Выбрать главу

‘Nee,’ zei Rhand, ‘dat zou je inderdaad niet willen.’ Hij moest onwillekeurig zachtjes lachen.

Mart zat hem van onder de brede rand van zijn nieuwe hoed bevreemd aan te kijken. Hij glimlachte en hoopte dat het geruststellend was, maar Marts gezicht veranderde niet. Hij zal voor zichzelf moeten zorgen, dacht Rhand. Er hangt hier te veel van af.

Nu hij over zorgen dacht, besefte hij dat Aviendha, die haar sjaal als een sjoefa om haar hoofd had gewikkeld, hem liep op te nemen. Hij strekte de rug. Misschien had Moiraine haar opgedragen voor hem te zorgen, maar hij had de indruk dat de vrouw gewoon liep te wachten tot hij eraf viel. Ze zou dat ongetwijfeld leuk vinden, als hij aan het soort grapjes van de Aiel dacht. Hij zou graag hebben aangenomen dat ze gewoon een hekel aan de rok had en dat ze hem in het oog moest houden, maar de glinstering in haar ogen leek hem van persoonlijke aard.

Toevallig hielden Moiraine en de Wijzen hem op dit moment niet in de gaten. Halverwege, tussen de Jindo’s en de Shaido, liepen Moiraine en Egwene te praten met Amys en de anderen, terwijl de zes vrouwen keken naar iets dat Moiraine in haar hand had. Het licht van de ondergaande zon viel erop en het fonkelde als een edelsteen. Ze leken er evenveel belangstelling voor te hebben als een knap meisje voor een sieraad. Lan reed achter hen bij de gai’shain en lastdieren, alsof ze hem hadden weggestuurd.

Het tafereel zorgde ervoor dat Rhand zich niet op z’n gemak voelde. Hij was eraan gewend in het middelpunt van de belangstelling van die vrouwen te staan. Wat vonden ze nu zo interessant? Het zou voor hem zeker niets leuks inhouden, niet met Moiraine, en waarschijnlijk ook niet bij Amys en de anderen. Ieder van hen had zo haar eigen plannetje met hem. Egwene was eigenlijk de enige daar die hij echt vertrouwde. Licht, ik hoop dat ik haar nog steeds kan vertrouwen. De enige die hij echt kon vertrouwen, was hijzelf. Wanneer het everzwijn aanvalt, komt het op jezelf en je speer aan. Ditmaal klonk zijn lach bitter.

‘Vind je het Drievoudige Land vermakelijk, Rhand Altor?’ Aviendha’s glimlach was een uiterst korte flits van witte tanden. ‘Lach, nu je het nog kan, natlander. Wanneer dit land jou gaat breken, zal het een gepaste straf zijn omdat je Elayne zo behandeld hebt.’ Gaf die vrouw het nou nooit op? ‘Je hebt geen enkele achting getoond voor de Herrezen Draak,’ snauwde hij, ‘maar je zou kunnen proberen iets voor de Car’a’carn te tonen.’

Rhuarc grinnikte. ‘Een stamhoofd is geen natlanderkoning, Rhand, en de Car’a’carn evenmin. Er bestaat achting – hoewel de vrouwen het zo min mogelijk laten blijken zonder onbeleefd te worden – maar iedereen kan iets tegen een stamhoofd zeggen.’ Desondanks keek hij gefronst in de richting van de vrouw aan de andere kant van het paard. ‘Maar sommigen gaan al te ver over de grenzen van eer.’ Aviendha moest hebben geweten dat dit laatste voor haar oren was bestemd, want haar gezicht werd steenhard. Ze beende zwijgend verder, terwijl ze haar handen tot vuisten balde.

Twee verkenners van de Speervrouwen verschenen. Ze kwamen hard aanhollen. Ze hoorden duidelijk niet bij elkaar. De een rende recht naar de Shaido, de ander naar de Jindo’s. Rhand herkende haar. Het was de blonde Adelin, knap, maar met een hard gezicht en een dun wit lijntje, een litteken, op haar gebruinde wang. Zij was ook in de Steen geweest, hoewel ze ouder was dan de andere Speervrouwen daar, misschien een tiental jaren ouder dan hijzelf. Ze schonk Aviendha een korte blik voor ze naast Rhuarc ging lopen. In die blik gaven nieuwsgierigheid en medeleven elkaar niet te veel toe, wat Rhand tegen de haren in streek. Als Aviendha ermee had ingestemd hem voor de Wijzen te bespieden, dan verdiende ze zeker geen medeleven. Zijn gezelschap deed daarover niet zo moeilijk. Adelin negeerde hem helemaal. ‘Er zijn problemen in Imres Post,’ zei ze tegen Rhuarc met snelle en afgebeten woorden. ‘Er is niemand te zien. We hebben ons niet laten zien en zijn niet dichterbij gegaan.’

‘Goed,’ antwoordde Rhuarc. ‘Breng de Wijzen op de hoogte.’ Terwijl hij onbewust zijn speren hief, liet hij zich terugzakken naar de hoofdmacht van de Jindo’s. Aviendha liep in zichzelf te mompelen en aan haar rok te plukken, duidelijk wensend dat ze zich bij de anderen kon voegen.

‘Ik denk dat ze het al weten,’ zei Mart toen Adelin zich naar de groep Wijzen spoedde.

Uit de opwinding van de vrouwen rond Moiraine meende Rhand te mogen opmaken dat Mart gelijk had. Ze leken allemaal tegelijk te praten. Egwene hield een hand boven haar ogen en staarde met haar andere hand voor de mond naar Adelin of naar hem. Hoe ze het wisten was een vraag voor later.

‘Wat voor problemen zouden het kunnen zijn?’ vroeg hij Aviendha. Nog steeds in zichzelf mompelend gaf ze geen antwoord. ‘Aviendha? Wat voor problemen?’ Stilte. ‘Bloedvuur, vrouw, je kunt best een eenvoudige vraag beantwoorden! Wat voor problemen?’ Ze werd rood, maar haar antwoord klonk vlak. ‘Hoogstwaarschijnlijk een overval, voor geiten of schapen, want die kunnen allebei bij Imres Post weiden, maar het meest waarschijnlijk voor de geiten vanwege het water. Het kan de Chareen geweest zijn, de Witrotssibbe of de Jarra, die het dichtste bij wonen. Of het kan een sibbe van de Goshien zijn geweest. Ik denk dat de Tomanelle te ver weg wonen.’

‘Zal er gevochten worden?’ Hij reikte naar saidin. De zoete stroom van de Kracht stroomde door hem heen. Maar ook de ranzige smet vervulde hem en opnieuw barstte het zweet uit elke porie van zijn lichaam. ‘Aviendha?’

‘Nee. Adelin zou het hebben gezegd als de overvallers er nog waren. De kudde en de gai’shain zullen nu al spannen ver weg zijn. We kunnen de kudde niet terughalen, omdat we jou moeten begeleiden.’ Hij vroeg zich af waarom ze het niet had over het terughalen van de gevangenen, de gai’shain, maar lang hield hij zich er niet mee bezig. De inspanning van het rechtop zitten en saidin vasthouden zonder erdoor meegesleurd te worden, gaf hem weinig ruimte om te denken. Rhuarc en de Jindo’s renden naar voren, terwijl ze hun gezichten sluierden. Rhand volgde wat langzamer. Aviendha keek hem ongeduldig fronsend aan, maar hij liet Jeade’en stevig doorlopen. Hij wilde niet galopperend in de val van een ander terechtkomen. Mart had tenminste geen haast. Die zat naar de huifkarren te kijken voor hij Pips aanspoorde. Rhand keek geen enkele keer naar de wagens. De Shaido bleven achter en hielden zelfs in tot de Wijzen zich in beweging zetten, want dit was het land van de Taardad. Het kon Couladin niet veel schelen als iemand hier op rooftocht was. Rhand hoopte dat de stamhoofden zo vlug mogelijk bij Alcair Dal verzameld konden worden. Hoe kon hij een volk verenigen dat elkaar voortdurend leek te bestrijden? Nou ja, dat was momenteel de minste zorg. Toen Imres Post eindelijk in zicht kwam, had de plek iets verrassends. Hier en daar stonden enkele kudden langharige geiten aan taai gras en zelfs aan de bladeren van de doornstruiken te knabbelen. Aanvankelijk viel het ruwstenen gebouw aan de voet van een rotshoogte niet eens op. De ruwe stenen gingen volmaakt op in de achtergrond en op het met zand bedekte dak hadden enkele doornstruiken wortel geschoten. Het was niet zo groot, maar schietsleuven vormden de vensters en er was slechts één deur te zien. Even later zag hij een tweede, even groot gebouwtje op een brede richel twintig pas hoger. Achter het stenen gebouw aan de voet liep een diepe kloof naar die richel omhoog en er bestond blijkbaar geen ander pad om die richel te bereiken. De enige Aiel die hij zag, was Rhuarc, die openlijk en ongesluierd op ruim vierhonderd pas van de rotshoogte stond. Dat betekende natuurlijk niet dat de anderen er niet waren. Toen Rhand naast hem stond, trok hij de teugels aan en stapte af. Het stamhoofd bleef de stenen gebouwtjes voortdurend opnemen.