en zijn mannen hem konden zien. Onder de Shaido werd gemompeld en Couladins gezicht vertrok in een snauw. Steeds meer mannen kwamen bij de granieten rots staan toen de Shaido uit hun tenten aan kwamen hollen. Rhuarc stond naast Heirn en zijn Jindo’s stonden wat hoger op de helling. Ze hielden de Shaido in de gaten en keken naar Rhand met iets van verwachting, die door zijn opgeheven arm niet minder werd.
Lan stond halverwege de twee groepen, met de hand op zijn gevest, zijn gezicht vol boze, stille dreiging.
Net toen Rhand besefte dat de Aiel nog iets meer wensten te zien, kwamen Egwene en de andere drie Wijzen over de helling naar hem toe geklauterd. De Aielvrouwen zagen er ongewoon uit, nu ze zich zo moesten haasten. Ze leken even boos als Bair was geweest. Amys keek Couladin woest aan, terwijl de zonne-blonde Melaine Rhand beschuldigend aankeek. Seana zag eruit of ze elk moment rotsen kon vergruizelen. Egwene, met een sjaal om haar haren die tot op haar schouders hing, staarde min of meer bezorgd naar Mart en hem, alsof ze had gedacht hen nooit meer te zullen zien.
‘Dwaze man,’ mompelde Bair. ‘Alle tekenen.’ Ze gooide Mart de waterzak toe, greep Rhands rechterarm en begon zijn mouw op te trekken, waardoor een spiegelbeeld van het wezen op zijn linkerarm zichtbaar werd. Zijn adem stokte en kwam er toen met een lange zucht uit. Ze leek te wankelen op de messcherpe rand tussen opluchting en afkeer. Er was geen vergissing mogelijk: ze had gehoopt dat het tweede teken er zou zijn, maar was er ook bang voor. Amys en de andere twee vrouwen slaakten bijna net zo’n zucht. Het was vreemd om bange Aiel te zien.
Rhand moest bijna lachen. Niet dat hij het leuk vond. Tweemaal en tweemaal wordt hij getekend. Dat stond in de Voorspellingen van de Draak. Er stond een reiger in beide handpalmen en nu kwamen deze tekenen er ook nog bij. Een van die merkwaardige schepsels – draken volgens de Voorspellingen – werd verondersteld ‘de herinnering aan weleer’ aan te duiden. Nou, dat had Rhuidean hem wel gegeven, de verloren geschiedenis van de oorspronkelijke Aiel. De andere was ‘de prijs van de wederkeer’. Wanneer zal ik die prijs moeten betalen? En hoe velen zullen die met mij moeten betalen? Dat moesten anderen altijd, zelfs wanneer hij het alleen wilde opknappen. Afkerig of niet, Bair wachtte geen moment voor ze zijn arm boven zijn hoofd duwde en luid verkondigde: ‘Aanschouw wat nooit eerder werd aanschouwd. Een Car’a’carn is gekozen, een hoofd aller hoofden, geboren uit een Speermaagd. Hij is met de dageraad uit Rhuidean verschenen, aldus de voorspelling vervullend, om de Aiel te verenigen! De vervulling van de voorspelling is begonnen!’
De reacties van de andere Aiel waren absoluut niet wat Rhand had verwacht. Couladin staarde met zo mogelijk nog meer haat dan eerst op hem neer, sprong toen van de stenen rots en beende de helling op om in een Shaidotent te verdwijnen. De andere Shaido begonnen zich te verspreiden en keken met nietszeggende blikken naar Rhand voor ook zij in hun tenten verdwenen. Heirn en de krijgers van de Jindosibbe deden zonder enige aarzeling hetzelfde. Binnen enkele tellen bleef alleen Rhuarc over, die bezorgd toe stond te kijken. Lan liep naar het stamhoofd toe; aan zijn gezicht was niet te zien dat Lan ook naar Rhand had gekeken. Rhand had eigenlijk niet geweten wat hij kon verwachten, maar dit in ieder geval niet.
‘Bloedvuur,’ mompelde Mart. Het leek voor het eerst tot hem door te dringen dat hij een waterzak had. Hij trok de stop eruit, hield de huid-zak hoog en liet bijna evenveel water over zijn gezicht spatten als dat hij dronk. Toen hij hem eindelijk liet zakken, keek hij opnieuw naar de tekenen op Rhands armen en schudde opnieuw het hoofd. ‘Bloedvuur,’ zei hij nogmaals en hield hem de klotsende waterzak voor. Rhand staarde verontrust naar de Aiel, maar wilde toch eerst wat drinken. Zijn keel was zo droog dat de eerste slokken pijn deden. ‘Wat is er met jou gebeurd?’ wilde Egwene weten. ‘Heeft Muradin je aangevallen?’
‘Het is niet toegestaan om te spreken over wat er in Rhuidean is gebeurd,’ zei Bair scherp.
‘Muradin niet,’ zei Rhand. ‘Waar is Moiraine? Ik had gedacht dat ze ons hier als eerste zou opwachten.’ Hij wreef over zijn gezicht en zwarte korrels opgedroogd bloed vielen van zijn hand. ‘Ik zou het deze keer niet erg vinden als ze me ongevraagd zou helen.’
‘Ik ook niet,’ zei Mart schor. Hij zwaaide heen en weer en hield zichzelf met zijn speer overeind, waarbij hij de muis van zijn duim tegen zijn voorhoofd drukte. ‘Mijn hersens tollen als een gek.’ Egwene trok een gezicht. ‘Ze is nog steeds in Rhuidean, neem ik aan. Maar nu jij er eindelijk uit bent, komt zij er ook wel uit. Ze is er meteen na jou ingegaan. Aviendha ook. Jullie zijn allemaal zo lang weg geweest.’
‘Moiraine in Rhuidean?’ vroeg Rhand ongelovig. ‘En Aviendha ook? Waarom zijn...’ Opeens drong Egwenes andere opmerking tot hem door. ‘Wat bedoel je met zo lang?’
‘Dit is de zevende dag,’ zei ze. ‘De zevende dag sinds jullie het dal inliepen.’
De waterzak viel uit zijn handen. Seana pakte die snel op, voor er nog meer van de kostelijke inhoud over de rotshelling kon druppelen. Rhand merkte het amper. Zeven dagen. In die zeven dagen kan er van alles zijn gebeurd. Ze kunnen me nu ingehaald hebben, hebben bedacht wat ik van plan ben. Ik moet in beweging blijven. Snel. Ik moet ze voor blijven. Ik heb dit alles niet gedaan om bet nu te laten mislukken. Ze stonden hem allemaal aan te staren, zelfs Rhuarc en Mart, en de bezorgdheid was overduidelijk van hun gezichten af te lezen. En behoedzaamheid. Dat was niet verwonderlijk. Niemand wist immers wat hij zou kunnen doen of hoe gezond hij nog was? Alleen Lan behield zijn steenharde frons.
‘Ik heb het je toch gezegd dat het Aviendha was, Rhand. Zo bloot als een pasgeboren kindje.’ Marts stem klonk alsof hij pijn had en zijn benen leken niet echt sterk.
‘Hoelang duurt het nog voor Moiraine terugkomt?’ vroeg Rhand. Als zij er min of meer tegelijk in was gegaan, moest ze gauw terug zijn. ‘Als ze er de tiende dag nog niet is,’ antwoordde Bair, ‘komt ze niet. Na tien dagen is er nog nooit iemand teruggekomen.’ Nog drie dagen, misschien. Nog drie dagen langer en hij was er al zeven kwijtgeraakt. Laat haar er nu uitkomen! Ik geef niet op. Met moeite kon hij een boze grijns onderdrukken. ‘Jij kunt geleiden. Een van jullie, in ieder geval. Ik heb gezien hoe je Couladin wegwierp. Kunnen jullie Mart helen?’
Amys en Melaine keken elkaar aan op een manier die alleen maar bedroefd kon worden genoemd.
‘Wij hebben een ander pad gevolgd,’ zei Amys treurig. ‘Er zijn Wijzen die in zekere zin kunnen doen wat je vraagt, maar wij horen daar niet bij.’