Выбрать главу

Op z’n minst kon je zeggen dat het een merkwaardige vrouw was. Kadere verzette zich allerminst, nog niet met een grijns. Als Keille samen met hem zijn handel deelde, bestond er geen twijfel wie het voor het zeggen had. En als die hoed ervoor zorgde dat Marts hoofd niet het kookpunt bereikte, was het echt wel die prijs waard wat hem betrof. Ze beet even in de Tyreense mark die hij haar gaf voor ze de hoed losliet. Wonderlijk genoeg paste hij. Het was wel niet veel koeler onder die brede rand, maar hij gaf het Licht zij dank wat schaduw. Hij stopte de doek in zijn jaszak.

‘Nog iets voor de anderen?’ De gezette vrouw liet mompelend haar ogen over de Aiel glijden. ‘Wat een knap meisje,’ zei ze tegen Aviendha, waarbij ze haar tanden ontblootte tot een soort glimlach. Tegen Rhand zei ze liefjes: ‘En u, goede heer?’ Die stem paste echt niet bij dat dikke gezicht, vooral niet wanneer ze die honingzoete toon gebruikte. iets om u te beschermen tegen dit verloren land?’ Rhand wendde Jeade’en, zodat hij naar de voerlui kon kijken en schudde slechts zijn hoofd. Door zijn sjoefa leek hij echt een Aielman. ‘Vanavond, Keille,’ zei Kadere. ‘We zetten vanavond de handel op, op een plek die Imres Post heet.’

‘Zo, zo, inderdaad.’ Ze bleef even naar de stoet Shaidokrijgers kijken en wat langer naar de groep Wijzen. Abrupt vertrok ze naar haar eigen wagen en zei over haar schouder tegen de marskramer: ‘Waarom houd je deze goede heren dan nog langer op? Vooruit, Kadere, rijden.’ Rhand staarde haar na en schudde opnieuw zijn hoofd. Bij haar wagen stond een speelman. Mart knipperde met z’n ogen en dacht dat de hitte hem weer te pakken had genomen, maar de man verdween niet. Het was een donkerharige man van middelbare leeftijd in een mantel met honderden kleurige lapjes. Hij nam het groepje bezorgd op, tot Keille hem voor zich uit de wagentrap opduwde. Kadere keek naar haar witte wagen en op zijn gezicht stond nog minder te lezen dan bij een Aiel; toen stapte hij naar zijn eigen wagen. Echt een merkwaardig stel.

‘Heb je die speelman gezien?’ vroeg Mart aan Rhand, die vaag knikte en de rij wagens opnam alsof hij nog nooit zo’n wagen had gezien. Rhuarc en Heirn waren alweer terug naar de andere Jindo’s. De honderd lijfwachten rond Rhand wachtten geduldig af en verdeelden hun blikken tussen hem en al het andere waar een muis uit kon springen. De voerlui pakten de leidsels reeds op, maar Rhand bewoog niet. ‘Vreemd volk, die marskramers, vind je niet, Rhand? Maar ik neem aan dat je vreemd moet zijn als je naar de Woestenij gaat. Neem onszelf maar.’ Dat veroorzaakte een grijns bij Aviendha, maar Rhand leek het niet te hebben gehoord. Mart wilde maar dat hij iets zei. Iets. Zijn zwijgen joeg hem de stuipen op het lijf. ‘Had jij gedacht dat het begeleiden van een marskramer zo’n eer was dat Rhuarc en Couladin daarover moesten bekvechten? Begrijp jij iets van die ji’e’toh?’

‘Je bent echt een dwaas,’ mompelde Aviendha. ‘Met ji’e’toh heeft het niets te maken. Couladin probeert te doen of hij stamhoofd is. Rhuarc mag dat niet toestaan, tenzij hij naar Rhuidean is geweest. De Shaido zouden zelfs van een hond een bot afpakken – ze zouden het bot én de hond stelen – maar zelfs zij verdienen een echt stamhoofd. En vanwege Rhand Altor moeten we toestaan dat er zo’n duizend hun tenten op ons land opslaan.’

‘Zijn ogen,’ zei Rhand zonder de blik van de wagens af te nemen. ‘Een gevaarlijke man.’

Mart fronste. ‘De ogen van wie? Van Couladin?’

‘Kadere. Al dat zweten en verbleken. Maar zijn ogen veranderden geen enkele keer. Je moet altijd op de ogen letten. Hij is niet wat hij lijkt te zijn.’

‘Tuurlijk, Rhand.’ Mart verschoof in zijn zadel en nam half de teugels op alsof hij weg wilde rijden. Misschien was het zwijgen toch beter geweest. ‘Je moet altijd op de ogen letten.’

Rhand bestudeerde niet langer de wagens, maar keek naar de meest nabije rotspieken en hoogten, waarbij zijn ogen alle kanten op dwaalden. ‘Tijd is het onbekende gevaar!’ mompelde hij. ‘De tijd zet strikken uit. Ik moet die van hen ontwijken, terwijl ik mijn valstrikken plaats.’

Nergens was iets te zien wat volgens Mart meer was dan wat zeldzaam struikgewas en hier en daar een kromme boom. Aviendha keek fronsend naar de rotspieken, toen naar Rhand en schikte haar sjaal goed. ‘Valstrikken?’ zei Mart. Licht, laat hem eens een keer een antwoord geven dat geen wartaal is. ‘Wie zet strikken?’

Rhand keek hem heel even aan alsof hij de vraag niet begreep. De wagens van de marskramers zetten zich in beweging onder begeleiding van de Speervrouwen, die aan weerszijden meeliepen, en draaiden bij om de Jindo’s te volgen toen die voorbij draafden. De Shaido zetten zich eveneens in beweging. Nog meer Speervrouwen spoedden zich als verkenners naar voren. Alleen de Aiel rond Rhand bleven staan, hoewel de groep met Wijzen inhield en toekeek. Uit Egwenes gebaren maakte Mart op dat ze naar hen toe wilde komen. ‘Je kunt het niet zien of voelen,’ zei Rhand eindelijk. Hij boog zich iets naar Mart toe en fluisterde hardop, net doende alsof. ‘We rijden nu met het kwaad mee, Mart. Kijk uit.’ Hij toonde die verwrongen grijns weer, terwijl de wagens voorbij denderden. ‘Denk jij dat Kadere slecht is?’

‘Een gevaarlijke man, Mart – de ogen verraden het altijd – maar wie zal het zeggen? Wij hoeven ons echter geen zorgen te maken, want Moiraine en de Wijzen houden voor mij de wacht. En laten we Lanfir niet vergeten. Heeft een man ooit zoveel waakzame ogen getrokken?’ Opeens richtte Rhand zich op in zijn zadel. ‘Het is begonnen,’ zei hij stik ‘Wens me jouw geluk toe, Mart. Het is begonnen en er is geen terugkeer meer mogelijk, welke kant het zwaard ook uitvalt.’ In zichzelf knikkend zette hij zijn grijsgrauwe hengst aan, Rhuarc achterna. Aviendha draafde naast hem mee, de honderd krijgers volgden. Mart was blij ook weg te kunnen rijden. Zeker beter dan hier alleen achter te blijven. De zon stond brandend aan een donkerblauwe hemel. Er moest voor zonsondergang nog heel ver getrokken worden. Was het begonnen? Wat bedoelde hij met ‘het is begonnen’? Het was in Rhuidean begonnen, of nog beter, in Emondsveld tijdens Winternacht, een jaar geleden. ‘Rijden met het kwaad’ en ‘geen terugkeer meer mogelijk’? En Lanfir? Rhand liep nu zeker over het scherp van de snede. Geen twijfel over mogelijk. Hij moest uit deze Woestenij weg zien te komen voor het te laat was. Van tijd tot tijd nam Mart de wagenkaravaan op. Voor het te laat was. Als het al niet te laat was.

37

Imres Post

De zon stond nog ruim een handbreedte boven de karteltoppen van de westelijke bergen toen Rhuarc zei dat Imres Post, waar hij van plan was de nacht door te brengen, ongeveer een span verder lag. ‘Waarom gaan we niet verder?’ wilde Rhand weten. ‘Het blijft nog een behoorlijk lange tijd licht.’

Aviendha liep aan de andere kant van Jeade’en en antwoordde voor Rhuarc, die aan de andere kant liep. Ze deed het op de gebruikelijk neerbuigende toon die hij onderhand gewend was. ‘Er is water in Imres Post. Als de mogelijkheid er is, kun je beter in de buurt van water kamperen.’

‘Bovendien kunnen de wagens van de marskramer niet veel verder,’ voegde Rhuarc eraan toe. ‘Als de schaduwen zich lengen, moeten ze stilstaan op straffe van gebroken wielen en beenletsels bij de dieren. Ik wil ze niet achterlaten, omdat ik niemand overheb om een oogje op ze te houden, en Couladin heeft er meer dan genoeg.’ Rhand verschoof in zijn zadel. De wagens werden nu aan weerszijden bewaakt door de Duadhe Mahdi’in, de Waterzoekers, van de Jindosibbe, en hotsten moeizaam met de Aiel mee op een paar honderd pas afstand, waarbij ze een grote wolk van geel stof lieten opdwarrelen. De meeste geulen waren te diep of te steil, waardoor de voerlui gedwongen waren eromheen te trekken, zodat de karavaan kronkelde als een dronken slang. Uit de hortende stoet steeg luid gevloek van de wagenmenners, die de schuld vooral aan de muildieren gaven. Kadere en Keille waren nog in hun witte wagens.