Выбрать главу

‘Hij gaf zijn plaats als stamhoofd op,’ zei Bair. ‘Niemand had dat ooit eerder gedaan. Men zei hem dat zoiets niet kon, maar hij liep gewoon weg. Hij ging naar het noorden met een aantal jongemannen, om jacht te maken op Trolloks en Myrddraal in de Verwording. Zoiets doen wilde jongemannen en Speervrouwen met nog minder hersens dan een geit. Zij die terugkeerden, vertelden dat hij was gedood door een man. Ze zeiden dat Janduin beweerde dat die man op Shaiel leek en dat hij zijn speer niet had willen opheffen toen de man hem doorstak.’ Dus ook dood. Allebei dood. Hij zou zijn liefde voor Tham nooit verliezen, altijd vinden dat hij zijn vader was, maar hij had zo graag, al was het maar één keer, Janduin en Shaiel willen zien. Egwene probeerde hem natuurlijk te troosten, zoals vrouwen altijd doen. Het had geen zin haar uit te leggen dat hij nooit had bezeten wat hij had verloren. Als herinnering aan zijn ouders had hij de stille lach van Tham en de vagere herinneringen aan de zachte handen van Kari Altor. Een man verlangde niet naar meer en had niet meer nodig. Ze leek teleurgesteld en zelfs wat van streek. De Wijzen leken dat gevoel min of meer te delen, vanaf de zichtbare afkeuring van Bair tot het snuiven en telkens goed schikken van haar sjaal door Melaine. Vrouwen begrepen het nooit. Rhuarc, Lan en Mart wel. Die lieten hem met rust, zoals hij wilde.

Toen Melaine eten binnenbracht, had hij er om de een of andere reden geen zin in, dus legde hij zich neer aan de rand van de tent, met een kussen onder zijn elleboog, zodat hij de helling en de in mist gehulde stad kon overzien. De zon brandde boven het dal en de omringende bergen en schroeide aan de schaduwen. De lucht die de tent in dreef, leek uit een open oven te komen.

Een tijdje later kwam Mart, die een schoon hemd had aangetrokken, naar hem toe. Hij ging zwijgend naast Rhand zitten en tuurde naar het dal onder hem, de vreemde speer op zijn knieën. Af en toe streek hij over de schuine letters die in de zwarte schacht waren uitgesneden. ‘Hoe voelt je hoofd?’ vroeg Rhand en Mart schrok. ‘Het... het doet geen pijn meer.’ Hij rukte zijn vingers los van het schrift en verstrengelde zijn vingers opzettelijk in z’n schoot. ‘Niet zo erg meer, in ieder geval. Ik weet niet wat ze hebben gebrouwen, maar het heeft geholpen.’

Hij zweeg weer en Rhand gunde hem zijn zwijgen. Ook hij wilde niet praten. Hij kon bijna voelen hoe de tijd verstreek, hoe zandkorrels een voor een door een zandloper vielen, maar dan heel langzaam. Maar alles leek te beven en ook het zand leek klaar om in een maalstroom te ontploffen. Dwaas. Hij werd alleen beïnvloed door die trillend hete lucht die van de kale rots opsteeg. De stamhoofden zouden geen dag eerder in Alcair Dal aankomen als Moiraine op dit moment voor hem opdoemde. Ze vormden toch maar een deel van het plan en misschien wel het onbelangrijkste deel. Een poosje later zag hij dat Lan ontspannen gehurkt zat op dezelfde rots die Couladin had gebruikt en niets om de hete zon gaf. De zwaardhand hield eveneens het dal in het oog. Een derde man die niet wilde praten.

Rhand wilde ’s middags ook niet eten, hoewel Egwene en de Wijzen hem om beurten probeerden over te halen. Ze leken zijn weigering heel kalm op te vatten, maar toen hij voorstelde om naar Rhuidean terug te keren om Moiraine – en dan ook tegelijk Aviendha – te gaan zoeken, barstte Melaine los.

‘Stomme man! Geen enkele man kan tweemaal naar Rhuidean. Zelfs jij zou er niet meer levend uit komen! Verhonger dan maar als je dat liever doet.’ Ze gooide hem een half rond brood toe. Mart ving het op en begon kalm te eten.

‘Waarom wil je dat ik in leven blijf?’ vroeg Rhand aan haar. ‘Je weet wat de Aes Sedai voor Rhuidean heeft gezegd. Ik zal jullie vernietigen. Waarom zweer je niet met Couladin samen om mij te doden?’ Mart verslikte zich en Egwene plantte haar vuisten in de zij, klaar om hem een lesje te geven. Rhand bleef echter Melaine aankijken. Ze gaf geen antwoord, maar keek hem woest aan en verliet toen de tent. Bair gaf het antwoord, iedereen denkt de Voorspelling van Rhuidean te kennen, maar zij weten alleen wat de stamhoofden en Wijzen hun al vele geslachten hebben verteld. Geen leugens, maar ook niet de gehele waarheid. De waarheid kan zelfs de sterkste man breken.’

‘Wat is de hele waarheid?’ drong Rhand aan.

Ze wierp een bik op Mart en zei toen: in dit geval is de gehele waarheid, een waarheid die alleen de Wijzen en stamhoofden weten, dat jij onze doem bent. Onze doem en onze redding. Zonder jou zal niemand van ons volk de Laatste Slag overleven. Misschien daarvoor al niet meer leven. Dat is de voorspelling en de waarheid. Met jou... “Hij zal het bloed van degenen die zich Aiel noemen, vergieten als water op zand en hij zal ze breken als dorre takken, de resten van de rest zal hij niettemin redden en ze zullen leven.” Harde woorden, maar dit is nooit een lieflijk land geweest.’ Ze keek hem recht aan zonder met haar ogen te knipperen. Een hard land en een harde vrouw. Hij keerde zich op z’n andere zij en hield het dal weer in de gaten. Behalve Mart ging iedereen weg.

Halverwege de middag zag hij eindelijk een gestalte vermoeid de berg opklimmen. Aviendha. Mart had gelijk; ze was even bloot als ze was geboren. En de gevolgen van de zon waren ook te zien, of ze Aiels was of niet. Alleen haar handen en gezicht waren door de zon gebruind; al het overige zag er beslist rood uit. Hij was blij haar te zien. Ze had een hekel aan hem, maar alleen omdat ze dacht dat hij Elayne verkeerd had behandeld. De meest eenvoudige reden. Niet vanwege de voorspelling of de doem, niet vanwege de Draken op zijn armen of omdat hij de Herrezen Draak was. Vanwege een simpele, menselijke reden. Hij verlangde bijna naar haar koele uitdagende blikken.

Toen ze hem zag, verstarde ze en was er niets koels in haar blauwgroene ogen te ontdekken. Haar blik liet de zon zelfs verkillen en hij kon ter plekke in as opgaan. ‘Eh... Rhand?’ zei Mart stil. ‘Ik denk niet dat ik met mijn rug naar haar toe zou gaan staan als ik jou was.’ Hij slaakte een vermoeide zucht. Natuurlijk. Als ze in die glazen zuilen was geweest, wist ze het. Bair, Melaine, de anderen – die hadden er al jaren aan kunnen wennen. Voor Aviendha was het een open rauwe wond. Geen wonder dat ze me nu haat.

De Wijzen haastten zich naar buiten om Aviendha op te vangen en namen haar snel mee naar een andere tent. Toen Rhand haar daarna weer zag, droeg ze een ruim vallende, bruine rok en een los wit hemd, met een sjaal over haar armen geschikt. Ze leek niet al te blij met die kleren. Ze zag hem kijken en de woede op haar gezicht – de pure, dierlijke haat – zorgde ervoor dat hij zich afwendde. De schaduwen van de verre bergen begonnen te lengen tegen de tijd dat Moiraine verscheen, vallend en overeind krabbelend bij het klimmen, even sterk verbrand door de zon als Aviendha. Hij zag geschrokken dat ook zij helemaal niets aan had. Vrouwen waren gele, dat was het.

Lan sprong van de rots omlaag en rende naar haar toe. Hij tilde haar op in zijn armen en rende de helling weer op, misschien zelfs nog sneller dan hij omlaag was gesprongen, beurtelings vloekend en roepend om de Wijzen. Moiraines hoofd hing op zijn schouder. De Wijzen kwamen en namen haar mee. Melaine stelde zich vierkant voor hem op toen Lan probeerde de tent binnen te komen. Lan bleef achter en liep heen en weer, met zijn vuist in z’n hand meppend. Rhand rolde op z’n rug en staarde naar het lage tentdak. Drie dagen gespaard. Hij zou blij moeten zijn dat Moiraine en Aviendha veilig terug waren, maar hij voelde zich alleen opgelucht over de gewonnen tijd. Tijd betekende alles. Hij moest zijn eigen grond kunnen kiezen. Misschien kon hij dat nog steeds. ‘Wat ga je nu doen?’ vroeg Mart. iets wat jij leuk vindt. Ik ga de regels breken.’ ik bedoeclass="underline" ben je van plan eten te gaan halen? Ik heb honger.’ Rhand moest onwillekeurig lachen. Iets te eten? Het kon hem niet schelen als hij nooit meer zou eten. Mart staarde hem aan alsof hij gek was, waardoor hij nog harder moest lachen. Niet gek. Voor het eerst zou iemand leren wat het betekende dat hij de Herrezen Draak was. Hij zou de regels breken op een wijze die niemand verwachtte.