36
Dwalen
In alle vroegte braken de Aiel het kamp op en waren al uit Rhuidean weg toen de zon achter de verre bergen de toppen scherp aftekende. In drie groepen trokken ze om Chaendaer heen, omlaag naar de woeste vlakte, die hier en daar overging in heuvels, hoge stenen pieken en vlakke rotshoogten in grijs en bruin en iedere tint ertussen, sommige met golvende lijnen in rood en oker. Tijdens hun tocht naar het noordwesten doemden zo nu en dan een enorme, natuurlijke boog en enorme rotsplaten op die op een vreemde manier in evenwicht werden gehouden en waarschijnlijk elk moment neer konden storten. In de verte zag Rhand in alle windrichtingen scherpe gekartelde bergtoppen. Al het puin van het Breken van de Wereld leek op deze plaats, de Aielwoestenij, verzameld te zijn. Waar de gebarsten grond niet geel of bruin of iets ertussenin kleurde, toonde een donkere rotsbodem vele kloven en kuilen. Een lage begroeiing van doornstruiken en een bladloze wirwar van stengels kwamen spaarzaam voor. De paar bloemen, wit, rood of geel, vormden een zeldzame verrassing. Zo nu en dan strekte zich een vlakte van taai gras voor hen uit en bij uitzondering zag hij een krom gegroeide boom, meestal met doornen en scherpe punten. Vergeleken met Chaendaer of het Rhuidean-dal was het er bijna weelderig. De heldere lucht en het kale land gaven Rhand het idee dat hij roeden ver kon kijken.
Maar de lucht was er niet minder droog en de hitte niet minder genadeloos met de zon als een gesmolten goudklomp hoog aan de hemel. Rhand had een sjoefa om het hoofd geslagen om zich tegen de zon te beschermen en dronk vaak uit de waterzak aan het zadel van Jeade’en. Vreemd genoeg leek zijn jas te helpen. Hij zweette evenveel, maar zijn hemd bleef vochtig onder de rode wol en gaf wat afkoeling. Mart gebruikte een stuk stof om een grote witte doek op zijn hoofd vast te binden als een soort vreemde pet die ook zijn nek beschermde en voortdurend hield hij zijn hand boven de ogen tegen het blikkerende licht. Hij had de ravenspeer als een lans in zijn hand, de punt rustte in de stijgbeugel.
Hun groep bestond uit zo’n vierhonderd Jindokrijgers; Rhand en Mart reden vooraan naast Rhuarc en Heirn. De Aiel liepen natuurlijk, muilezels en paarden droegen de tenten en een deel van de buit uit Tyr. Een aantal Speervrouwen van de Jindo was op verkenning uitgewaaierd, terwijl de Steenhonden de achterhoede bewaakten. Aan de buitenkant van de hoofdgroep hielden waakzame Aiel hun speren en bogen met aangelegde pijlen in gereedheid. Er werd aangenomen dat de vrede van Rhuidean heerste tot de reizigers naar Chaendaer in hun eigen veste waren teruggekeerd, maar zoals Rhuarc aan Rhand uitlegde: fouten waren wel eerder voorgekomen en verontschuldigingen en bloedgaven brachten doden niet uit het graf terug. Rhuarc leek zo’n fout ditmaal heel waarschijnlijk te achten, zeker vanwege de groep Shaidokrijgers. Het gebied van de Shaidostam lag achter dat van de Jindo Taardad, vanuit Rhuidean gezien ongeveer in dezelfde richting, en ze trokken op zo’n kwart span afstand naast de Jindo’s mee. Volgens Rhuarc had Couladin nog een dag op de terugkeer van zijn broer moeten wachten. Dat Rhand had gezien hoe Muradin zich de ogen had uitgestoken, maakte geen verschil. Tien dagen was tien dagen. Als je eerder vertrok, liet je ieder die Rhuidean had betreden achter. Toch had Couladin de Shaido bevolen hun tenten in te pakken, zodra hij zag dat de lastdieren van de Jindo’s bepakt werden. De Shaido trokken nu mee, maar zij hadden hun eigen verkenners en achterhoede. Ze leken de Jindosibbe te negeren, maar de tussenruimte werd nooit veel groter dan zo’n driehonderd pas. Het was de gewoonte dat een handvol grotere sibben getuigde dat een man de merktekenen van een stamhoofd droeg, en het volk van Couladin telde minstens tweemaal zoveel mensen als de Jindosibbe. Rhand had het vermoeden dat de derde groep, halverwege tussen de Shaido en Taardad, de reden was dat de tussenruimte niet onverwachts en gewelddadig smaller werd. De Wijzen liepen net als de andere Aiel, samen met die vreemde mannen en vrouwen in witte gewaden, die Rhuarc de gai’shain noemde, die de lastdieren leidden. Het waren niet echt bedienden, maar Rhand betwijfelde of hij Rhuarcs uitleg over eer, verplichting en gevangenschap wel goed had begrepen. Heirn had het nog ingewikkelder gemaakt, door te doen alsof hij aan Rhand moest uitleggen dat water nat was. Moiraine, Egwene en Lan reden bij de Wijzen. De twee vrouwen deden dat tenminste. Lan reed iets verder opzij, aan de kant van de Shaidokrijgers en hield hen even scherp in het oog als het woeste landschap. Soms stegen Moiraine en Egwene even af om al lopend met een Wijze te praten. Rhand zou zijn laatste penner willen geven om hun gesprekken te kunnen horen. Ze keken vaak zijn kant op. Snelle blikken die hij ongetwijfeld niet mocht opmerken. Om de een of andere reden droeg Egwene het haar in twee vlechten, samengevlochten met een lang rood lint, alsof ze een bruid was. Hij wist niet waarom. Hij had er vlak voor hun vertrek uit Chaendaer iets over gezegd – slechts genoemd – en ze had bijna zijn hoofd eraf gebeten. ‘Elayne is de vrouw voor jou.’
Verward keek hij neer op Aviendha. Die uitdagende blik lag weer in haar blauwgroene ogen en haar sterke afkeer overheerste nog steeds. Ze had buiten zijn tent staan wachten toen hij die ochtend wakker was geworden en was sindsdien geen drie stappen van hem geweken. De Wijzen hadden haar duidelijk opgedragen als spion op te treden en even duidelijk werd hij niet geacht dat te bedenken. Het was een knap meisje en hij werd verondersteld zo dom te zijn dat hij niet door zou denken. Ongetwijfeld was dat de reden dat ze nu een rok droeg en, afgezien van een klein mes aan haar gordel, verder geen wapens droeg. Vrouwen leken mannen maar simpel te vinden. Het was vreemd, bedacht hij, dat geen enkele Aielman iets had gezegd over haar andere kleding. Zelfs Rhuarc vermeed het zo mogelijk rechtstreeks naar haar te kijken. Waarschijnlijk omdat hij wist waarom ze er was, een vaag idee had van de plannen van de Wijzen en er niet over wilde spreken. Rhuidean. Hij wist nog steeds niet waarom zij erheen was gegaan. Rhuarc had het over ‘vrouwenzaken’ en had er merkbaar geen zin in erover te praten als zij erbij was. Als hij zag hoe dicht ze naast hem liep, betekende dat dat er helemaal niets besproken werd. Het stamhoofd liep mee te luisteren, net als Heirn en iedere andere Jindokrijger binnen gehoorsafstand. Het viel soms moeilijk bij een Aiel te ontdekken, maar hij dacht dat ze ergens plezier om hadden. Mart zat zachtjes te fluiten en keek nadrukkelijk naar alles, behalve naar Rhand of Aviendha. Maar dit was vandaag de eerste keer dat ze iets tegen hem zei.
‘Wat bedoel je?’ vroeg hij.
Ze had geen last van haar wapperende rok, terwijl ze naast Jeade’en meeliep. Nee, ze liep niet, ze sloop meer. Als ze een kat was geweest, zou ze haar staart hebben laten zwiepen. ‘Elayne is een natlander, een vrouw van je eigen soort.’ Ze wierp hooghartig haar hoofd in de nek. Ze had niet meer dat korte staartje van de Aielkrijger achter in haar nek. De opgevouwen sjaal rond haar slapen kon de haren bijna helemaal bedekken. ‘Precies de goede vrouw voor jou. Is ze niet mooi? Ze heeft een rechte rug, haar armen en benen zijn lenig en sterk, haar lippen volle liefdesappels. Haar haren zijn van gesponnen goud, haar ogen zijn blauwe saffieren. Haar huid is gladder dan de fijnste zijde, haar borsten zijn mooi en stevig. Haar heupen...’
Hij onderbrak haar fel met vuurrode wangen, ik weet dat ze knap is. Wat wil je nou?’
‘Ik beschrijf haar.’ Aviendha keek fronsend naar hem op. ‘Heb je haar in bad gezien? Ik hoef haar niet te beschrijven als je haar bloot in...’
‘Dat heb ik niet gezien!’ Hij wou dat zijn stem niet zo verstikt klonk. Rhuarc en de anderen luisterden echt en hun gezichten stonden zo effen dat ze wel pret moesten hebben. Mart richtte zijn ogen met een gemene grijns op de blauwe hemel.
De vrouw trok slechts haar schouders op en verschikte haar sjaal. ‘Dat had ze dan moeten regelen. Maar ik heb haar gezien en ik zal optreden als haar naaste zuster.’ De nadruk leek aan te duiden dat ‘zijn’ naaste zuster hetzelfde zou hebben gedaan. De gewoonten van de Aiel waren vreemd, maar dit was waanzinnig! ‘Haar heupen...’