Ineenkrimpend liet Mart zijn hoofd tegen het wiel zakken. Daar ging het weer. Hij moest de Woestenij zien uit te komen, weg van Moiraine, weg van elke Aes Sedai. Misschien een poosje terug naar huis. Misschien kon hij daar nog op tijd zijn om te helpen tegen de overlast van de Witmantels. Daar bestaat weinig kans op, tenzij ik die vervloekte saidinwegen gebruik, of weer zo’n vervloekte Portaalsteen. Maar dat zou zijn moeilijkheden niet oplossen. Allereerst zou hij in Emondsveld niet de antwoorden kunnen vinden op de woorden van het slangenvolk over zijn huwelijk met de Dochter van de Negen Manen, of over dat sterven en weer leven. Of over Rhuidean.
Door zijn jas heen streelde hij over de penning met de zilveren vossenkop, die weer om zijn nek hing. De pupil van het vossenoog was een klein rondje, verdeeld door een kronkelende lijn; de ene kant was licht, de ander kant lag op de een of andere manier in de schaduw. Het oeroude teken van de Aes Sedai voor het Breken. Hij pakte de speer met de zwarte schacht en de zwaardachtige kling, getekend met twee raven, en legde hem over zijn knieën. Ook weer Aes Sedai-werk. Rhuidean had geen antwoorden gegeven, alleen maar meer vragen, en... Vóór Rhuidean was zijn geheugen één groot gat geweest. Als hij in gedachten terugging, kon hij zich bijvoorbeeld herinneren dat hij ’s ochtends een deur inging en er ’s avonds weer vertrok, maar ertussenin zat niets. Nu was er wel iets wat die gaten vulde. Alsof hij dagdroomde, zoiets tenminste. Hij scheen zich dansen en veldslagen, straten en steden te herinneren waarvan hij geen enkele ooit had gezien, geen een waarvan hij zeker wist of die ooit had bestaan, net of hij honderden stukjes geheugen had van honderd verschillende mensen. Misschien kon hij ze toch beter opvatten als dromen – iets beter – maar hij liep er even echt in rond als in elke herinnering van hemzelf. Voor het grootste deel waren het veldslagen en soms kwamen die vanzelf naar boven, net zoals dat idee van die kruisboog. Hij kon op een gegeven moment naar een veld kijken en een plan maken hoe hij daar een hinderlaag kon leggen of zich ertegen kon verdedigen, of hoe hij een leger voor de slag moest opstellen. Het was waanzin.
Zonder te kijken liet hij zijn vingers langs de schrijfletters op de zwarte schacht glijden. Hij kon alles nu even gemakkelijk lezen als een boek, hoewel het pas na hun terugtocht naar Chaendaer tot hem was doorgedrongen. Rhand had niets gezegd, maar hij vermoedde dat hij zichzelf daar in Rhuidean had blootgegeven. Hij beheerste nu de Oude Spraak, opgepikt uit die dromen. Licht, wat hebben ze met me gedaan? ‘Sa souvraya niende misain ye,’ zei hij hardop. ‘Ik ben in mijn eigen geest verdwaald.’
‘Een geleerde en dat voor nu en deze Eeuw.’
Mart keek op en zag de speelman, die hem met zijn donkere, diepliggende ogen opnam. De man was langer dan de anderen, ongeveer van middelbare leeftijd en waarschijnlijk heel aantrekkelijk voor vrouwen. Alleen hield hij zijn hoofd op een vreemde behoedzame manier schuin, alsof hij je van opzij wilde aankijken.
‘Gewoon iets wat ik een keer heb gehoord,’ zei Mart. Hij moest voorzichtiger zijn. Als Moiraine besloot hem naar Tar Valon te sturen om bestudeerd te worden, zouden ze hem daar nooit meer laten gaan. ‘Je vangt hier en daar wat op en je onthoudt het. Ik ken enkele zinnen.’ Dat zou elk foutje van hem moeten goedpraten. ‘Ik ben Jasin Natael. Een speelman.’ Natael liet zijn mantel niet zo jolig zwieren als Thom dat kon. Hij had net zo goed kunnen zeggen dat hij timmerman was, of een wagenmaker. ‘Mag ik naast je komen zitten?’ Mart knikte naar het plekje naast hem en de speelman zakte door z’n knieën en duwde z’n mantel onder hem, zodat hij wat zachter kon zitten. Hij leek heel geboeid door de Jindo’s en Shaido die rond de wagens drentelden. De meesten hadden nog steeds hun schilden en speren bij zich. ‘Aiel,’ mompelde hij. ‘Zoiets zou je niet verwachten. Ik kan het nog steeds niet goed geloven.’
‘Ik ben nu al enkele weken bij ze,’ zei Mart, ‘en ik weet niet eens of ik het zelf wel geloof. Vreemd volk. Als een van de Speervrouwen je vraagt om mee te doen aan de Maagdenkus, raad ik je aan nee te zeggen. Heel beleefd dan.’
Natael keek hem met een frons vragend aan. ‘Je leidt een belangwekkend leven, lijkt me.’
‘Wat bedoel je?’ vroeg Mart behoedzaam.
‘Het is toch zeker geen geheim? Er zijn niet veel mensen die in het gezelschap reizen van een... Aes Sedai. Die vrouw, Moiraine Damodred. En dan heb je nog Rhand Altor. De Herrezen Draak. Hij die komt met de dageraad. Wie weet hoeveel voorspellingen hij wordt geacht te vervullen? Hij is zeker een ongewone reisgezel.’
De Aiel hadden natuurlijk gepraat. Dat zou iedereen doen. Toch was het verontrustend om te horen hoe een vreemdeling over Rhand aan het praten was. ik vind het momenteel allemaal best. Als je hem zo boeiend vindt, praat dan zelf met hem. Ik wil er liever niet aan herinnerd worden.’
‘Misschien doe ik dat nog. Later wellicht. Laten we het eens over jou hebben. Ik heb begrepen dat je Rhuidean hebt betreden, waar de laatste drieduizend jaar geen enkele niet-Aiel is geweest. Heb je dat daar gevonden?’ Hij stak z’n hand uit naar Marts speer, maar liet z’n hand zakken toen Mart de speer voor hem wegtrok. ‘Ook goed. Vertel me eens wat je hebt gezien?’
‘Waarom?’
‘Ik ben een speelman, Martrim.’ Natael hield zijn hoofd op die vreemde manier scheef, maar z’n stem klonk een beetje geërgerd omdat hij zoiets moest uitleggen. Hij tilde een punt van zijn mantel met de kleurige lapjes op alsof dat reden genoeg was. ‘Jij hebt iets gezien dat niemand heeft gezien, afgezien van een handvol Aiel. Wat voor verhalen zou ik niet kunnen maken met de zaken die jouw ogen hebben opgevangen? Ik kan jou zelfs tot de held maken als je dat verkiest.’ Mart snoof, ik wil niemands bloedheld zijn.’