Выбрать главу

‘Denken ze dat?’

‘Coine heeft enkele gebeurtenissen van Tyr verkeerd uitgelegd. Ze veronderstelt bijvoorbeeld dat de Aes Sedai Rhand hebben gediend, maar Nynaeve en ik vonden het beter daarover niets te zeggen. Zodra ze het een andere zeilvrouwe vertelt, willen allen dat bericht graag verspreiden en Rhand dienen. Ik denk dat ze alles voor hem zullen doen.’

‘Ik wou maar dat de Aiel hem zo gretig aanvaardden,’ verzuchtte Egwene. ‘Rhuarc vermoedt dat sommigen zullen weigeren hem te erkennen, of hij nu de Draken van Rhuidean op zijn armen heeft of niet. Er is een kerel, ene Couladin, die hem bij de eerste de beste kans ter plekke zou willen vermoorden.’

Elayne deed een stap naar voren. ‘Zorg ervoor dat dat niet gebeurt.’ Het was geen vraag of verzoek. Haar blauwe ogen fonkelden en er lag een glanzende dolk in haar hand.

‘Ik zal mijn best doen. Rhuarc heeft hem een lijfwacht gegeven.’ Elayne leek de dolk nu pas te zien en schrok. Het wapen verdween. ‘Je moet me leren wat Amys je bijbrengt, Egwene. Ik schrik me telkens een ongeluk als er dingen zomaar verschijnen en verdwijnen, of als ik opeens iets anders draag. Het gebeurt zomaar.’

‘Dat zal ik doen. Als ik er tijd voor heb.’ Ze was al weer te lang in Tel’aran’rhiod gebleven. ‘Elayne, als ik niet hier ben wanneer we verondersteld worden elkaar de volgende keer te ontmoeten, maak je dan geen zorgen. Ik zal het proberen, maar misschien kan ik niet komen. Vertel dit in ieder geval aan Nynaeve. Als ik niet kom, kom dan telkens de volgende nacht. Ongetwijfeld ben ik er dan enkele dagen later wel.’

‘Ik hoop het,’ zei Elayne weifelend. ‘Het gaat weken kosten voor we hebben uitgezocht of Liandrin en de anderen in Tanchico zijn. Thom schijnt te denken dat de toestand in de stad heel erg verwarrend is.’ Haar ogen gleden naar Callandor, die voor de helft in de vloer was gedreven. ‘Weet jij waarom hij dat heeft gedaan?’

‘Hij zei dat het de Tyreners aan hem zou binden. Zolang ze weten dat het zwaard daar is, zullen ze beseffen dat hij terugkomt. Misschien weet hij waar hij het over heeft. Ik hoop van wel.’

‘O, ik dacht... dat hij misschien... kwaad was over... iets.’

Elayne fronste nadenkend. Die plotselinge schroom was niets voor Elayne. ‘Kwaad waarover?’

‘O, niets. Ik dacht zomaar wat. Egwene, ik heb hem twee brieven gegeven voor mijn vertrek uit Tyr. Weet jij hoe hij ze heeft opgenomen?’

‘Nee. Heb je iets geschreven wat hem volgens jou boos heeft gemaakt?’

‘Natuurlijk niet.’ Elayne lachte opgewekt: het klonk gedwongen. Opeens droeg ze donkere wol die dik genoeg was voor een zware winter, ik zou toch wel stom zijn om dingen te schrijven waarover hij kwaad wordt.’ Haar haren piekten alle kanten uit, als een gekke kroon. Ze besefte het niet eens. ik probeer er juist voor te zorgen dat hij van me houdt. Ach, waarom kunnen mannen niet gewoon doen? Waarom moeten ze zulke problemen geven? Hij is gelukkig uit de buurt van Berelain.’ De wol werd weer zijde, met een nog lagere halslijn dan eerst; haar haren schitterden zo mooi op haar schouders dat de glans van haar gewaad erbij verbleekte. Ze aarzelde en beet op haar lip. ‘Egwene? Als je de kans krijgt, zou je hem dan kunnen zeggen dat ik meende wat ik zei in... Egwene? Egwene?’

Iets had Egwene vastgegrepen. Het Hart van de Steen verdween in het zwart alsof ze er aan haar nekvel uit werd gesleurd.

Hijgend en met een bonzend hart schrok Egwene wakker. Ze keek op naar het lage dak van de donkere tent boven haar hoofd. Slechts een beetje maanlicht kroop door de open wanden naar binnen. Ze lag onder haar dekens – de Woestenij was ’s nachts even koud als die overdag heet was en de stoof, die de zoetige geur van gedroogde mest verspreidde, gaf maar weinig warmte, zelfs met haar dekens waar ze was ondergekropen om te slapen. Wat had haar in Lichtsnaam weggesleurd? Opeens besefte ze dat Amys in kleermakerszit naast haar zat, gehuld in schaduwen. Haar gezicht, vaag zichtbaar in het sombere duister, leek even donker en dreigend als de nacht.

‘Was jij dat, Amys?’ vroeg ze kwaad. ‘Je hebt het recht niet mij zomaar weg te slepen. Ik ben een Aes Sedai van de Groene Ajah...’ – de leugen kwam nu heel vlot van haar lippen – ‘en je hebt het recht niet...’ Amys snoerde haar grimmig de mond. ‘Achter de Drakenmuur, in de Witte Toren, ben je een Aes Sedai. Hier ben je een onwetende leerling, een dom meisje dat door een kuil vol gifslangen kruipt.’ ik weet dat ik heb gezegd dat ik zonder jou niet naar Tel’aran’rhiod zou gaan,’ zei Egwene, die probeerde redelijk over te komen, ‘maar...’ Iets greep haar bij de enkels en trok haar voeten de lucht in. De dekens vielen omlaag en haar nachtkleding zakte, in vele plooien, af tot haar oksels. Omgekeerd hing ze met haar gezicht vlak voor dat van Amys. Woedend opende ze zich voor saidar... en merkte dat ze afgeschermd was.

‘Je wilde er alleen heen,’ fluisterde Amys zachtjes. ‘Je bent gewaarschuwd, maar je moest er zo nodig toch heen.’ Haar ogen leken in het donker te gloeien en steeds feller te schitteren. ‘En je wilde je niets aantrekken van wat daar op je ligt te wachten. Er leven dingen in dromen die de dappersten kunnen vernietigen.’ Rond haar ogen, die uit blauwe houtskool leken te bestaan, vloeide haar gezicht langwerpig uit. Schubben ontsprongen waar de huid was geweest, haar kaken staken naar voren, vol scherpe tanden. ‘Dingen die de dappersten opvreten,’ grauwde ze.

Krijsend roffelde Egwene tevergeefs tegen het schild dat haar van de Ware Bron afschermde. Ze probeerde een stomp te geven in dat afschuwelijke gezicht, in dat ding dat Amys niet kon zijn, maar iets greep haar polsen vast en rekte haar ver en bevend uit. Ze kon alleen maar gillen toen die kaken zich om haar gezicht sloten.

Krijsend ging Egwene rechtop zitten, de dekens tegen zich aanklemmend. Met de grootste moeite wist ze haar mond te houden, maar de rillingen die haar lieten beven, kon ze niet bedwingen. Ze was in de tent... of niet? Daar, in de schaduw, zat Amys nog steeds in de gloed van saidar, met gekruiste benen, of was zij het niet? Verbeten opende ze zichzelf voor de Bron en jankte bijna van ellende toen ze opnieuw op het schild botste. Ze gooide de dekens opzij en kroop over de dikke laag tapijten naar haar kleren en gooide die met beide handen wild opzij. Ze had een mes aan haar gordel. Waar was het? Waar? Daar! ‘Ga zitten,’ zei Amys bits, ‘voor ik je genezende dampen en kriebeloefeningen voorschrijf. Je zult het niet echt prettig vinden.’ Egwene draaide zich op haar knieën om, met beide handen het korte mes vasthoudend. Ze zouden wild trillen als ze die niet rond de greep had vastgeklemd. ‘Ben je het ditmaal echt?’

‘Ik ben mezelf, nu en ook daarnet. Een harde les is de beste. Ben je van plan me neer te steken?’

Aarzelend stopte Egwene het mes terug in de schede. ‘Je hebt het recht niet...’

‘Ik heb elk recht! Jij hebt me je woord gegeven. Ik wist niet dat Aes Sedai konden liegen. Als ik je iets wil leren, moet ik weten of je doet wat ik zeg. Ik wil niet meemaken dat een leerling van mij zich de hals laat afsnijden!’ Amys zuchtte; de gloed om haar heen verdween, evenals het schild tussen Egwene en saidar. ‘Ik kan het scherm niet langer in stand houden. Je bent veel sterker dan ik. Met de Ene Kracht, bedoel ik. Je hebt me bijna met schild en al neergeslagen. Maar als je je niet aan je woord houdt, weet ik niet of ik je wel les wil geven.’

‘Ik zal me aan mijn beloftes houden, Amys. Dat beloof ik. Maar ik moet mijn vriendinnen spreken in Tel’aran’rhiod. Dat heb ik hun beloofd. Amys, ze hebben mijn hulp en mijn raad nodig.’ Het gezicht van Amys was niet goed te zien in de duisternis, maar Egwene zag de trekken niet zachter worden. ‘Alsjeblieft, Amys. Je hebt me al zoveel geleerd. Ik denk dat ik mijn vriendinnen nu altijd, waar dan ook kan vinden. Hou me alsjeblieft niet tegen, wanneer ik nog zoveel moet leren. Ik zal alles doen wat je van me verlangt.’