‘Wat bedoel je?’ snauwde hij kwaad. ‘Jullie kunnen geleiden als Aes Sedai. Waarom kunnen jullie dan ook niet helen? Jullie wilden niet dat hij Rhuidean introk. Vinden jullie nu wel dat hij erdoor mag sterven?’
‘Ik overleef het wel,’ zei Mart, maar hij had beide ogen dichtgeknepen van de pijn.
Egwene legde haar hand op Rhands arm. ‘Niet alle Aes Sedai kunnen goed helen,’ zei ze troostend. ‘De beste heelsters zijn die van de Gele Ajah. Sheriam, de Meesteresse der Novices, kan niet meer helen dan een blauwe plek of een snee. Geen twee vrouwen hebben precies dezelfde Talenten of vaardigheden.’
Haar toon ergerde hem. Hij was niet een of ander zeurend kind waartegen vriendelijk moest worden gepraat. Hij keek de Wijzen fronsend aan. Of ze het niet konden of niet wilden, maar Mart en hij zouden op Moiraine moeten wachten. Als zij tenminste niet was gedood door de bel van het kwaad, door die zand wezens. Het kwaad moest nu zijn opgelost, er was toch ook een eind gekomen aan dat in Tyr. Die bellen zouden haar niet kunnen tegenhouden. Zij kan zich er een pad doorheen hanen. Zij weet wat ze doet, zij hoeft niet ieder duimpje van haar pad van tevoren te bedenken, zoals ik. Maar waarom was ze nog niet terug? Waarom was ze er eigenlijk heen gegaan en waarom had hij haar niet gezien? Stomme vraag. Er konden honderden mensen in Rhuidean zijn zonder dat ze werden gezien. Hij vermoedde dat er veel vragen bestonden waar geen antwoord op gegeven kon worden tot zij terugkwam. En wellicht zouden ze dan ook niet beantwoord worden. ‘We hebben kruiden en zalfjes,’ zei Seana. ‘Kom mee uit de zon, dan zullen we iets aan jullie verwondingen doen.’
‘Weg uit de zon,’ mompelde Rhand. inderdaad.’ Hij gedroeg zich onbehouwen, maar gaf er niet om. Waarom was Moiraine Rhuidean binnengegaan? Hij vertrouwde haar niet. Ze zou hem in die richting blijven duwen die zij de beste vond en de Duistere mocht zijn eigen mening delen. Als zij daarbinnen was, kon ze dan invloed hebben op wat hij daar had gezien? Kon zij het op de een of andere manier veranderd hebben? Als zij ook maar het geringste vermoeden van zijn plannen had... Hij ging op weg naar de Jindotenten – het volk van Couladin zou hem waarschijnlijk geen rustplekje willen aanbieden – maar Amys stuurde hem naar het vlakke stuk, waar de tenten van de Wijzen stonden. ‘Ze zullen zich niet op hun gemak voelen als jij bij hen bent,’ zei ze. ‘Nog niet tenminste.’ Rhuarc, die naast haar meeliep, knikte instemmend. Melaine wierp een blik op Lan. ‘Dit is niet iets voor jou, Aan’allein. Neem Martrim mee samen met Rhuarc en...’
‘Nee,’ onderbrak Rhand haar. ik wil hen erbij.’ Gedeeltelijk kwam dat doordat hij antwoorden verlangde van het stamhoofd en gedeeltelijk was het zijn koppigheid. Die Wijzen waren er allemaal op uit hem rond te leiden aan de teugel, net als Moiraine. Hij was niet van plan dat te slikken. Ze keken elkaar aan en knikten toen alsof ze zijn verzoek inwilligden. Als ze meenden dat hij een lieve jongen zou zijn doordat ze hem een snoepje hadden aangeboden, hadden ze het mooi mis. ik zou hebben gedacht dat je bij Moiraine zou zijn,’ zei hij tegen Lan, de Wijzen met hun knikjes negerend.
Een zweem van verlegenheid flitste over het gezicht van de zwaardhand. ‘Het is de Wijzen gelukt haar vertrek bijna tot zonsondergang geheim te houden,’ zei hij stijfjes. ‘Daarna hebben ze me ervan overtuigd dat het geen enkele zin had haar te volgen. Ze zeiden dat als ik dat toch deed, dat ik haar niet zou vinden, tot ze uit Rhuidean vertrok en dan had ze me niet meer nodig. Ik ben er niet meer zo zeker van of ik naar ze had moeten luisteren.’
‘Luisteren!’ Melaine snoof. Haar gouden en ivoren armbanden ratelden, terwijl ze geërgerd haar sjaal goed schoof. ‘Je kunt er bij een man altijd op rekenen dat hij zijn gedrag goedpraat. Je zou bijna zeker gedood zijn en zij ook.’
‘Melaine en ik hebben hem bijna de halve nacht vast moeten houden, voor hij wilde luisteren,’ zei Amys. Haar glimlach was een tikkeltje vermaakt, een tikkeltje heimelijk.
Lans gezicht had door donderwolken gevormd kunnen zijn. Dat was ook geen wonder als de Wijzen de Kracht tegen hem hadden gebruikt. Wat dééd Moiraine daarbinnen?
‘Rhuarc,’ zei Rhand. ‘Hoe word ik geacht de Aiel te verenigen? Ze willen me niet eens aankijken!’ Hij stak even beide armen omhoog; de schubben van de Draken glansden in het felle zonlicht. ‘Ze zeggen dat ik Hij die komt met de dageraad ben, maar bijna iedereen droop af zodra ik dit liet zien.’
‘Te weten dat de voorspelling uiteindelijk zal worden vervuld, is één ding,’ zei het stamhoofd langzaam, ‘maar het is iets anders om de vervulling met eigen ogen te zien gebeuren. Er wordt gezegd dat je de stammen, net zoals lang geleden, weer tot één volk zult verenigen, maar we hebben elkaar bijna even lang bestreden als de rest van de wereld. En voor sommigen van ons is er nog meer.’
Hij zal jullie binden en vernietigen. Rhuarc moest dat ook hebben gehoord. Net als de andere stamhoofden en de Wijzen als die het woud van glinsterende glazen zuilen ook hadden betreden. Tenzij Moiraine voor hem een speciaal inzicht had geregeld. ‘Ziet iedereen binnen die zuilen dezelfde dingen, Rhuarc?’
‘Nee!’ snauwde Melaine met ogen als groen staal. ‘Zwijg, of stuur Aan’allein en Martrim weg. Jij moet ook verdwijnen, Egwene.’
‘Het is niet toegestaan,’ zei Amys iets zachter, zij het niet veel zachter, ‘te spreken over wat er in Rhuidean voorvalt, behalve met hen die daar zijn geweest. Maar ook dan wordt er weinig en zelden over gesproken.’ ik ben van plan te veranderen wat wel of niet is toegestaan,’ vertelde Rhand hun gelijkmoedig. ‘Raak er maar vast aan gewend.’ Hij ving het gemompel van Egwene op dat hij eens op z’n vingers getikt diende te worden en schonk haar een grijns. ‘Egwene mag ook blijven, nu ze het zo lief vraagt.’ Ze stak haar tong uit en werd vuurrood toen ze besefte wat ze gedaan had.
‘Verandering,’ zei Rhuarc. ‘Je weet dat hij veranderingen brengt, Amys. Het is onze onwetendheid over die verandering en hoe die zal plaatsvinden, waardoor we ons voelen als eenzame kinderen in het duister. Aangezien het zo moest zijn, laat het dan nu beginnen. Elk stamhoofd dat ik erover heb aangesproken, heeft het op dezelfde manier gezien, Rhand, of precies dezelfde dingen, afgezien van het delen van water en de ontmoeting waarbij de Overeenkomst van Rhuidean werd gesloten. Of het voor de Wijzen hetzelfde is, weet ik niet, maar ik vermoed van wel. Ik denk dat het een zaak van afstamming is. Ik geloof dat ik door de ogen van mijn voorvaderen keek en jij door die van jou.’ Amys en de andere Wijzen keken woedend en grimmig zwijgend toe. Mart en Egwene keken allebei even verward. Alleen Lan leek helemaal niet te luisteren. Zijn ogen leken in zichzelf gekeerd en hij maakte zich ongetwijfeld zorgen over Moiraine.
Rhand voelde zich wat vreemd. Kijken door de ogen van zijn voorvaderen. Hij wist allang dat Tham Altor niet zijn eigen vader was, dat hij als pasgeborene gevonden was op de hellingen van de Drakenberg, na de laatste grote veldslag van de Aiel-oorlog. Een pasgeborene naast zijn dode moeder, een Speervrouwe. Hij had beweerd Aielbloed te hebben toen hij toegang eiste tot Rhuidean, maar dat het echt zo was, drong nu pas goed tot hem door. Zijn voorvaderen. Aielmensen. ‘Dan heb jij ook het eerste bouwen van Rhuidean gezien,’ zei Rhand. ‘Met die twee Aes Sedai. Je... hebt gehoord wat een van hen zei.’ Hij zal jullie vernietigen.
‘Ik heb het gehoord.’ Rhuarc keek berustend, zoals een man die net had gehoord dat zijn been moest worden afgezet. ‘Ik weet het.’ Rhand veranderde van onderwerp. ‘Wat is dat “delen van water”?’ De wenkbrauwen van het stamhoofd gingen verbaasd omhoog. ‘Herkende je het niet? Natuurlijk, ik begrijp waarom je dat niet wist. Jij bent niet met de verhalen opgegroeid. Volgens de oudste verhalen heeft, vanaf de dag dat het Breken van de Wereld begon tot de dag dat we voor het eerst het Drievoudige Land betraden, slechts één volk ons niet aangevallen. Eén volk slechts gunde ons vrijelijk hun water, toen het nodig was. Het heeft lang geduurd voor we ontdekten welk volk dat was. Maar dat is nu voorbij. De bezegeling werd gebroken; de boomdoders hebben ons in het gezicht gespuwd.’