Выбрать главу

35

Harde lessen

Zoals Egwene zich uit de echte wereld herinnerde, werd het Hart van de Steen in Tel’aran’rhiod gevormd door enorme gladde, roodstenen kolommen die naar een verre zoldering opstegen, en onder de grote middenkoepel bevond zich Callandor, die in de vloer van lichte plavuizen was gedreven.

Er waren geen mensen. De gouden lampen waren niet aangestoken, maar toch was er een soort licht, op de een of andere manier zowel vaag als scherp, dat overal tegelijk vandaan of ook wel nergens vandaan leek te komen. Zo was het vaak binnen in Tel’aran’rhiod. Waar ze niet op had gerekend, was de vrouw die achter het glinsterende kristallen zwaard de bleek grauwe schaduwen tussen de kolommen stond in te turen. Egwene bekeek de kleding van de vrouw stomverbaasd. Ze was blootsvoets en droeg een wijde lange broek van gele brokaatzijde. Boven een donkergele band om haar middel was ze helemaal naakt, afgezien van gouden halssierraden. In een flonkerende rij schitterden kleine, gouden ringetjes in haar oren en nog het meest verbazingwekkend was een gouden neusring die met een dun kettinkje, waaraan penninkjes hingen, met haar linkeroorring was verbonden. ‘Elayne?’ zuchtte Egwene verbaasd, terwijl ze de sjaal om zich heen schikte alsof zij het was die halfnaakt rondliep. Ze had zich ditmaal als Wijze uitgedost, maar eigenlijk zonder enige reden. De erfdochter maakte een sprongetje en toen ze weer rustig stond en Egwene aankeek, droeg ze een beschaafd bleekgroen gewaad met een hoge, geborduurde kraag en lange mouwen, waarvan de punten tot haar handen reikten. Geen oorringetjes. Geen neusring. ‘Zo gaan de vrouwen van het Zeevolk op zee gekleed,’ zei ze haastig met hoogrode wangen, ik wilde weieens zien hoe dat voelde en dit leek me er een goede plek voor. Ik kon het tenslotte niet op dat schip doen.’

‘Hoe voelt het?’ vroeg Egwene nieuwsgierig.

‘Eigenlijk wel koud.’ Elayne keek om zich heen naar de kolommen. ‘En je hebt het gevoel dat mensen je aanstaren, zelfs als er niemand is.’ Opeens lachte ze. ‘Die arme Thom en Juilin. Het grootste deel van de tijd weten ze niet waar ze kijken moeten. De halve bemanning bestaat uit vrouwen.’

Terwijl Egwene zelf de kolommen opnam, trok ze onrustig haar schouders op. Het voelde echt aan alsof ze hier werden beloerd. Ongetwijfeld kwam dat alleen omdat ze de enige mensen in de Steen waren. Wie toegang tot Tel’aran’rhiod had, zou er niet op rekenen dat iemand hier zou kijken. ‘Thom? Thom Merrilin? En Juilin Sandar? Zijn dfe bij jullie?’

‘O, Egwene, Rhand heeft ze gestuurd. Rhand en Lan. Nou ja, Moiraine heeft Thom eigenlijk gestuurd, maar Rhand baas Sandar. Om ons te helpen. Nynaeve is natuurlijk weer in alle staten over Lan, hoewel ze het uiteraard niet laat merken.’

Egwene onderdrukte een glimlachje. Nynaeve over haar toeren? Elaynes gezicht straalde en haar kleed was weer anders, vertoonde nu een veel dieper uitgesneden hals, blijkbaar zonder dat ze het besefte. Door de ter’angreaal, de gedraaide stenen ring, kon de erfdochter de Wereld der Dromen even gemakkelijk binnenstappen als Egwene, maar hij bood geen grotere beheersing. Die moest je Ieren. Een losse gedachte – zoals hoe ze er graag voor Rhand uit wilde zien – kon bij Elayne van alles veranderen.

‘Hoe is het met hem?’ In Elaynes stem lag een vreemde mengeling van opzettelijke terloopsheid en gretigheid.

‘Goed,’ zei Egwene. ‘Ik denk van wel, ja.’ Ze gaf een volledig verslag. De Portaalstenen, Rhuidean – zoveel als ze had gehoord en wat haar was gelukt op te maken uit de gesprekken over het kijken door de ogen van de voorouders – het vreemde beest van de Drakenbanier dat nu beide onderarmen van Rhand kenmerkte, Bairs onthulling dat Rhand de doem was van de Aiel en de oproep aan de stamhoofden om naar Alcair Dal te komen. Het kon best zijn dat Amys en de andere Wijzen dat op dit moment deden; ze hoopte eigenlijk vurig van wel. Ze vertelde zelfs in verkorte vorm het vreemde verhaal van de echte ouders van Rhand. ‘Maar ik weet het niet. Hij doet sindsdien vreemder dan ooit en Mart doet even hard mee. Ik bedoel niet dat hij krankzinnig is, maar... Hij is even hard als Lan en Rhuarc, verschillende keren tenminste, misschien nog wel harder. Hij is iets van plan, denk ik. Iets wat volgens hem niet iedereen mag weten en hij zet er grote druk achter.

Ik maak me zorgen. Soms heb ik het gevoel dat hij geen mensen meer ziet, maar slechts stukken op een Steenbord.’

Elayne leek niet bezorgd, daarover in ieder geval niet. ‘Hij is wat hij is, Egwene. Een koning of een generaal kan het zich niet altijd veroorloven mensen te zien. Wanneer een heerser het juiste voor een natie dient te doen, is de kans groot dat enkelen zullen lijden onder wat voor de meesten het beste is. Rhand is een koning, Egwene, zelfs zonder land, tenzij je Tyr meetelt, en als hij niet iets doet wat sommigen pijn doet, zal aan het eind iedereen lijden.’

Egwene trok haar neus op. Misschien was het verstandig, maar ze hoefde het niet geweldig te vinden. Mensen waren mensen en ze moesten als mensen worden behandeld. ‘Er is nog wat. Enkele Wijzen kunnen geleiden. Ik weet niet hoeveel, maar ik vermoed verschillende, in meer of mindere mate. Volgens Amys vinden ze echt elke vrouw bij wie die vonk is aangeboren.’

Er was geen enkele Speervrouwe die stierf bij haar poging zichzelf te leren geleiden terwijl ze niet eens besefte wat ze probeerde te doen; bij de Aiel bestond geen enkele wilder. Mannen die merkten dat ze konden geleiden, wachtte een grimmiger lot. Ze trokken naar het noorden, naar de Grote Verwording en misschien nog wel verder naar de Verwoeste Landen en Shayol Ghul. ‘De Duistere doden’ werd het genoemd. Niemand overleefde dat, tenzij ze al eerder aan krankzinnigheid ten prooi vielen. ‘Aviendha heeft blijkbaar ook die vonk. Ze wordt heel sterk, denk ik. Amys bleek die vonk ook te hebben.’

‘Aviendha,’ zei Elayne nadenkend. ‘Natuurlijk, ik had het kunnen weten. Ik voelde dezelfde verwantschap met Jorin, toen ik haar voor het eerst zag, als ik bij Aviendha merkte. En bij jou, wat dat betreft.’

‘Jorin?’

Elayne trok een gezicht. ‘Ik heb beloofd dat ik haar geheim zou bewaren en de eerste de beste keer flap ik het eruit. Nou ja, ik neem niet aan dat het haar of haar zusters kwaad zal doen. Jorin is de windvindster op de Golfdanser, Egwene. Ze kan geleiden en dat kunnen enkele andere windvindsters ook.’ Ze keek even snel rond naar de kolommen om haar heen en opeens was haar gewaad weer hoog bij de nek gesloten. Ze schoof een donkere kanten sjaal, die er net niet was geweest, omhoog over het hoofd, waardoor haar gezicht in de schaduw verdween. ‘Egwene, je mag het niemand vertellen. Jorin is bang dat de Toren zal proberen hen te dwingen ook Aes Sedai te worden of tracht hen op de een of andere wijze te overheersen. Ik heb beloofd dat ik al het mogelijke zou doen om dat niet te laten gebeuren.’ ik zal het niet doorvertellen,’ zei Egwene langzaam. Wijzen en windvindsters. Twee groepen vrouwen die geleidsters kenden en niemand had de Drie Geloften op de Eedstaf afgelegd. Aes Sedai dienden zich aan die geloften te houden, waardoor men de Aes Sedai vertrouwde, of tenminste niet bang was voor hun macht, maar toch diende een Aes Sedai zich heel vaak zeer heimelijk te gedragen. Wijzen – en ook windvindsters, wilde ze wedden – hadden hooggeplaatste rangen in hun maatschappij. Terwijl zij niet de geloften hadden afgelegd waardoor mensen zich veilig voelden. Daar moest ze nog eens goed over nadenken.

‘Nynaeve en ik lopen voor op het vaarplan, Egwene. Jorin heeft me geleerd hoe ik met het weer kan werken. Je kunt het bijna niet geloven, maar de stromen Lucht die zij kan weven, zijn enorm omvangrijk! Onder ons gezegd en gezwegen hebben wij de Golfdanser samen sneller laten varen dan ooit tevoren, en het was al een snel schip. Over zo’n drie dagen, misschien twee volgens Coine, kunnen we in Tanchico zijn. Zij is de zeilvrouwe, de schipper. In tien dagen van Tanchico naar Tyr, misschien, ondanks dat we vaak stilliggen voor een gespreid als we een ander schip van de Atha’an Miere tegenkomen. Egwene, het Zeevolk denkt dat Rhand hun Coramoor is.’